Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6133

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13-219797-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van verjaring en duurzaam verblijf in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een Poolse staatsburger die sinds 2018 duurzaam in Nederland verblijft. De opgeëiste persoon is veroordeeld voor medeplegen van mishandeling in Polen in 2016, maar de tenuitvoerlegging van de straf is verjaard volgens Nederlands recht.

De rechtbank stelde vast dat de Poolse autoriteiten niet binnen redelijke termijn het vereiste certificaat en vonnis hebben verstrekt, ondanks herhaalde verzoeken en pogingen tot contact via Eurojust. De opgeëiste persoon is invalide en woont in een aangepaste woning in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, Overleveringswet (OLW), omdat de tenuitvoerleggingstermijn is verjaard en het belang van resocialisatie in Nederland zwaarder weegt dan het voorkomen van straffeloosheid.

De opgeëiste persoon blijft echter onderworpen aan de straf in Polen indien hij Nederland verlaat, en Polen kan opnieuw een EAB uitvaardigen. De uitspraak is onherroepelijk en er is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens verjaring en duurzaam verblijf met ernstige gezondheidsklachten in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-219797-25
Datum uitspraak: 10 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 25 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 april 2020 door
the Circuit Court in Tarnobrzeg, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Voor een overzicht van de procesgang tot aan de zitting van 27 mei 2026 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 16 april 2026. [2]
Zitting van 27 mei 2026Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is - met toestemming van de rechtbank - niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. D.S. Altena, die de zaak overneemt van haar kantoorgenoot, mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Weigeringsgronden als bedoeld in artikel 6a en artikel 9, eerste lid, aanhef enonder f, OLW
Inleiding
Bij tussenuitspraak van 25 september 2025 [3] heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgeëiste persoon ingevolge artikel 6a OLW kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. In het licht van het arrest
C.J.van het Hof van Justitie van de Europese Unie [4] (HvJ) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting vervolgens heropend om de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the District Court in Mielecvan 11 mei 2016 met kenmerk II K 139/16 op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank zou kunnen beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
In dezelfde tussenuitspraak heeft de rechtbank ten aanzien van het verweer dat de raadsvrouw heeft gevoerd betreffende de verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht
- het beroep op de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW -, geoordeeld dat zij nog niet op dat verweer zal beslissen. De reden hiervoor was dat voor beantwoording van de vraag of al dan niet wordt toegekomen aan toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van belang is of de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf kan worden overgenomen en de opgeëiste persoon daardoor in Nederland kan resocialiseren. Dit hangt af van de vraag of door de Poolse autoriteiten toestemming wordt verleend voor de overname van die straf. Indien dat het geval is, dan zou de overlevering al worden geweigerd op grond van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW.
Vervolgens hebben er nog meerdere zittingen plaatsgevonden (op 9 oktober 2025, 4 december 2025 en 29 januari 2026) omdat in Polen een procedure aanhangig is waarin een beslissing moet worden genomen voordat het certificaat kan worden toegestuurd en de rechtbank van oordeel was dat, ondanks het tijdverloop, niet kon worden aangenomen dat het certificaat niet zou worden verstrekt. De rechtbank heeft, voor zover nodig, telkens de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Desgevraagd heeft de officier van justitie ter zitting van 27 mei 2026 meegedeeld dat er geen contact met de Poolse autoriteiten meer is geweest over de stand van zaken in de procedure waarvan (verstrekking van) het certificaat afhankelijk is. Er is meermaals gerappelleerd en er is getracht contact met de Poolse autoriteiten op te nemen via Eurojust, maar dat heeft nergens toe geleid. Ook op het verzoek van Eurojust werd niet gereageerd.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om de overlevering thans op grond van artikel 9, eerste lid,
aanhef en onder f, OLW te weigeren. De Poolse autoriteiten hebben tot op heden geen uitsluitsel gegeven over de termijn waarbinnen zij het certificaat en het vonnis zouden kunnen overleggen. Om die reden verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om haar beslissing om het certificaat af te wachten te heroverwegen en de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW te weigeren. Er is geen reden om af te zien van deze weigeringsgrond. Uit de recente handelswijze van Polen kan worden opgemaakt dat het certificaat niet gaat worden afgegeven. De opgeëiste persoon heeft al sinds 2022 een duurzaam verblijfsrecht in Nederland en is niet voornemens om Nederland te verlaten, gelet op zijn medische situatie.
Indien de rechtbank de overlevering niet weigert op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW, verzoekt de raadsvrouw subsidiair om aanhouding van het onderzoek in afwachting van het certificaat en het vonnis.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat, conform het arrest
C.J.van het HvJ, de opgeëiste persoon moet worden overgeleverd indien de uitvaardigende justitiële autoriteit niet akkoord gaat met de overname van de bij onherroepelijk vonnis aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf. Het uitblijven van het certificaat en de kopie van het vonnis moet worden gezien als het uitblijven van een akkoord. Concluderend moet de opgeëiste persoon aan Polen worden overgeleverd voor de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf. De weigeringsgrond ex artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW, is een facultatieve weigeringsgrond en daarom heeft de officier van justitie de rechtbank, met oog op het voorkomen van straffeloosheid, verzocht om van de toepassing van deze weigeringsgrond af te zien.
Het oordeel van de rechtbank
In deze zaak kan de rechtbank drie verschillende beslissingen nemen: weigering op grond van artikel 6a OLW en overname van de tenuitvoerlegging van de straf, toestaan van de overlevering ter fine van tenuitvoerlegging van de straf in de uitvaardigende lidstaat en weigering van de overlevering op grond van verjaring naar Nederlands recht. Vast staat dat het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) voorafgaand aan de zitting van 27 mei 2026 nog meerdere keren heeft gerappelleerd, maar dat de Poolse autoriteiten niet hebben gereageerd. Ook op een poging van het IRC om via Eurojust contact op te nemen is door de Poolse autoriteiten niet gereageerd. Onder deze omstandigheden – waarbij dus al in de tussenuitspraak van 25 september 2025 het certificaat is opgevraagd en er dus al langer dan 8 maanden gewacht wordt - moet er in een zaak als de onderhavige van worden uitgegaan dat niet binnen een redelijke termijn een ingevuld certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the District Court in Mielecvan 11 mei 2016 zullen worden verstrekt.
Van de drie mogelijke beslissingen die de rechtbank kan nemen zijn daarom nog slechts twee beslissingen reëel: de overlevering toestaan of de overlevering weigeren op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW.
De rechtbank zal de overlevering weigeren op grond van artikel 9, eerste lid onder f, OLW. In haar tussenuitspraak van 25 september 2025 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander waardoor met terugwerkende kracht naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend ten aanzien van het feit waarvoor de vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd. Tevens heeft de rechtbank in deze tussenuitspraak geoordeeld dat sprake is van verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 9, eerste lid onder f, OLW te weigeren.
In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid om de volgende redenen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden. De rechtbank constateert dat het om een oud feit gaat, te weten medeplegen van een mishandeling. Het feit waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld is gepleegd in januari 2015. Voor dit feit is de opgeëiste persoon in mei 2016 veroordeeld. Vervolgens is pas vier jaar later, in april 2020, een EAB uitgevaardigd, terwijl de opgeëiste persoon al sinds 8 januari 2018 als EU-onderdaan in Nederland verblijft en in de Basisregistratie Personen is ingeschreven. Hij heeft zich dus niet onder de radar gehouden. Hij heeft intussen een leven in Nederland opgebouwd en hij heeft ernstige gezondheidsklachten. De opgeëiste persoon is invalide en zit in een rolstoel (vanwege gedeeltelijke amputatie van zijn beide benen in 2022) waardoor hij in een aangepaste woning woont.
Ten aanzien van het standpunt van de officier van justitie dat weigering van de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW tot straffeloosheid leidt, overweegt de rechtbank het volgende.
Allereerst betekent weigering van de overlevering op grond van verjaring niet dat de opgeëiste persoon de opgelegde straf niet meer hoeft te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van de straf naar het recht van Polen niet is verjaard, moet de opgeëiste persoon – wanneer hij Nederland verlaat – rekening houden met de mogelijkheid van overlevering ter tenuitvoerlegging van die straf vanuit een andere lidstaat. Voorts kunnen de Poolse justitiële autoriteiten opnieuw een EAB uitvaardigen en het certificaat en een kopie van het vonnis wel binnen redelijke termijn aanleveren. Verder kunnen zij op grond van Kaderbesluit 2008/909/JBZ aan Nederland om overname van de straf verzoeken. Weliswaar levert dit wellicht een probleem op met de verjaring omdat de desbetreffende bepaling van dit Kaderbesluit (artikel 9, eerste lid) onjuist is geïmplementeerd, maar de bevoegde Nederlandse autoriteit moet de Nederlandse wetgeving zoveel mogelijk kaderbesluitconform uitleggen. Bovendien valt te verwachten dat die wetgeving op termijn door de Nederlandse overheid zal worden aangepast. De weigering van de overlevering vanwege verjaring betekent in elk geval niet dat die verjaring ook aan overname van de straf in de weg staat.
Los daarvan acht de rechtbank het niet in het belang van de resocialisatie van de opgeëiste persoon dat hij de straf in Polen ondergaat. Voor de rechtbank weegt dit in een geval als het onderhavige zwaarder dan het belang van het voorkomen van straffeloosheid.

4. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

5.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 9 OLW.

6.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Tarnobrzeg, the II Criminal Division, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie van opgeëiste persoon.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Rb. Amsterdam 16 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3836.
3.Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7089.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (