Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6171

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
13/241977-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 7 WVWArt. 8 WVWArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor spookrijden met bromfiets en veroorzaken zwaar lichamelijk letsel

Op 2 april 2025 reed verdachte met zijn bromfiets op een tweerichtingsfietspad in Amsterdam, waar hij niet mocht rijden, en wel aan de verkeerde kant tegen het verkeer in. Hij reed met een te hoge snelheid en zonder voldoende acht te slaan op het overige verkeer, waardoor hij frontaal een fietser aanreed die zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte verliet vervolgens de plaats van het ongeval terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer letsel had opgelopen. Later weigerde verdachte medewerking aan een bloedonderzoek, ondanks een bevel daartoe.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam had gedragen in strijd met artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, en dat dit gedrag het ongeval veroorzaakte. Het letsel van het slachtoffer bestond uit ernstige fracturen en afgebroken tanden, waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk was. Verdachte had geen geldige rechtvaardigingsgrond en was strafbaar. De rechtbank hield rekening met recidive, de ernst van het letsel, het ontbreken van verantwoordelijkheid bij verdachte en een negatief advies van de reclassering vanwege psychiatrische problematiek en verslaving.

De officier van justitie eiste zes maanden gevangenisstraf en een rijontzegging van twee jaar, terwijl de raadsman pleitte voor een taakstraf. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op met aftrek van voorarrest en een rijontzegging van één jaar. De straf weerspiegelt de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het risico op herhaling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en een rijontzegging van één jaar wegens spookrijden en veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/241977-25
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
momenteel uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Stam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat:
(primair)door zijn schuld op 2 april 2025 in Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [persoon] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel
(subsidiair)dat hij zich dusdanig heeft gedragen dat daardoor gevaar of hinder op de weg werd veroorzaakt;
hij de plaats van het onder 1 bedoelde ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [persoon] letsel en schade was toegebracht;
hij (eveneens op de onder 1 genoemde datum en plaats), nadat de verdenking was gerezen dat hij onder invloed had gereden, niet heeft meegewerkt aan een bevel om medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 primair ten laste gelegde feit. Verdachte reed aan de verkeerde kant van een fietspad waar hij met zijn bromfiets niet mocht rijden, met een snelheid die hoger was dan ter plaatse toegestaan en verstandig. De officier van justitie acht aan de hand van dit rijgedrag bewezen dat sprake is van aanmerkelijke schuld. De officier van justitie acht eveneens bewezen dat het letsel dat het slachtoffer ten gevolge van het ongeval heeft opgelopen te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel.
Ook ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring.
3.2
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het aan verdachte onder 1 primair tenlastegelegde. Er kan enkel vastgesteld worden dat verdachte op de verkeerde plaats op het fietspad reed. Dat is onvoldoende om te komen tot een veroordeling op grond van
artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). In de beoordeling moet meegewogen worden dat het slachtoffer geen licht op zijn fiets had. Dit maakt het slachtoffer niet de veroorzaker van het ongeval, maar heeft mogelijk wel een rol gespeeld in het ontstaan daarvan. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 3 tenlastegelegde. De indicatieve testen die bij verdachte zijn afgenomen om te kijken of hij onder invloed van alcohol en/of drugs was hebben een negatief resultaat opgeleverd. De kans dat beide testen een vals negatief resultaat op zouden leveren is heel klein. Al met al was er geen redelijk vermoeden van schuld van overtreding van artikel 8 WVW Pro, waardoor verdachte niet hoefde mee te werken aan nader onderzoek.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Feit 1
Verdachte reed op 2 april 2025 als bestuurder op zijn bromfiets (zijnde een motorrijtuig [2] ) op het vrij liggend tweebaans fietspad (de rechtbank begrijpt: een tweerichtingsfietspad) naast de Klaprozenweg in Amsterdam. [3] , [4] , [5] Hij kwam uit de richting van de Cornelis Douwesweg en ging in de richting van de Ridderspoorweg. [6] Verdachte mocht met zijn bromfiets niet op het fietspad rijden. [7] Hij wist ook dat dit niet mocht. [8] Op het moment van het ontstaan van het ongeval reed verdachte op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer. Daar is hij tegen een hem tegemoet rijdende fietser aangereden, [persoon] . [9] , [10] , [11] Volgens GPS-data reed verdachte ten tijde van het plaatsvinden van het ongeval met een snelheid tussen de 43 en 44 kilometer per uur. [12] Zelf verklaart verdachte dat hij tussen de 30 en 40 kilometer per uur heeft gereden. [13]
Als gevolg van het ongeval heeft [persoon] letsel opgelopen. Dit letsel bestond uit een
Le Fort II- en III-fractuur en een zygomafractuur. In het kader van het benodigde medisch ingrijpen moesten meerdere schroeven geïmplanteerd worden. Op letselfoto’s is daarnaast te zien dat er meerdere tanden van het slachtoffer zijn afgebroken. [14] Over het herstel van het slachtoffer en zijn huidige toestand is niets bekend.
Feit 2
Uit verklaringen van verschillende getuigen volgt dat verdachte de plaats van het ongeval vrij snel na het plaatsvinden daarvan heeft verlaten. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de later als zijnde verdachte geïdentificeerde bestuurder van de scooter zijn scooter oppakte en wegreed. [15] Getuigen [getuige 2] [16] en [getuige 3] [17] bevestigen dit. Ook verdachte zelf heeft verklaard dat hij de plaats van het ongeval vrij snel na het plaatsvinden daarvan heeft verlaten. Naar eigen zeggen zag verdachte het slachtoffer vallen en zag hij vervolgens bloed uit de mond van het slachtoffer komen. Ook hoorde hij het slachtoffer een stikkend (
‘chokend’) geluid maken. [18] Verdachte was in de veronderstelling dat zijn aanwezigheid het slachtoffer te veel stress zou opleveren, als gevolg waarvan hij mogelijk zou kunnen overlijden. Vóór het verlaten van de plaats van het ongeval heeft verdachte nog wel aan getuigen van het ongeval om een vuurtje gevraagd omdat hij zelf als gevolg van de spanning wilde roken. Verdachte heeft desgevraagd verklaard niet overwogen te hebben om het ongeval uit eigen beweging bij de politie te melden. Hij heeft zijn betrokkenheid bij het ongeval in eerste instantie zelfs ontkend.
Feit 3
Aan de hand van het kenteken van de bromfiets van verdachte, dat door getuige [getuige 1] was genoteerd, heeft de politie verdachte later op 2 april 2025 op zijn adres in [plaats] aangetroffen. [19] De politie zag dat verdachte bloeddoorlopen ogen had en hoorde dat hij sloom reageerde op vragen. Ook gaf verdachte aan dat hij de afgelopen dagen alcohol had gedronken en wiet en cocaïne had gebruikt. [20] Een vervolgens bij verdachte afgenomen speekseltest (om te kijken of verdachte mogelijk onder invloed was van drugs) en voorlopig ademonderzoek (om te kijken of verdachte mogelijk onder invloed was van alcohol) gaven beiden een negatief resultaat. Op basis van de bloeddoorlopen ogen van verdachte, zijn slome reageren op vragen en zijn eigen verklaring over zijn alcohol-/ en drugsgebruik is alsnog besloten om de medewerking van verdachte aan een bloedonderzoek te vorderen. Het bevel om mee te werken aan een bloedonderzoek is aan verdachte gegeven door een in de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen ambtenaar. Aan verdachte is uitgelegd dat weigering een misdrijf oplevert. Verdachte heeft geen toestemming gegeven voor het onderzoek en heeft alle medewerking geweigerd. [21]
3.3.2
Beoordeling van het onder 1 primair tenlastegelegde
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerwet Pro 1994
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.
Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [22]
Mate van schuld
Vast staat dat verdachte op een bromfiets niet heeft gereden op de voor hem bestemde rijbaan, maar dat hij reed op een fietspad waar hij niet mocht rijden. Daarnaast heeft verdachte zijn snelheid niet aangepast aan de verkeerssituatie, wat wel van hem verwacht mocht worden. Op een fietspad waar alleen (snor)fietsers rijden wordt doorgaans met een substantieel lagere snelheid gereden dan de snelheid die verdachte aanhield. Ander verkeer op het fietspad is niet altijd bedacht op verkeer dat met een hogere snelheid rijdt en dat daar eigenlijk niet mag rijden. Hij heeft dan ook gereden met een snelheid die te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse. Vervolgens heeft verdachte, die net uit een bocht kwam, zich er niet van vergewist dat de weghelft voor tegemoetkomend verkeer vrij was. Dat het slachtoffer geen licht op zijn fiets had doet hier niets aan af, verdachte had immers niets te zoeken op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer. Voor verdachte had het slachtoffer bovendien zichtbaar moeten zijn. Uit de foto’s die ter plaatse zijn gemaakt blijkt immers dat er voldoende verlichting aanwezig was en dat het zicht niet belemmerd werd. Verdachte heeft de snelheid van zijn bromfiets voorts niet zodanig geregeld dat hij tijdig en voldoende heeft kunnen afremmen en uitwijken naar zijn eigen weghelft, als gevolg waarvan hij tegen de tegemoetkomende [persoon] is aangereden.
De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van deze omstandigheden (het tegen het verkeer inrijden (spookrijden) op een fietspad waar hij niet mocht rijden zonder zijn snelheid aan te passen en zonder voldoende acht te slaan op het overige verkeer) maakt dat het rijgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam moet worden aangemerkt. Door dit onvoorzichtige, onoplettende en onachtzame rijgedrag heeft verdachte vervolgens een ongeval veroorzaakt, waarbij [persoon] letsel heeft opgelopen.
Het letsel van het slachtoffer
De rechtbank is van oordeel dat het onder 3.3.1 beschreven letsel dat het slachtoffer als gevolg van het ongeval heeft opgelopen (fracturen in het gezicht, jukbeen en kaak en meerdere afgebroken tanden), waarbij medisch ingrijpen noodzakelijk was en dat daarbij niet zonder meer zonder restschade zal herstellen, van dien aard is dat het, zeker in samenhang beschouwd, aan te merken is als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden.
3.3.3
Beoordeling van het onder 2 tenlastegelegde
Op grond van de onder 3.3.1 vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 aan verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [persoon] letsel en schade was toegebracht. Dat verdachte wist dat aan [persoon] letsel was toegebracht, volgt uit zijn eigen verklaring dat hij bloed uit de mond van [persoon] zag komen en hem een stikkend (
‘chokend’) geluid hoorde maken. Dat aan [persoon] als gevolg van de klap schade was toegebracht (aan onder andere zijn fiets), had verdachte op zijn minst redelijkerwijs moeten vermoeden.
3.3.4
Beoordeling van het onder 3 tenlastegelegde
Op grond van de onder 3.3.1 vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat ook het onder 3 aan verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Aan de hand van de door de politie bij verdachte waargenomen uiterlijke kenmerken (zijn bloeddoorlopen ogen en zijn slome reageren op vragen) en zijn eigen verklaring dat hij de afgelopen dagen alcohol had gedronken en wiet en cocaïne had gebruikt heeft de politie redelijkerwijs mogen concluderen dat verdachte mogelijk in strijd met artikel 8 WVW Pro had gehandeld. Dat de afgenomen voorlopige alcohol- en drugstest een negatief resultaat opleverden, is voor dit redelijk vermoeden niet doorslaggevend.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
t.a.v. feit 1 primair:
op 2 april 2025 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmee rijdende over de Klaprozenweg, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor aan een ander, genaamd [persoon] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten fracturen in het gezicht, jukbeen en kaak en meerdere afgebroken tanden,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft met zijn bromfiets gereden over het tweebaans fietspad naast de
Klaprozenweg, komende uit de richting van de Cornelis Douwesweg en gaande in
de richting van de Ridderspoorweg,
terwijl verdachte met zijn bromfiets niet op het fietspad mocht rijden en terwijl verdachte op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer reed, en
verdachte heeft gereden met een snelheid die te hoog was voor veilig verkeer ter
plaatse, en
verdachte heeft zich er niet voldoende van vergewist dat het wegdeel voor hem vrij was van enig tegemoetkomend verkeer, en
verdachte heeft de snelheid van de door hem bestuurde bromfiets niet zodanig geregeld dat dat hij tijdig en voldoende heeft kunnen afremmen en uitwijken naar zijn, verdachtes eigen weghelft, en
verdachte is vervolgens tegen de hem tegemoet rijdende fietser, te weten [persoon] , aangereden,
ten gevolge waarvan voren omschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;
t.a.v. feit 2:
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam op de Klaprozenweg, op 2 april 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [persoon] , letsel en schade was toegebracht;
t.a.v. feit 3:
op 2 april 2025 te Amsterdam, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bromfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel door een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en (ten aanzien van feit 1) een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.
7.2
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen. Een gevangenisstraf zou het positieve pad dat verdachte is ingeslagen doorkruisen. Het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft daarnaast geen meerwaarde, gelet op het tweede strafpunt dat verdachte als gevolg van de onderhavige zaak toegekend zal krijgen, waardoor zijn rijbewijs van rechtswege ongeldig zal worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft tegen het verkeer in gereden (spookrijden) op een fietspad waar hij niet mocht rijden, zonder zijn snelheid aan te passen en zonder voldoende acht te slaan op het overige verkeer. Verdachte heeft weinig tot geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en lijkt niet te zijn doordrongen van de ernst van zijn handelen. Dit geeft aanleiding voor zorgen over zijn toekomstige gedrag in het verkeer.
De reclassering heeft in een rapport van 18 mei 2026 een advies uitgebracht in de onderhavige zaak. Er is sprake van meerdere punten van zorg. Verdachte heeft te kampen met langdurige en ernstige verslavingsproblematiek in combinatie met psychiatrische kwetsbaarheid, beperkt probleeminzicht en geringe motivatie voor gedragsverandering. Verdachte is eerder gediagnosticeerd met een psychische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, cocaïne en lachgas. De leefomstandigheden van verdachte zijn, onder andere vanwege het ontbreken van huisvesting en dagbesteding, instabiel. Eerdere interventies vanuit onder andere de reclassering en in het kader van een zorgmachtiging hebben tot op heden geen duurzame gedragsverandering en vermindering of abstinentie van middelengebruik teweeggebracht. Het risico op recidive, letsel en onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet (mede gelet op de ervaringen met verdachte uit het verleden) geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering ziet voorts contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf. Vanwege het overmatig middelengebruik en de psychiatrische problematiek bestaan er twijfels over in hoeverre verdachte zich kan conformeren aan de benodigde afspraken voor de uitvoering van een taakstraf.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 april 2025. Hieruit blijkt dat verdachte vaker veroordeeld is voor (soortgelijke) verkeersfeiten. Er is daarmee sprake van recidive. Ook blijkt dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) noemen in het kader van artikel 6 WVW Pro bij een ongeval met zwaar lichamelijk letsel en ernstige schuld zonder dat sprake is van alcoholgebruik, een taakstraf voor de duur van 160 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar als uitgangspunt. Verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan het verlaten van de plaats van het ongeval en het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek.
Gelet op de ervaringen uit het verleden en het advies van de reclassering acht de rechtbank een taakstraf niet uitvoerbaar. Dat betekent dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest.
Ook legt de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op voor de duur van één jaar. De rechtbank heeft zorgen over het vermogen van verdachte om aan het verkeer deel te nemen en is er niet gerust op dat verdachte zijn verkeersgedrag aan zal passen, nu hij geen verantwoordelijkheid neemt en niet van de ernst van de situatie doordrongen lijkt. Dat er ook andere maatregelen spelen die mogelijk van invloed zijn op (de geldigheid van) het rijbewijs van verdachte, doet daar niets aan af. Daar komt bij dat in principe aan elk van de bewezen verklaarde feiten een ontzegging gekoppeld kan worden. De ontzegging legt de rechtbank nu op in het kader van het onder 1 bewezenverklaarde.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 57 en 63 van het
Wetboek van Strafrecht en 6, 7, 163, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
t.a.v. feit 1:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor aan een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
t.a.v. feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994
t.a.v. feit 3:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ontzegt verdachte (t.a.v. feit 1) de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van
1 (één) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.
[...]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Artikel 1, eerste lid, sub e, onder a Wegenverkeerswet 1994.
3.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025078651-7, doorgenummerde pagina 118 (eerste helft).
4.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2026.
5.Proces-verbaal FO Verkeer met nummer PL1300-2025078651, doorgenummerde pagina’s 28 (onder 1.5.2) en 31 (onderaan).
6.Proces-verbaal FO Verkeer met nummer PL1300-2025078651, doorgenummerde pagina 59 (onder 5.2).
7.Proces-verbaal FO Verkeer met nummer PL1300-2025078651, doorgenummerde pagina 32.
8.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2026.
9.Proces-verbaal FO Verkeer met nummer PL1300-2025078651, doorgenummerde pagina 62 (onder 6.3 en 6.4).
10.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2026.
11.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer met nummer PL1300-2025078651-26, doorgenummerde pagina’s 169 en 170.
12.Proces-verbaal veiligstellen gegevensdrager van goednummer 6638889 met onderzoeksnummer 2025078651, doorgenummerde pagina 103.
13.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2026.
14.Geschrift en letselfoto’s als bijlage bij proces-verbaal van verhoor slachtoffer met nummer PL1300-2025078651-26, doorgenummerde pagina’s 176, 177, 180, 181 en 185.
15.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025078651-7, doorgenummerde pagina 118 (één na laatste alinea).
16.Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2025078651-23, doorgenummerde pagina 162 (één na laatste vraag en antwoord).
17.Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2025078651-24, doorgenummerde pagina 166 (derde alinea).
18.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2026.
19.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025078651-3, doorgenummerde pagina 105 onder ‘Dienstverrichting en hoedanigheid’ en ‘Ter plaatse’ (eerste vier alinea’s).
20.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025078651-3, doorgenummerde pagina 105 onder ‘Ter plaatse’ (laatste drie alinea’s).
21.Proces-verbaal rijden onder invloed met nummer PL1300-2025079191-1, doorgenummerde pagina’s 210 en 211 (onder ‘Waarneming drugs en/of andere stof’, ‘Identiteitsgegevens van de verdachte’, ‘Vermoeden van andere stof in combinatie met alcohol’, ‘Toestemming bloedonderzoek’ en ‘Bevel bloedonderzoek’).
22.Hoge Raad 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.