ECLI:NL:RBAMS:2026:6146

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/13/785368
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 WwftArt. 35 ABVArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rabobank moet bankrelatie met Salor voortzetten ondanks compliance- en sanctierisico’s

Salor Spakenburg B.V. en haar dochtermaatschappijen (Salor c.s.) vorderden in kort geding dat Rabobank haar bankrelatie met hen zou voortzetten totdat in een bodemprocedure definitief is beslist. Rabobank had de relatie opgezegd vanwege vermeende tekortkomingen van Salor c.s. in de naleving van sanctie- en complianceverplichtingen, waaronder transacties met gesanctioneerde Russische entiteiten en onvoldoende medewerking aan cliëntenonderzoek.

De rechtbank overwoog dat Rabobank voldoende aannemelijk had gemaakt dat Salor c.s. tekort waren geschoten in hun verplichtingen, maar dat Salor c.s. aantoonbaar hun best doen om aan de wet- en regelgeving te voldoen, met externe hulp. Het was onvoldoende aannemelijk dat Rabobank op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro verplicht was de relatie te beëindigen. Een belangenafweging leidde tot het oordeel dat het opzeggen van de relatie op dit moment onaanvaardbaar is, mede omdat Salor c.s. nog geen alternatief hebben en de continuïteit van hun onderneming en duizenden banen op het spel staan.

Rabobank mocht de dienstverlening beperken tot betaalrekeningen, maar de vordering tot onbelemmerd gebruik van de rekeningen en het verwijderen van Salor c.s. uit het interne verwijzingsregister werden afgewezen. In reconventie werd bepaald dat Salor c.s. zich onvoorwaardelijk moeten conformeren aan het aanvullend sanctiebeleid van Rabobank en de gevraagde informatie moeten verstrekken. De proceskosten werden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Rabobank moet de bankrelatie met Salor voortzetten totdat een andere bank de relatie overneemt of een bodemprocedure anders beslist.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/785368 / KG ZA 26-229 SP/GR
Vonnis in kort geding van 17 juni 2026
in de zaak van
SALOR SPAKENBURG B.V.,
tezamen met 32 van haar dochtermaatschappijen,
te Bunschoten-Spakenburg,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: Salor c.s.
en Salor Spakenburg B.V. afzonderlijk: Salor,
advocaat: mr. M. van Eersel,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. S.R.F. Aarts.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 1 juni 2026 hebben Salor c.s. de dagvaarding toegelicht. Rabobank heeft verweer gevoerd aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord; Rabobank heeft daarbij een voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld. Salor c.s. hebben de voorwaardelijke vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van Salor c.s.: [naam 1] (CFO), [naam 2] (CEO), [naam 3] (financieringsspecialist) en [naam 4] (
compliance officer), met mrs. Van Eersel en A.S. ten Doesschate,
aan de zijde van Rabobank: [naam 5] (sanctiespecialist), [naam 6] (hoofd
special cases) en mr. E.H.C. Verstraaten (
in houseadvocaat), met mrs. Aarts en I.M. van den Oord.
1.3.
Na aanhouding is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Salor, opgericht in 1965, drijft een onderneming die zich heeft gespecialiseerd in het ontwerpen, produceren en installeren van klimaatbeheersingssystemen voor de maritieme en
offshore-industrie. De afgelopen jaren zijn Salor c.s. fors uitgebreid, ook internationaal. Salor c.s. hebben ongeveer 60 vestigingen in 32 verschillende landen, waaronder Turkije, China en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Salor c.s. hebben (in elk geval) tot eind 2024 ook een actieve Russische dochteronderneming gehad.
2.2.
De producten van Salor c.s. worden onder meer gebruikt voor (super)jachten en (een deel van) haar producten kwalificeren als ‘
dual-use’goederen (goederen die zowel voor civiele als militaire doeleinden kunnen worden gebruikt). Ook leveren Salor c.s. aan defensie, zowel aan het Ministerie van Defensie als aan in aanmerking komende autoriteiten buiten Nederland. De groep genereert met haar activiteiten een jaaromzet van circa € 650 miljoen.
2.3.
Salor c.s. zijn al meer dan 50 jaar klant bij Rabobank.
2.4.
Eind 2016 is Rabobank een cliëntenonderzoek gestart naar een entiteit van Salor c.s. Rabobank constateerde in dat onderzoek dat Salor c.s. via haar Russische dochtervennootschap transacties hadden verricht met door de Amerikaanse sanctieautoriteit
Office of Foreign Assets Control(OFAC) gesanctioneerde dochterondernemingen van destijds de grootste schepenbouwer van Rusland. Rabobank heeft naar aanleiding van deze bevindingen een verkoopblokkade opgelegd aan Salor c.s. Partijen hebben daarover overleg gevoerd en afspraken gemaakt over onder meer het inrichten van een verbeterd sanctiebeleid, het achterhalen van eindgebruikers, het inwinnen van expertise over dual-use en exportvergunningen en het doorvoeren van sanctieregelgeving in de wereldwijde deelnemingen. De verkoopblokkade is vervolgens begin 2017 opgeheven.
2.5.
Bij brief van 6 januari 2020 heeft Rabobank, naar aanleiding van een afgeronde integrale ‘
know your customer’ (KYC)-review, beheersmaatregelen aan (een entiteit van) Salor c.s. opgelegd om te voorkomen dat Rabobank betrokken zou raken bij betalingsverkeer met door OFAC gesanctioneerde partijen. In de brief heeft Rabobank benadrukt dat het van belang is dat Salor c.s. haar pro actief informeert over compliance gerelateerde zaken en ontwikkelingen.
2.6.
Op 11 maart 2022 – kort na de Russische inval in Oekraïne – heeft Rabobank per brief de uitkomsten van haar ‘
customer due diligence’ (CDD)-onderzoek naar een aantal dochterondernemingen gedeeld met Salor c.s. en hun aanvullende maatregelen en acties opgelegd. In deze brief constateerde Rabobank een overtreding van haar zogenaamde Aanvullend Sanctiebeleid: op de rekening van een dochterentiteit waren betalingen ontvangen tussen 2018 en 2021, die gerelateerd waren aan het jacht ‘ [naam jacht 1] ’ dat in eigendom toebehoort aan een door OFAC gesanctioneerde Rus. Salor c.s. bleek niet op de hoogte te zijn van de (indirecte) eigenaar van het jacht.
2.7.
Tussen maart 2022 en juli 2022 heeft een entiteit van Salor c.s. twee betalingen ontvangen op haar rekening bij Rabobank, vanaf een IBAN en correspondentieadres uit de VAE. Deze betalingen hadden betrekking hebben op het megajacht ‘ [naam jacht 2] ’. Dit schip is door de OFAC aangemerkt als eigendom van een Rus die sinds 6 april 2018 door de VS en sinds 23 februari 2022 door de EU is gesanctioneerd. Rabobank heeft over deze transacties vragen gesteld aan Salor c.s., waarop Salor c.s. reageerden dat volgens hen deze dienstverlening zou zijn toegestaan omdat zich een uitzonderingssituatie zou voordoen.
2.8.
Tussen april 2022 en maart 2023 hebben vier transacties plaatsgevonden, die zien op het megajacht ‘ [naam jacht 3] ’ dat vaart onder de vlag van de Kaaimaneilanden. Dit schip is eigendom van een Rus. De betalingen waren afkomstig van [naam 7] , een op Cyprus gevestigde entiteit, met een rekening in Monaco.
2.9.
Op 22 februari 2023 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Rabobank en Salor c.s. over de voortdurende compliance risico’s. Het gespreksverslag luidt onder meer:
Uiteindelijk is de doelstelling om met elkaar te komen tot afspraken over wat de bank en Salor van elkaar verwachten om de compliance risico’s te mitigeren. Hierin zullen afspraken gemaakt worden welke essentieel zijn voor de Rabobank om de bancaire activiteiten van Salor groep in de toekomst te kunnen blijven faciliteren.
2.10.
Bij brief van 7 maart 2024 heeft Rabobank aan Salor c.s. onder meer het volgende bericht:
(…) Deze brief is bedoeld om de met elkaar gemaakte afspraken schriftelijk te bevestigen.
Hierbij refereren wij ook aan de gemaakte afspraken tussen Salor en de bank uit de brieven van 6 januari 2020 en 11 maart 2022.
Salor heeft diverse maatregelen getroffen binnen haar bedrijfsvoering om risico’s ten behoeve van overtredingen van sanctiewet- en regelgeving te mitigeren. Dit neemt niet weg dat de bank nog risico’s in de huidige bedrijfsvoering van Salor heeft geconstateerd. (…) Salor heeft hierop toegezegd additionele maatregelen te treffen om ook deze risico’s permanent te kunnen mitigeren, tevens rekening houdend met toekomstige wijzigingen die geïmplementeerd dienen te worden in het compliance proces van Salor.
(…)
Risicobereidheid
Er blijft sprake van een verschil in risicobereidheid tussen Salor en de bank. Bijvoorbeeld de activiteiten van Salor en haar dochterondernemingen in of ten aanzien van Rusland en de mogelijkheden met betrekking tot Amerikaanse (sanctie)regelgeving.
(…)
Aangezien er in het verleden sprake is geweest van (mogelijke) overtredingen van fingerende wet- en regelgeving alsmede aanvullend Rabobank beleid, wil de bank benadrukken dat geen enkele overtreding van sanctiewetgeving dan wel het aanvullend sanctiebeleid is toegestaan. De bank conformeert zich aan alle relevante wet- en regelgeving en haar aanvullend sanctiebeleid. Om die reden zal de bank ook monitoren of Salor het aanvullend sanctiebeleid respecteert en zich daar, conform de gezamenlijke afspraken, aan houdt. Indien er opnieuw overtredingen ten aanzien van Sanctiewet, internationale sanctiewet- en regelgeving of Wwft plaatsvinden welke voorkomen hadden kunnen worden door de door Salor ingerichte processen, dan is dit aanleiding om de klantrelatie tussen Salor en de bank te beëindigen.
2.11.
Op 30 oktober 2024 heeft een entiteit gevestigd in de VAE, aan Salor c.s. een betaling gedaan voor het schip ‘ [naam schip] ’ Volgens publieke bronnen is de eigenaar van dit schip een Rus die gesanctioneerd is onder de sanctieregimes van de VS en het VK. Direct na het signaleren van deze betaling hebben Salor c.s. dit aan Rabobank gemeld en de ontvangen gelden teruggestort op de rekening van deze debiteur. Salor c.s. hebben gesteld op grond van een
non-disclosure agreement(NDA) te weten dat de eigenaar wel de Russische nationaliteit heeft maar niet gesanctioneerd is door de VS, VK of EU.
2.12.
Op 6 december 2024 is in een uitzending van Nieuwsuur aandacht besteed aan de mogelijke omzeiling van sancties jegens Rusland door scheepsbouwer [naam scheepsbouwer] ( [naam scheepsbouwer] ), waarbij een entiteit van Salor c.s. expliciet is genoemd.
2.13.
Rabobank heeft de bankrelatie met Salor c.s. bij brief van 13 maart 2025 tegen 13 december 2025 opgezegd, waarbij zij een opzegtermijn van 9 maanden heeft gehanteerd. In de brief schrijft Rabobank dat Salor c.s. ondanks een langdurig traject en herhaalde waarschuwingen niet afdoende in staat zijn gebleken om aan alle vereisten op grond van toepasselijke anti-witwas- en sanctiewet- en regelgeving, evenals haar Aanvullend Sanctiebeleid te voldoen. Bij de opzegging heeft zij beheersmaatregelen opgelegd met als doel gedurende de opzegtermijn de geconstateerde risico's te beperken. Rabobank heeft de opzegtermijn daarna een aantal keer verlengd. Partijen zijn overeengekomen dat Rabobank de betaaldienstverlening niet beëindigt voordat in deze procedure een uitspraak is gedaan.
2.14.
Op 31 maart 2025 heeft ABN AMRO de bankrelatie met een entiteit van Salor c.s. opgezegd. Bij vonnis van 3 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van de entiteit van Salor c.s. tot voortzetting van de dienstverlening door ABN AMRO afgewezen. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat ABN AMRO op goede gronden heeft kunnen concluderen dat zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro [1] verplicht was de relatie te beëindigen en ook op grond van artikel 35 Algemene Pro Bankvoorwaarden (ABV) de overeenkomsten met haar kon opzeggen.
2.15.
Op 4 juli 2025 heeft ING bankrekeningen van (entiteiten van) Salor c.s. geblokkeerd.
2.16.
In oktober 2025 is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar een entiteit van Salor c.s. in verband met mogelijke sanctieovertredingen. De verdenking betreft het leveren van onderdelen aan [naam scheepsbouwer] , die gebruikt zouden zijn bij het bouwen van schepen bestemd voor de krabbenvangst in Rusland.
2.17.
Op 13 maart 2026 heeft EY-accountants B.V. (EY) een rapport uitgebracht om te beoordelen of de beheersmaatregelen in het door Salor c.s. gehanteerde
Internal Compliance Programme(ICP) voldoen aan de regelgeving ter zake van internationale sancties. EY heeft onder meer geconstateerd dat verbeteringen mogelijk zijn op het vlak van (nadere) schriftelijke vastlegging. Salor c.s. hebben hiertoe een plan van aanpak opgesteld. Met de uitvoering daarvan zijn zij begonnen.
2.18.
Salor c.s. zijn sinds de opzegging door Rabobank bezig geweest met een onboardingstraject bij Deutsche Bank. Uit een brief van Deutsche Bank aan Salor c.s. van 8 mei 2026 blijkt dat Deutsche Bank Salor c.s. vooralsnog niet als klant wil accepteren, vanwege de uitkomsten van haar risicobeoordeling. Op dit moment proberen Salor c.s. om bij een andere bank van vergelijkbare statuur een passende bankrelatie te krijgen.

3.Het geschil

in conventie:
3.1.
Salor c.s. vorderen Rabobank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
(i) te veroordelen om haar dienstverlening aan, en bankrelatie met, Salor c.s. voort te zetten, totdat onherroepelijk zal zijn beslist in een nog te voeren bodemprocedure;
(ii) te veroordelen tot nakoming van haar verplichting in dat kader tot het bieden van onbelemmerd gebruik van de bij Rabobank aangehouden bankrekening(en);
(iii) te gebieden om de identificatiegegevens die betrekking hebben op Salor c.s. binnen twee werkdagen na dit vonnis uit het door Rabobank geadministreerde Interne Verwijzingsregister (IVR) te verwijderen en verwijderd te houden. Dit alles versterkt met dwangsommen en een proceskostenvergoeding.
3.2.
Salor c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Sinds het bestaan van de bankrelatie zijn Salor c.s. op geen enkele wijze tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens Rabobank. Er is geen sprake van onzorgvuldigheden of tekortkomingen in de bedrijfsvoering van Salor c.s. die onacceptabele (integriteits)risico’s voor Rabobank met zich zouden brengen. Evenmin is het zo dat Salor c.s. zich niet houden aan de bestaande wet- of regelgeving, waardoor Rabobank mogelijk in de problemen zou kunnen komen bij het voldoen aan de aan haar te stellen eisen op dit gebied. De op zichzelf legitieme wens van Rabobank om integriteitsrisico’s zoveel mogelijk te beperken levert niet zonder meer een zwaarwegende grond op voor opzegging van de overeenkomst met Salor c.s. Dit geldt al helemaal voor de beëindiging van de dienstverlening op een moment dat nog geen alternatief is gerealiseerd. Onder deze omstandigheden brengen de (redelijke interpretatie van de) overeenkomst, de zorgplicht van Rabobank (zoals onder meer voortvloeit uit artikel 2 ABV Pro) en de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 en Pro 2 BW) mee dat de bankrelatie moet worden voortgezet. Meer in het bijzonder is het beroep van Rabobank op haar contractuele bevoegdheid om de bankrelatie te beëindigen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
3.3.
Rabobank voert als volgt verweer. Rabobank heeft de bankrelatie met Salor c.s. rechtsgeldig opgezegd. Rabobank heeft gebruik gemaakt van haar contractuele bevoegdheid tot opzegging (zoals onder meer is neergelegd in artikel 35 ABV Pro). De rechtvaardiging voor de uitoefening van die bevoegdheid is drieledig:
(i) Rabobank kan haar cliëntenonderzoek onder de Wwft niet afronden omdat Salor c.s. de daarvoor benodigde informatie niet verstrekken, wat maakt dat Rabobank op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro verplicht is de relatie te beëindigen;
(ii) de aanhoudende overtredingen van sanctiewet- en regelgeving en het Aanvullend Sanctiebeleid brengen onaanvaardbare risico’s met zich voor Rabobank;
(iii) Salor c.s. weigeren zich onvoorwaardelijk te conformeren aan het Aanvullend Sanctiebeleid, waardoor Rabobank de sanctierisico’s onvoldoende kan beheersen.
Omdat Rabobank op grond van de Wwft verplicht is de bankrelatie op te zeggen kan voorshands worden aangenomen dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Een (verdere) belangenafweging kan dan ook achterwege blijven. Voor zover al aan een belangenafweging zou worden toegekomen, maakt dat niet dat Rabobank niet mag opzeggen. Rabobank heeft zich steeds welwillend en constructief opgesteld en herhaaldelijk uitstel verleend, maar van haar kan niet worden gevergd dat zij haar dienstverlening eindeloos blijft voortzetten. Bij dit alles komt dat ontwikkelingen van na de opzegging de geconstateerde risico’s bevestigen. Het kortgedingvonnis in de zaak tegen ABN AMRO, de weigering van Deutsche Bank om Salor c.s. als klant te accepteren en de blokkade door ING onderstrepen allemaal dat de door Rabobank geconstateerde sanctie- en compliancerisico's bij Salor c.s. niet het resultaat zijn van een geïsoleerde beoordeling door Rabobank, maar door meerdere banken én de rechter worden (h)erkend als concrete en onaanvaardbare risico's.
in voorwaardelijke reconventie:
3.4.
Ingeval de vordering van Salor c.s. geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, vordert Rabobank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
(i) de voortzetting van haar dienstverlening te beperken tot uitsluitend de binnenlandse betaaldienstverlening (het aanhouden van zakelijke betaalrekeningen en het verrichten van het daarbij behorende betalingsverkeer), voor zover en enkel gedurende de periode dat de desbetreffende entiteit van Salor c.s. voor deze dienstverlening aantoonbaar niet bij een andere bank terecht kan, met uitdrukkelijke uitsluiting van bankgaranties, creditcards (waaronder corporate cards voor werknemers), kredietfaciliteiten en leningen, en
verzekeringsproducten;
(ii) aan de voortzetting de voorwaarde te verbinden dat Salor c.s. zich onvoorwaardelijk conformeren aan het Aanvullend Sanctiebeleid van Rabobank en alle door haar in het kader van haar cliëntenonderzoek gevraagde informatie onverwijld verstrekken, waarbij het de Rabobank bij gebreke van naleving van deze voorwaarden vrijstaat haar dienstverlening aan Salor c.s. onmiddellijk te beëindigen;
(iii) Salor c.s. te veroordelen in de proceskosten, met rente.
3.5.
Salor c.s. voeren verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie:
vorderingen (i) en (ii)
4.1.
Bij de beoordeling van de vorderingen gelden de volgende uitgangspunten:
(1) Op grond van artikel 35 ABV Pro heeft een bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd.
(2) De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt. [2] (3) Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht, [3] waarbij het belang om deel te nemen aan het betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. In het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 [4] is geoordeeld dat op banken op grond van hun maatschappelijke positie in beginsel de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden, ook ten aanzien van niet-consumenten. Daarbij weegt zwaar mee dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren.
(4) Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft Pro). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. Ook in het arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat banken een gerechtvaardigd belang kunnen hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dat dit belang eraan in de weg kan staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden.
(5) Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 ABV).
(6) De geldigheid van de opzegging moet worden beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van de opzegging. Het gaat dus om een zogenoemde ‘ex tunc’ toetsing. Het is daarbij aan de bank om te onderbouwen dat zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro verplicht was de bankrelatie te beëindigen.
4.2.
Tegen de achtergrond van deze uitgangspunten wordt geoordeeld dat Rabobank gehouden is vooralsnog de bankrelatie te continueren. Rabobank heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat Salor c.s. tekort zijn geschoten in de naleving van op hen rustende compliance- en sanctieverplichtingen. Anderzijds is van belang dat Salor c.s. aantoonbaar hun best doen om aan de geldende wet- en regelgeving te voldoen, maar dat dit voor hen lastige materie betreft, waarvoor zij ook externe hulp hebben ingeschakeld. Dat ten tijde van de opzegging voor Rabobank een verplichting bestond om op grond van de Wwft de bankrelatie op te zeggen is vooralsnog onvoldoende aannemelijk. Een belangenafweging maakt in elk geval dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als Rabobank de bankrelatie nu – op een moment dat Salor c.s. nog niet bij een andere bank terecht kunnen – beëindigt. In dit verband wordt het volgende overwogen.
Tekortkomingen Salor c.s.
4.3.
Voorop gesteld wordt dat Salor c.s. actief is in een markt met hoge sanctie- en compliancerisico’s. De producten van Salor c.s. worden onder meer gebruikt voor (super)jachten die regelmatig worden verkocht aan bedrijven met onduidelijke eigendomsconstructies, waardoor het vaak lastig is vast te stellen wie de uiteindelijke belanghebbende, de
Ultimate Beneficial Owner(UBO), is. Daarnaast zijn veel superjachten (uiteindelijk) eigendom van vermogende Russen, van wie een deel sinds de invasie van Oekraïne gesanctioneerd is. Ook geldt dat in elk geval een deel van hun producten dual-use goederen betreffen die onderworpen zijn aan exportrestricties en gevoelig zijn voor sanctieontwijking. Salor c.s. hebben daarnaast entiteiten in landen met een verhoogd risico op sanctieovertredingen of omzeiling, zoals Turkije, China en de VAE. Dat Rabobank bij Salor c.s. scherp toeziet op de naleving van sanctie- en complianceregelgeving ligt dan ook voor de hand en is ook geboden vanwege de strafrechtelijke, toezichtrechtelijke en reputatierisico’s die Rabobank loopt als Salor c.s. hun verplichtingen in dit verband niet nakomen.
4.4.
Dat Salor c.s. op geen enkele wijze tekort zijn geschoten in de op hen rustende verplichtingen jegens Rabobank kan niet worden gevolgd. Salor c.s. hebben onvoldoende weersproken dat zich in het verleden de incidenten hebben voorgedaan die Rabobank mede ten grondslag heeft gelegd aan haar opzegging (zie 2.7, 2.8 en 2.11). Daarnaast heeft zij in het verleden er ook blijk van gegeven zich niet volledig te willen committeren aan het Aanvullende Sanctiebeleid dat Rabobank voor al haar klanten hanteert. Zo heeft zij in haar reactie op de opzeggingsbrief van Rabobank onder meer geschreven ‘
De sector waarin wij werkzaam zijn laat niet toe dat wij ons onvoorwaardelijk kunnen committeren aan het aanvullend sanctiebeleid van Rabobank.’ Ook zijn zij niet volledig tegemoet gekomen aan de eis van Rabobank om actuele debiteurenlijsten van een aantal entiteiten te verstrekken omdat zij de eis van Rabobank te verstrekkend vonden.
4.5.
Het feit dat Salor c.s. een ICP heeft opgetuigd maakt nog niet dat zij alle compliance risico’s afdoende beheerst. Anders dan Salor c.s. aanvoeren toont het EY-rapport ook niet aan dat Salor c.s. haar beheersmaatregelen ‘prima op orde heeft’. EY concludeert dat Salor c.s. in voorkomend geval geen UBO kan identificeren, in welk geval Salor c.s. dan werken met contractuele waarborgen, met een verklaring van de bank dat de UBO niet gesanctioneerd is. Ook omschrijft EY dat geen proces is aangetroffen om omzeilingsrisco’s te analyseren of te beoordelen.
4.6.
Duidelijk is dat partijen een verschillende risicobereidheid hebben. Volgens Rabobank maakt dat fundamentele verschil in risico-perceptie het voor haar onmogelijk om de sanctierisico’s verbonden aan de onderneming van Salor c.s. voldoende te beheersen. Rabobank kan het zich niet permitteren om te worden geassocieerd met transacties die door de VS of het VK als sanctioneerbaar worden aangemerkt.
Verplichting om de bankrelatie te beëindigen?
4.7.
Onder deze omstandigheden bestaat voor Rabobank in beginsel voldoende aanleiding om op grond van artikel 35 ABV Pro de dienstverlening aan Salor c.s. te beëindigen.
Op Rabobank hiertoe op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro ook verplicht is, is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden. Salor c.s. betwisten gemotiveerd dat een dergelijke verplichting bestaat. Zij werken mee en hebben jarenlang omvangrijke pakketten informatie aangeleverd bij Rabobank, op basis waarvan Rabobank haar cliëntonderzoek heeft kunnen doen. Elk antwoord dat Salor c.s. geven is voor Rabobank echter aanleiding om meer vragen te stellen. In hoeverre Salor c.s. deze nadere vragen in onvoldoende mate hebben beantwoord, in die zin dat de situatie bedoeld in artikel 5 lid 3 Wwft Pro zich voordoet, vergt een nader onderzoek naar de feiten, waarvoor dit kort geding zich niet leent.
belangenafweging
4.8.
Voor de beantwoording van de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Rabobank haar dienstverlening beëindigt moeten alle omstandigheden in aanmerking worden genomen. Daarbij geldt het volgende.
4.9.
Salor c.s. geven in elk geval blijk van een groeiend bewustzijn wat betreft het belang van de naleving van sanctie- en complianceverplichtingen. Duidelijk is dat zij stappen hebben gezet met hun complianceframework (ICP) en compliance afdeling. Zij worden ondersteund door Kneppelhout advocaten, gespecialiseerd in sanctierecht, en gebruiken specialistische screening software om overtreding van sancties te voorkomen. Niet is gebleken dat Salor c.s. op grote schaal sanctiewetgeving overtreden, laat staan dat zij dat willen en wetens zouden doen. Voor zover van overtredingen sprake is geweest betreffen dat incidenten.
4.10.
De belangen aan de zijde van Salor c.s. bij (voorlopige) voortzetting van de bankrelatie met Rabobank zijn levensgroot: het gaat om een groot bedrijf waarvan – bij beëindiging van de bankrelatie – de continuïteit op het spel staat. Daarbij wegen ook de belangen van meer dan 2.500 werknemers wereldwijd mee. Salor c.s. voeren onweersproken aan dat zij failliet zullen gaan als de bankrelatie niet wordt voorgezet. Naast de individuele belangen van Salor c.s. en haar werknemers raakt dat aan het maatschappelijk belang van (het versterken van) de maakindustrie en daarlangs de economische én militaire slagkracht van Nederland. Ook opdrachten van het Ministerie van Defensie zullen dan stilgelegd moeten worden. De belangen van Salor c.s. bij het voortzetten van de bankrelatie met Rabobank wegen nu al met al zwaarder dan het belang van Rabobank bij het beëindigen daarvan, omdat Salor c.s. geen andere optie hebben om deel te nemen aan het bancaire verkeer. Salor c.s. zijn momenteel weer in gesprek met een andere bank. Het is mogelijk dat deze bank Salor c.s. zal accepteren; volgens Salor c.s. heeft deze bank verklaard binnen vier weken (Salor c.s. verwachten: enkele maanden) uitsluitsel daarover te kunnen geven. In afwachting daarvan, dan wel de uitkomst van een bodemprocedure (als Salor c.s. geen nieuwe bank vinden), moet Rabobank als hierna te melden de bankrelatie voortzetten.
4.11.
Salor c.s. hebben aangevoerd dat voor de continuïteit van de bedrijfsvoering de bankgaranties minstens zo belangrijk zijn als de betaalrekeningen. Voor een beperking van de voortzetting van de dienstverlening – vordering (i) – tot alleen de betaalrekeningen, zoals Rabobank nog heeft bepleit (zie ook hierna in reconventie), bestaat onvoldoende aanleiding. Rabobank heeft haar belang bij een beperkte voortzetting tegenover het belang van Salor c.s. ook onvoldoende toegelicht.
4.12.
Aan deze voortzetting zullen wel, zoals in reconventie is gevorderd, voorwaarden worden verbonden.
4.13.
Rabobank heeft verder terecht bezwaar gemaakt tegen vordering (ii) van Salor c.s. De vordering tot ‘onbelemmerd’ gebruik van de bankrekening(en) is te ongespecificeerd en onbegrensd geformuleerd, zodat deze wordt afgewezen. Vanzelfsprekend is Rabobank immers gehouden om uitvoering te blijven geven aan haar poortwachtersverplichtingen; daarin kan zij niet worden begrensd.
vordering (iii)
4.14.
Vordering (iii) wordt eveneens afgewezen. Salor c.s. hebben onvoldoende (gemotiveerd) gesteld welk belang zij bij niet-opname in het IVR hebben, terwijl voor Rabobank wel aanleiding bestaat voor de opname daarin. Het IVR is bovendien louter voor intern gebruik van Rabobank.
dwangsom
4.15.
Voor een dwangsom bestaat geen aanleiding nu Rabobank heeft verklaard dat zij uiteraard uitvoering zal geven aan een rechterlijk vonnis en verwacht wordt dat zij zich aan haar toezegging houdt. Voor het tegendeel zijn ook geen omstandigheden gebleken.
proceskosten
4.16.
Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie:
4.17.
Omdat de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld zich voordoet, zullen ook deze worden beoordeeld.
vordering (i)
4.18.
Vordering (i) van Rabobank wordt, mede gelet op hetgeen in conventie onder 4.11 is overwogen, afgewezen. Rabobank heeft onvoldoende onderbouwd waarom de risico’s die zij stelt te lopen met zich brengen dat buitenlandse betaaldienstverlening, bankgaranties, creditcards (waaronder corporate cards voor werknemers), kredietfaciliteiten, leningen en verzekeringsproducten niet meer kunnen worden aangeboden.
vordering (ii)
4.19.
Salor c.s. dienen zich bij de voortzetting van de bankrelatie vanaf heden echter wel te committeren aan het Aanvullend Sanctiebeleid van de Rabobank en haar alle in het kader van haar cliëntenonderzoek gevraagde informatie verstrekken. Salor c.s. hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ook toegezegd dat zij zich aan het Aanvullend Sanctiebeleid willen committeren. De daaraan verbonden vordering van Rabobank om te bepalen dat, indien deze voorwaarden niet worden nagekomen, Rabobank gerechtigd is haar dienstverlening aan Salor c.s. onmiddellijk te beëindigen, zal worden afgewezen. Salor c.s. zullen ervan doordrongen moeten zijn dat zij de voorwaarden dienen na te leven, maar een sanctie daarop zoals door Rabobank gevorderd is te stringent geformuleerd. Als Salor c.s. op enige wijze in de visie van Rabobank niet aan de voorwaarden voldoen en Rabobank tot directe beëindiging wenst over te gaan moet nog een afweging kunnen worden gemaakt of dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gerechtvaardigd is.
proceskosten
4.20.
Omdat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie:
5.1.
veroordeelt Rabobank tot voortzetting van haar dienstverlening aan Salor c.s. en de bankrelatie met Salor c.s., totdat Salor c.s. daarvoor bij een andere bank terecht kunnen, dan wel in een bodemprocedure anders is beslist;
in reconventie:
5.2.
verbindt aan de onder 5.1 bedoelde dienstverlening de voorwaarde dat Salor c.s. zich onvoorwaardelijk conformeren aan het Aanvullend Sanctiebeleid van Rabobank en alle door Rabobank in het kader van haar cliëntenonderzoek gevraagde informatie onverwijld verstrekken;
in conventie en in reconventie:
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder van hen de eigen
kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
2.Zie artikel 6:248 lid 2 BW Pro en HR 10 oktober 2014, ECLl:NL:HR:2014:2929.
3.Artikel 2 ABV Pro.
4.HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652.