Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6074

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
13/235346-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor roekeloos rijden met zwaar lichamelijk letsel tot taakstraf en voorwaardelijke rijontzegging

Op 15 mei 2025 veroorzaakte verdachte een verkeersongeval in Amsterdam door met hoge snelheid (minimaal 120 km/u waar 30 km/u was toegestaan) gevaarlijk in te halen vlak voor een bocht, waarna zij de controle verloor en tegen een boom botste. Hierbij liep de bijrijdster zwaar lichamelijk letsel op, waaronder meerdere botbreuken en een gescheurde milt.

De rechtbank oordeelde dat verdachte roekeloos heeft gehandeld, waarbij sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van verkeersregels. De verdediging stelde dat technische storingen aan het stuur mogelijk waren, maar dit werd niet aannemelijk geacht. De schuld werd dan ook als roekeloosheid gekwalificeerd.

De officier van justitie eiste een taakstraf van 180 uur met vervangende hechtenis van 90 dagen en een rijontzegging van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, het feit dat zij niet eerder was veroordeeld en de ernst van het ongeval. De opgelegde straf kwam overeen met de ernst van het feit.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk wegens onvoldoende informatie over de mate van aansprakelijkheid en het ontbreken van duidelijkheid over de invloed van het niet dragen van de gordel. De benadeelde partij kan haar vordering bij de civiele rechter voortzetten.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 180 uur met een vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-naleving, en legde een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden op met een proeftijd van 2 jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf en 12 maanden voorwaardelijke rijontzegging wegens roekeloos rijden met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/235346-25
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, van wat verdachte en haar raadsman, mr. A.B. Baumgarten, waarnemend voor mr. B. Ivanov-Petkova, naar voren hebben gebracht, en van wat namens de benadeelde partij, [benadeelde partij/slachtoffer] , door mr. A. Stronkhorst naar voren is gebracht. De benadeelde partij heeft via haar advocaat gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat zij zich op 15 mei 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
primair
het veroorzaken van een verkeersongeval welke aan haar schuld te wijten is, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en waardoor [benadeelde partij/slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;
subsidiair:
het veroorzaken van gevaar op de Joris van den Berghweg.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen waarbij verdachte roekeloos heeft gereden en als gevolg waarvan [benadeelde partij/slachtoffer] (hierna: slachtoffer) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zolang geen onafhankelijke en volledige diagnose-uitlezing van alle relevante voertuigmodules heeft plaatsgevonden, niet kan worden uitgesloten dat vóór het incident stuur gerelateerde storingen of foutregistraties aanwezig waren en het stuur aldus blokkeerde in de periode voorafgaand aan de laatste 5 seconden, welke zijn uitgelezen uit het EDR. Ook kan niet worden uitgesloten dat verdachte daarvoor al de macht over het stuur verloor en uit paniekreactie het gaspedaal indrukte in plaats van de rem. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit komt, dient de schuld te worden gekwalificeerd als ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ en niet als ‘roekeloos’ dan wel ‘zeer onvoorzichtig’.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Beoordeling van feit 6 Wegenverkeerswet
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [1]
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier is komen vast te staan dat door het rijgedrag van verdachte het verkeersongeval is ontstaan en dat slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft veel te hard gereden, namelijk in ieder geval 120 km/u op een smalle tweerichtingsweg waar de maximaal toegestane snelheid 30 km/u bedraagt. Vervolgens heeft zij op deze dertigkilometerweg een andere auto met hoge snelheid vlak voor een bocht ingehaald. Hierbij is zij de controle over het stuur verloren, in de rechterberm beland en tegen een boom tot stilstand gekomen. Het slachtoffer en de getuige hebben beiden verklaard dat zij het rijgedrag van verdachte als gevaarlijk hebben ervaren.
Het technische onderzoek wijst uit dat de systemen van de auto vijf seconden voor het ongeluk naar behoren functioneerden en dat er geen storingen of foutregistraties aanwezig waren. Uit het dossier volgt geen enkele aanwijzing dat dit voorafgaand aan die vijf seconden wél het geval was. Dit is dan ook niet aannemelijk geworden. De enkele stelling van de verdediging dat dit niet kan worden uitgesloten is onvoldoende om de verwijtbaarheid van verdachte weg te nemen, dan wel een nader technisch onderzoek te gelasten. Ditzelfde geldt voor de stelling dat het mogelijk is dat verdachte vóór die vijf seconden al de controle over het stuur verloor en uit paniekreactie het gaspedaal zou hebben ingetrapt in plaats van de rem. De rechtbank verwerpt deze verweren en oordeelt dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het ongeval heeft plaatsgevonden.
Roekeloosheid
De rechtbank dient te beoordelen of de hiervoor genoemde gedragingen kunnen worden aangemerkt als roekeloos.
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik ervan in de rechtspraak willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW Pro, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW Pro bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Dat is het geval als verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) dat opzettelijk heeft gedaan en (d) daarvoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a.
a) De geschonden verkeersregels
Zoals eerder genoemd heeft verdachte de vastgestelde maximumsnelheid fors overschreden. Voorts heeft zij, door op de smalle klinkerweg, voor een bocht met hoge snelheid in te halen, gevaarlijk ingehaald. Hiermee heeft verdachte de in artikel 5a lid 1 onder b en g WVW uitdrukkelijk benoemde schendingen van verkeersregels begaan. Het staat dan ook vast dat verdachte deze verkeersregels heeft geschonden.
b) In ernstige mate
Vervolgens moet worden beoordeeld of verdachte die verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden. Uit het technisch onderzoek blijkt dat verdachte vijf seconden voor het ongeval 120 km/u reed en op dat moment het gaspedaal al niet meer indrukte. Dit betekent dat verdachte daarvoor nog harder dan dat moet hebben gereden. Nu de toegestane maximumsnelheid daar 30 km/u bedraagt, kan worden vastgesteld dat verdachte deze verkeersregel in ernstige mate heeft geschonden. Ook het gevaarlijk inhalen vormde een in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat verdachte dit met hoge snelheid heeft gedaan op een weg die daarvoor totaal ongeschikt was en dat zij dit vlak voor een bocht deed waardoor zij niet kon zien of aan de andere kant van de weg mogelijk verkeer naderde.
c) Opzettelijk
Het (voorwaardelijk) opzet van een verdachte moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij dacht dat de maximaal toegestane snelheid 30 of 50 km /u bedroeg. Zij wist dus dat zij op die weg in ieder geval geen 120 km/u mocht rijden. Door toch zo hard te rijden heeft zij opzettelijk in ieder geval meer dan dubbel zo hard gereden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus opzet heeft gehad op het in ernstige mate schenden van die verkeersregel. Daarnaast heeft zij door met een hoge snelheid vlak voor een bocht in te halen naar de uiterlijke verschijningsvorm ook opzet gehad op het in ernstige mate schenden van die verkeersregel. Het kan niet ander dan dat verdachte zich hier bewust van is geweest en zij heeft deze schending willens en wetens gecontinueerd.
d) Gevaar te duchten
Naar algemene ervaringsregels acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het hiervoor beschreven verkeersgedrag van verdachte, zowel voor verdachte als voor haar vriendin als voor andere weggebruikers. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. Verdachte is met een hoge snelheid tegen een boom aan gereden waarbij haar vriendin die naast haar zat, ernstig gewond is geraakt.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid. De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen.
Zwaar lichamelijk letsel
Het slachtoffer had haar been, arm, sleutelbeen en rug gebroken. Ook had zij een gescheurde milt. Gelet op de aard en ernst van het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat het zwaar lichamelijk letsel betreft. Het slachtoffer heeft immers een operatie moeten ondergaan, acht nachten in het ziekenhuis moeten doorbrengen en is nog niet geheel hersteld.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 15 mei 2025 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Joris van den Berghweg, zich zodanig, te weten roekeloos, heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [benadeelde partij/slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken been, een gebroken arm, een gebroken sleutelbeen, een gescheurde milt en een gebroken rug, werd toegebracht,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Joris van den Berghweg, komende uit de richting van de Osdorperweg, en gaande in de richting van de Nico Broekhuysenweg,
terwijl verdachte beginnend bestuurder was,
terwijl verdachte reed met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, immers heeft verdachte (ongeveer) 5 seconden voor de botsing (ongeveer) 120 kilometer per uur gereden,
verdachte heeft voor of in een bocht een andere verkeersdeelnemer ingehaald,
verdachte is, vervolgens naar rechts gaan uitwijken,
verdachte heeft vervolgens niet, althans niet tijdig en voldoende, afgeremd en heeft verdachte de macht over het stuur verloren,
verdachte is vervolgens in de rechter berm terecht gekomen en vervolgens in botsing gekomen met een boom,
ten gevolge waarvan die [benadeelde partij/slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

5.Strafbaarheid van het feit en verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid (hierna ook: OBM) voor de duur van 12 maanden wordt opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een straftoemeting rekening dient te worden gehouden met de jonge leeftijd van verdachte, al dan niet via toepassing van het jeugdstrafrecht, het gegeven dat zij niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld en dat zij zelf niet ongeschonden uit het ongeluk is gekomen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst feit
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door roekeloos te rijden als gevolg waarvan een goede vriendin van haar zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Met haar gedrag heeft zij niet alleen haarzelf, maar ook alle andere weggebruikers en haar vriendin die bij haar in de auto zat, in gevaar gebracht. Dit is bijzonder ernstig, nu een ieder ervan uit moet kunnen gaan dat die op de openbare weg zich veilig kan verplaatsen van A naar B. Zij heeft niet de verantwoordelijkheid genomen die van een bestuurder verwacht mag worden.
Hoewel de LOVS-oriëntatiepunten geen afzonderlijk oriëntatiepunt bevatten voor roekeloosheid, staat vast dat roekeloosheid de zwaarste schuldvorm is en dat rechters niet zelden bij roekeloosheid een gevangenisstraf van een aantal maanden opleggen en een lange OBM. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag hoe hier in dit geval mee om te gaan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor enige strafbaar feit is veroordeeld.
Hoewel de rechtbank geen aanleiding ziet voor toepassing van het jeugdstrafrecht, houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf wel rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijden van het gepleegde feit. De rechtbank ziet in dat verdachte het ongeluk zelf ook niet had willen veroorzaken, dat sprake was van jeugdige onbezonnenheid en een eenmalig incident en dat verdachte hier veel spijt van heeft.
Het slachtoffer heeft via haar advocaat gebruik gemaakt van het spreekrecht en daarin benadrukt dat zij, het slachtoffer, niet wil dat haar vriendin, verdachte, de gevangenis in gaat. De betekenisvolle blikken tussen verdachte en het slachtoffer op zitting en het naast elkaar de zittingszaal uitlopen na afloop van de zitting, zijn de rechtbank in dit verband niet onopgemerkt gebleven.
Verder houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat verdachte de opleiding tot kraamverzorgster volgt waarbij zij binnenkort dagelijks zonder begeleiding bij cliënten thuis langs moet en zij hiervoor afhankelijk is van haar rijbewijs.
Straf
Gelet op al het voornoemde oordeelt de rechtbank dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. Zij zal aan verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uur opleggen. Daarnaast zal aan verdachte een OBM worden opgelegd voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

7.Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] vordert € 5.357,77 aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel
.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gestel dat de benadeelde partij in haar vordering voor wat betreft het materiële deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het gevorderde bedrag zou namelijk verminderd moeten worden met de helft van de studiekosten en van dat bedrag zou 25% wegens civiele eigen schuld moeten worden afgetrokken. Bovendien heeft de verzekeraar reeds € 5.000,- aan de benadeelde uitgekeerd waardoor ook dit van het gevorderde bedrag zou moeten worden afgetrokken. Er blijft dan geen bedrag over aan materiële schade dat toegewezen zou moeten worden.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat het gevorderde bedrag zou moeten worden bijgesteld naar € 15.000,- nu het letsel, hoewel het inderdaad een veelvoud aan verwondingen betrof, na een jaar nagenoeg volledig hersteld is. Daarbij zou ook voor dit deel 25% van dit bedrag in mindering moeten worden gebracht wegens de civiele eigen schuld. De immateriële schade zou daarom kunnen worden toegewezen voor een bedrag van € 11.250,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet dragen van de gordel het causaal verband tussen het verkeersongeval en het door de benadeelde opgelopen letsel niet doorbreekt. Omdat het niet dragen van de gordel de ernst van letsel significant vergroot, passen verzekeraars bij dergelijke situaties een vermindering van de uit te keren schadevergoeding van 25% toe. De verdediging meent dat de rechtbank in deze procedure op basis van haar schattingsbevoegdheid wel een bedrag aan schadevergoeding vast kan stellen , waarbij de rechtbank kan bepalen dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en het oordeel voor dat meer ingewikkelder deel overgelaten moet worden aan de civiele rechter. De verdediging refereert zich subsidiair aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of de vordering niet onevenredig bezwarend is voor het geding nu de gordelkwestie een ingewikkelde kwestie is, waar de rechtbank op dit moment onvoldoende zicht op heeft.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. Ook staat vast dat het slachtoffer geen veiligheidsgordel droeg tijdens het ongeval. Het is op dit moment niet duidelijk wat de schade van de benadeelde partij zou zijn geweest als zij wel de veiligheidsgordel had gedragen. Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte aansprakelijk is voor enige schade die de benadeelde partij geleden heeft, acht zij zich met de beschikbare informatie onvoldoende in staat om te beoordelen welke schade in het kader daarvan voor vergoeding in aanmerking komt. Dit geldt zowel voor het materiële deel, als voor het immateriële deel van de vordering. Het toelaten van nadere bewijslevering en/of deskundigenonderzoek ten aanzien van die mate van aansprakelijkheid zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Dit zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
primair
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
Ontzegtverdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigente
besturenvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat deze bijkomende straf
nietzal worden
ten uitvoergelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Verklaart
[benadeelde partij/slachtoffer] niet-ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en R. van de Water, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. R.T. Lo Dico en M.H.G. Brinkman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2026.
[--]

Voetnoten

1.HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.