Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6134

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13-096819-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 6a OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting aanwezigheid en verblijf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, die wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie, witwassen en oplichting. De opgeëiste persoon betwistte zijn aanwezigheid bij het hoger beroep in Polen, maar de rechtbank ging uit van de juistheid van het EAB op grond van het vertrouwensbeginsel en verwierp het verweer.

Daarnaast stelde de raadsvrouw dat de overlevering moest worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland zou hebben verbleven, wat gelijkstelling met een Nederlander zou opleveren. De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon onvoldoende objectieve en concrete bewijsstukken had overgelegd om dit te onderbouwen, mede omdat hij niet was ingeschreven in de Basisregistratie Personen en de gewerkte uren en verzekeringsgegevens niet overtuigend waren voor de gehele periode.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. De overlevering wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon naar Polen toe voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-096819-26 (EAB I)
Datum uitspraak: 10 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2025 door de
Circuit Court of Zielona Góra,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.C.M. van Dijk, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Circuit Court of Zielona Góra, van 31 oktober 2018, met kenmerk II K 211/12, dat is bevestigd in het arrest van 12 februari 2020 van
the Poznań Court of Appealmet kenmerk II AKa 111/19.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon betwist namelijk dat hij in persoon aanwezig is geweest bij de procedure in hoger beroep, zoals in onderdeel D van het EAB staat vermeld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen in het EAB is vermeld. Bovendien heeft de opgeëiste persoon hierover wisselend verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom de beslissing van
the Poznań Court of Appealvan 12 februari 2020 met kenmerk II AKa 111/19 aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. In de toelichting in het EAB staat bovendien dat de opgeëiste persoon zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op de zittingen aanwezig was. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Bovendien zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
-
deelneming aan een criminele organisatie;
-
witwassen van opbrengsten van misdrijven;
-
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander is voldaan. De raadsvrouw heeft de rechtbank daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te bevragen over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld, nu de opgeëiste persoon niet tijdig door middel van stukken heeft onderbouwd dat hij de afgelopen vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Het oordeel van de rechtbank
Eerste voorwaarde
De rechtbank stelt vast dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, omdat hij niet in staat is om ter onderbouwing van die gehele periode objectieve stukken aan te tonen.
De opgeëiste persoon moet namelijk allereerst onderbouwen dat hij gedurende vijf jaar in Nederland heeft verbleven. Een aaneensluitende inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) gedurende die periode is een duidelijke aanwijzing hiervoor. Blijkens de informatiestaat van de Strafrechtketendatabank (SKDB) heeft de opgeëiste persoon echter nooit in Nederland ingeschreven gestaan.
Opgeëiste personen kunnen zich echter niet altijd inschrijven op het adres waar zij verblijven, bijvoorbeeld wanneer de huisvesting wordt geregeld door het uitzendbureau waarvoor zij werken. In dat geval moet de opgeëiste persoon zijn verblijf op een andere manier onderbouwen. De bewijsstukken die de opgeëiste persoon daarvoor gebruikt moeten voldoende concreet én objectief zijn. De periode van vijf jaar is een harde eis. [5] Door de opgeëiste persoon zijn geen concrete en objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt waar de opgeëiste persoon gedurende een ononderbroken periode van vijf jaren in Nederland heeft verbleven en waar dat dan geweest zou zijn.
Het komt voor dat een opgeëiste persoon niet door middel van objectieve gegevens kan onderbouwen dat hij gedurende vijf jaar feitelijk in Nederland heeft verbleven. Als echter uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland zodanig veel uren heeft gewerkt dat het niet anders kan dan dat hij hier heeft verbleven, kan alsnog door de rechtbank worden geoordeeld dat is voldaan aan de gestelde voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland. Ook daarvan is hier geen sprake. Weliswaar zou hij vanaf december 2025 tot heden woonachtig zijn bij zijn partner, van wie een schriftelijke verklaring en een huurcontract van een woning in [plaats] zijn overgelegd, over de jaren daaraan voorafgaand is onbekend waar hij gewoond heeft.
Hoewel de rechtbank vaststelt dat het voor de jaren 2022 tot en met 2024 gelet op het aantal gewerkte uren niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon in Nederland moet hebben verbleven, kan dat niet worden vastgesteld ten aanzien van het jaar 2021 en 2025. In 2025 heeft de opgeëiste persoon een beperkt aantal uren gewerkt en een WW-uitkering ter hoogte van 20.291,87 euro ontvangen. Hoewel ten aanzien van het lopende jaar 2026 wel kan worden vastgesteld waar de opgeëiste persoon in Nederland heeft verbleven, is dat niet voldoende. In dat jaar had hij immers – naar zijn eigen verklaring - geen inkomen. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in 2026 niet heeft gewerkt, omdat hij een eigen bedrijf wil gaan starten.
De rechtbank heeft ook de periode voorafgaand aan juni 2021 in aanmerking genomen, om te bezien of een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren kan worden aangetoond tussen januari 2021 en januari 2026. Blijkens het overgelegde UWV verzekeringsbericht heeft de opgeëiste persoon in 2021 echter slechts 972 uren gewerkt, zodat niet kan worden gesteld dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon het gehele jaar 2021 in Nederland moet hebben verbleven. Daarbij komt dat uit de aangifte inkomstenbelasting 2021 kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon in 2021 enkel in de periode vanaf 10 juli 2021 verzekerd was voor de premie volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet, hetgeen het vermoeden oproept dat hij eerst toen in Nederland is gearriveerd. Ook in de evaluatie van zijn werkgever [werkgever] staat vermeld dat de startdatum 2 augustus 2021 is. De rechtbank overweegt daarom dat ook niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in de eerste helft van 2021 of daaraan voorafgaand rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Nu reeds niet aan het eerste vereiste is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court of Zielona Góra,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.Vergelijk Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802.