ECLI:NL:RBAMS:2026:602

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
25/4081
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene OuderdomswetAlgemene nabestaandenwetAlgemene Kinderbijslagwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om terugwerkende ontheffing van verzekeringsplicht AOW, Anw en AKW

Eiseres, met de Amerikaanse nationaliteit, verzocht om ontheffing van de verzekeringsplicht voor de AOW, Anw en AKW met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2021. Verweerder verleende aanvankelijk ontheffing vanaf 5 juli 2023, de datum van ontvangst van het verzoek. Een later verzoek om terugwerkende ontheffing werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.

De rechtbank toetste het besluit van verweerder aan artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en oordeelde dat het eerdere besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De gronden van eiseres, waaronder onbekendheid met de mogelijkheid tot ontheffing en het niet gebruik maken van Nederlandse sociale voorzieningen, konden niet als nieuwe feiten worden beschouwd.

Verder stelde de rechtbank vast dat het besluit niet evident onredelijk is, mede omdat verweerder zijn beoordeling in overeenstemming met het geldende beleid heeft verricht. Eiseres heeft over de periode zonder ontheffing aanspraken opgebouwd op een gedeelte van het AOW-pensioen, waardoor zij bij pensioengerechtigde leeftijd een gedeeltelijke uitkering zal ontvangen.

Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg het griffierecht niet terug. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om terugwerkende ontheffing van de verzekeringsplicht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiseres om ontheffing met terugwerkende kracht vanaf 2021 van de verzekeringsplicht voor de Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), afgewezen.
Bij besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres onder gewijzigde motivering ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiseres, die de Amerikaanse nationaliteit bezit, heeft een aanvraagformulier bij verweerder ingediend voor ontheffing van de verzekeringsplicht voor de AOW, Anw en AKW. Zij verzoekt daarbij dat de ontheffing met terugwerkende kracht ingaat per 1 januari 2021. Verweerder heeft met het besluit van 14 juli 2023 de ontheffing met ingang van 5 juli 2023 verleend, omdat dit de datum is waarop het verzoek van eiseres is ontvangen. Eiseres heeft vervolgens op 13 augustus 2024 opnieuw een verzoek om ontheffing gedaan met terugwerkende kracht tot en met 2021. Verweerder heeft dit in eerste instantie opgevat als een nieuw verzoek om ontheffing.
2. Verweerder heeft met het primaire besluit het verzoek van eiseres afgewezen. Volgens verweerder is in het geval van eiseres geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard die een eerdere ingangsdatum van de ontheffing van de verzekeringsplicht rechtvaardigen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres onder gewijzigde motivering ongegrond verklaard. Verweerder heeft in de bezwaarfase het verzoek van eiseres alsnog opgevat als een herzieningsverzoek en ziet geen reden om het besluit van 14 juli 2023 te herzien. Volgens verweerder heeft eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd. De eerdere beslissing is ook niet evident onredelijk.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 14 juli 2023. De rechtbank stelt daarbij vast dat het besluit van 14 juli 2023 in rechte onaantastbaar is geworden. De rechtbank dient dan ook in beginsel dat besluit te respecteren en ervan uit te gaan dat dat besluit juist is. Daarmee is de beoordeling door de rechtbank beperkter dan in het geval eiseres tijdig bezwaar had gemaakt en vervolgens beroep had ingediend.
4. Verweerder heeft in deze zaak toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of verweerder zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat het geval is, kan dat de afwijzing van het verzoek om herziening van het eerdere besluit in beginsel dragen. De rechtbank kan niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Als verweerder op dit punt beleid voert, toetst de rechtbank in de eerste plaats of verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.
5. De eerste vraag is dus of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Onder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb worden volgens vaste rechtspraak verstaan: feiten of omstandigheden die niet eerder bekend waren of niet eerder konden worden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken. Eiseres stelt dat zij sinds haar vestiging in Nederland op 10 juli 2017 niet in Nederland heeft gewerkt en al die tijd geen gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse sociale voorzieningen. Zij voldoet aan alle voorwaarden voor de ontheffing, maar was niet op de hoogte van deze mogelijkheid. Zij wordt nu geconfronteerd met een enorme vordering van de belastingdienst, aldus eiseres. Deze gronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Eiseres had deze gronden namelijk ook tegen het besluit van 14 juli 2023 kunnen aanvoeren. Nu eiseres dit niet eerder heeft gedaan, kunnen deze gronden geen rol spelen in het kader van een beoordeling op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb.
6. De tweede vraag is of het besluit van 14 juli 2023 evident onredelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Verweerder heeft toegelicht dat de wetgever heeft beoogd regels te stellen aan het toekennen van een ontheffing om daarmee willekeur te voorkomen. In bijzondere gevallen is het mogelijk om bij een aanvraag voor ontheffing van meer dan een jaar na dato, toch ontheffing met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste jurisprudentie vormt onbekendheid met de wetgeving echter geen bijzondere omstandigheid. [1] Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat beleid is vastgesteld waarin uitzonderingen zijn opgenomen, onder meer voor gevallen waarin een betrokkene geheel niet in staat was eerder een aanvraag in te dienen. [2] Het geval van eiseres valt hier niet onder. De rechtbank volgt deze motivering van verweerder en stelt vast dat verweerder zijn beoordeling in overeenstemming met zijn beleid heeft verricht. Het besluit is dan ook niet evident onredelijk. De rechtbank voegt daaraan toe dat zoals ter zitting verder is besproken, eiseres over de periode waarvoor geen ontheffing is verleend aanspraken op een gedeelte van het AOW-pensioen heeft opgebouwd. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zal zij hierdoor een gedeeltelijke AOW-uitkering ontvangen. Voor zover eiseres dan ook aanvoert dat zij premies heeft afgedragen voor sociale voorzieningen waarvan zij geen gebruik maakt en dat dit leidt tot een onredelijk besluit, volgt de rechtbank haar niet.
Conclusie
7. De beroepsgronden slagen niet. Verweerder mocht het verzoek van eiseres om terug te komen van het besluit van 14 juli 2023 afwijzen. Het beroep is dus ongegrond.
8. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr.N.J.A. van Eck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van hoger beroep kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2509.
2.Zie beleidsregel SB1071, Bijzonder geval.