Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5709

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/13/786881 FT RK 26-168
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 FwArt. 281 RvArt. 369 lid 8 FwArt. 375 FwArt. 376 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verlenging afkoelingsperiode in WHOA-procedure met afwijzing verzoek tot terugvordering bruikleengoederen

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van [schuldenaar] B.V. tot verlenging van de afkoelingsperiode in de WHOA-procedure. De afkoelingsperiode was eerder afgekondigd op 11 februari 2026 voor twee maanden. [schuldenaar] verzocht om verlenging met vier maanden, welke aanvankelijk niet tijdig door een advocaat was ingediend, maar na herstel alsnog ontvankelijk werd verklaard.

De rechtbank oordeelde dat belangrijke vooruitgang was geboekt in het akkoordtraject, met een concreet conceptakkoord en een toezegging om binnen twee maanden een akkoord aan schuldeisers aan te bieden. De belangen van de gezamenlijke schuldeisers worden door de verlenging gediend, aangezien een akkoord een betere uitkomst biedt dan faillissement. De lopende verplichtingen worden nagekomen en de schuldenlast is niet toegenomen.

Het verzoek van [leverancier 1] om [schuldenaar] te verbieden bruikleengoederen te gebruiken en deze terug te vorderen werd afgewezen. De rechtbank stelde dat [schuldenaar] bevoegd is de goederen te gebruiken binnen de normale voortzetting van haar onderneming en dat de belangen van [leverancier 1] voldoende zijn gewaarborgd door het conceptakkoord dat volledige betaling van de claimwaarde garandeert.

De rechtbank draagt de observator op uiterlijk 31 juli 2026 verslag uit te brengen over de voortgang van het akkoordtraject. De beschikking werd uitgesproken door de voorzitter en twee rechters op 8 juni 2026.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging afkoelingsperiode toegewezen, verzoek tot terugvordering bruikleengoederen afgewezen.

Uitspraak

beschikking

Rechtbank AMSTERDAM

Team insolventie – meervoudige kamer
verzoek verlenging afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw Pro
verzoek ex artikel 377 lid 3 Fw Pro
rekestnummer: C/13/786881 FT RK 26-168
uitspraakdatum: 8 juni 2026
beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet Pro (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:
[schuldenaar] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [schuldenaar] ,
advocaten: mrs. B. Pietersz en T.C.W. Klatten.

1.De procedure

1.1
Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft de rechtbank een afkoelingsperiode afgekondigd voor de duur van twee maanden en mr. [observator] als observator aangesteld.
1.2.
De observator heeft op 8 april 2026 verslag uitgebracht.
1.3.
De heer [naam 1] van [financieel bedrijf 1] B.V., adviseur van [schuldenaar] , heeft bij verzoekschrift van 9 april 2026 namens [schuldenaar] verzocht de afkoelingsperiode te verlengen met een periode van 4 maanden.
1.4.
[financieel bedrijf 2] B.V. (hierna: [financieel bedrijf 2] ) heeft op 24 april 2026 een zienswijze ingediend.
1.5.
De observator heeft op 27 april 2026 een zienswijze ingediend.
1.6.
Het verzoek is op 29 april 2026 middels een online Teams-verbinding behandeld. De behandeling is aangehouden om [schuldenaar] de gelegenheid te geven het verzoek ex artikel 376 lid 5 Fw Pro uiterlijk 13 mei 2026 om 12.00 uur door een advocaat te laten indienen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.7.
Mrs. B. Pietersz en T.C.W. Klatten hebben op 13 mei 2026 namens [schuldenaar] (nogmaals) verzocht de afkoelingsperiode te verlengen voor een periode van vier maanden. Het verzoek is om 14:22 uur bij de centrale balie van de rechtbank Amsterdam afgegeven.
1.8.
BV [leverancier 1] (hierna: [leverancier 1] ) heeft op 19 mei 2026 een zienswijze ingediend, tevens inhoudende een verzoek dat het [schuldenaar] niet wordt toegestaan nog langer gebruik te maken van de aan [leverancier 1] in eigendom toebehorende bruikleengoederen en [schuldenaar] te bevelen deze goederen aan [leverancier 1] terug te geven, althans [leverancier 1] toe te staan deze goederen te demonteren en retour te halen.
1.9.
[financieel bedrijf 2] en de observator hebben op 20 mei 2026 een (aanvullende) zienswijze ingediend.
1.10.
Het verzoek is op 27 mei 2026 middels een online Teams-verbinding behandeld.
Ter zitting zijn verschenen en gehoord:
- de heer [naam 2] , [naam functie 1] ,
- de heer [naam 3] , [naam functie 1] ,
- de heer [naam 4] , [naam functie 2] van [schuldenaar] ,
- de heer [naam 1] , adviseur van [schuldenaar] ,
- mrs. B. Pietersz en T.C.W. Klatten, namens [schuldenaar] ,
- mr. M.H. van Hooft, namens [financieel bedrijf 2] ,
- mr. G.E.R. Ummelen, namens [leverancier 1] ,
- de observator.
Van de zijde van [schuldenaar] zijn spreekaantekeningen overgelegd.
1.11.
De uitspraak is (bij vervroeging) bepaald op vandaag.

2.Het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode

2.1.
[schuldenaar] verzoekt de bij beschikking van 11 februari 2026 afgekondigde afkoelingsperiode op de voet van artikel 376 lid 5 Fw Pro te verlengen met een termijn van vier maanden. [schuldenaar] heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.
2.2.
Het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode is op 13 mei 2026 door een advocaat ingediend. Het verzoek is ongeveer twee uur na het in het proces-verbaal genoemde indieningsmoment ontvangen door de rechtbank. Deze geringe termijnoverschrijding is te wijten aan een miscommunicatie met de koeriersdienst en is op geen enkele wijze de schuld geweest van [schuldenaar] . Deze geringe termijnoverschrijding behoort niet tot niet-ontvankelijkheid te leiden. Ten eerste omdat geen enkele belanghebbende door deze beperkte overschrijding in zijn processuele positie is geschaad. Ten tweede past een toewijzing van het verzoek bij het doel en de systematiek van de WHOA. Ten slotte is in de rechtspraak aanvaard dat een beperkte termijnoverschrijding in een WHOA-context niet zonder meer fataal hoeft te zijn, indien de omstandigheden van het geval meebrengen dat belanghebbenden daardoor niet wezenlijk zijn benadeeld en een inhoudelijke beoordeling strookt met de belangen die de WHOA beoogt te beschermen. De onderhavige verlenging strekt er juist toe de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en overige belanghebbenden te beschermen.
2.3.
De WHOA-procedure heeft inmiddels een concreet en cijfermatig onderbouwd stadium bereikt. Er is een concept-herstructureringsvoorstel, een uitgewerkte klassenindeling, er ligt een liquidatievergelijking en er zijn geactualiseerde stukken overgelegd. [schuldenaar] heeft ter zitting toegezegd uiterlijk binnen 2 maanden vanaf 27 mei 2026 een akkoord aan haar schuldeisers aan te bieden. De schuldeisers ontvangen een aanzienlijk hoger bedrag dan zal worden uitgekeerd in geval van faillissement. Geen van de schuldeisers wordt door een verlenging in zijn of haar belangen geschaad. [schuldenaar] voldoet sinds de afgekondigde afkoelingsperiode aan haar lopende verplichtingen en de schuldenlast is niet toegenomen. De verzochte verlenging is nodig om de laatste stappen in het akkoordtraject ordelijk te kunnen afronden. Zonder verlenging bestaat het reële risico dat individuele verhaalsmaatregelen het traject doorkruisen. De belangrijkste schuldeisers zijn geïnformeerd over de voortgang van het WHOA-traject. Deze stappen kwalificeren als belangrijke voortgang in de zin van artikel 376 lid 5 Fw Pro.

3.De zienswijzen

3.1.
De observator, [financieel bedrijf 2] en [leverancier 1] hebben in hun zienswijzen – samengevat – het volgende aangevoerd.
Observator
3.2.
Het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode is door [schuldenaar] te laat ingediend, zij het dat de termijnoverschrijding beperkt is. Nu het hier om een door de rechtbank gestelde ordetermijn gaat en niet om de wettelijke termijn van artikel 376 lid 5 Fw Pro, komt de rechtbank meer discretionaire ruimte toe. De schuldeisers hebben een reëel belang bij voortzetting van de WHOA-procedure en het tot stand komen van een akkoord, omdat een akkoord naar verwachting een betere uitkomst biedt dan een faillissement. Inmiddels is een conceptakkoord opgesteld dat in grote lijnen voldoet aan de wettelijke vereisten. De observator acht het aannemelijk dat de betrokken advocaten in staat zullen zijn het proces in goede banen te leiden, de informatievoorziening op het vereiste niveau te brengen en het akkoord daadwerkelijk binnen één à twee maanden aan de schuldeisers aan te bieden.
[financieel bedrijf 2]
3.3.
[schuldenaar] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek, nu dit verzoek niet tijdig is ingediend. Daar komt bij dat [financieel bedrijf 2] pas op 15 mei 2026 een kopie van het verlengingsverzoek heeft ontvangen en pas op 20 mei 2026 productie 5 bij het verlengingsverzoek, zijnde het concept akkoordvoorstel.
3.4.
Indien het verzoek ontvankelijk is, dient het verzoek te worden afgewezen. Volgens [financieel bedrijf 2] is de afkoelingsperiode verleend op basis van de toezegging dat binnen vier weken een akkoord zou worden aangeboden, terwijl die toezegging niet is nagekomen. Uit de stukken blijkt volgens haar niet van een structureel rendabele exploitatie en blijft sprake van onvoldoende transparantie. Onder deze omstandigheden is verlenging van de afkoelingsperiode niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Daarbij wordt [financieel bedrijf 2] al geruime tijd beperkt in haar verhaalsmogelijkheden zonder dat daar een concreet en controleerbaar akkoord tegenover staat. Voor het geval de rechtbank het verzoek toewijst, verzoekt [financieel bedrijf 2] de verlenging te beperken tot maximaal vier weken, onder de voorwaarde dat binnen die termijn een volledig en deugdelijk onderbouwd akkoord wordt overgelegd en dat de informatievoorziening aan schuldeisers wordt verbeterd.
[leverancier 1]
3.5.
Het verlengingsverzoek dient te worden afgewezen. Bij toewijzing verzoekt [leverancier 1] de rechtbank het [schuldenaar] niet toe te staan nog langer gebruik te maken van de bruikleengoederen en [schuldenaar] te bevelen deze goederen te retourneren of [leverancier 1] in staat te stellen deze te demonteren en terug te halen. [leverancier 1] is eigenaar van enkele goederen, waaronder een taptechnische installatie en koelcellen, die aan [schuldenaar] in bruikleen zijn gegeven in het kader van de samenwerking waarbij [leverancier 1] exclusief bierleverancier was. Aan deze samenwerking is per 1 juli 2025 een einde gekomen. [schuldenaar] is aansluitend een samenwerking aangegaan met [leverancier 2] als opvolgend bierleverancier. [leverancier 1] heeft na het eindigen van de samenwerking aanspraak gemaakt op de claimwaarde van goederen bij [leverancier 2] , zoals gebruikelijk is tussen brouwerijen onderling. Voor brouwerijen onderling geldt een “gentlemen’s agreement” op basis waarvan bij een overname van een zaak de bruikleengoederen tegen de claimwaarde wordt overgenomen en betaald door de opvolgend brouwer. Op 9 januari 2026 heeft [leverancier 2] laten weten dat [schuldenaar] de claimwaarde rechtstreeks aan [leverancier 1] zou betalen. Omdat betaling van de claimwaarde van de bruikleengoederen is uitgebleven, heeft [leverancier 1] begin mei 2026 aanspraak gemaakt op retour van haar eigendommen. Aan sommaties daartoe is geen gehoor gegeven. [leverancier 1] heeft daarom een kort geding aanhangig gemaakt, waarvan de behandeling plaatsvindt op 3 juni 2026. Volgens [leverancier 1] ontbreekt het aan communicatie vanuit [schuldenaar] en is een verdere verlenging van vier maanden onaanvaardbaar, nu [schuldenaar] daardoor zonder recht of titel gebruik blijft maken van haar eigendommen.
3.6.
Op de overige stellingen van partijen zal – voor zover van belang – bij de beoordeling worden ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
Nu de rechtbank zich in het kader van deze akkoordprocedure buiten faillissement eerder (relatief) bevoegd heeft verklaard, is zij gelet op artikel 369 lid 8 Fw Pro eveneens bevoegd kennis te nemen van het voorliggende verzoek.
Ontvankelijkheid
4.2.
[schuldenaar] heeft aanvankelijk tijdig, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de lopende afkoelingsperiode, verzocht om verlenging daarvan. Dit verzoek was niet door een advocaat ingediend, maar door een adviseur van [schuldenaar] . De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek daarop aangehouden en heeft [schuldenaar] in de gelegenheid gesteld het verzoek door een advocaat te laten indienen. De reden daarvoor is de volgende.
4.3.
Artikel 5 Fw Pro bepaalt welke verzoeken in de Faillissementswet door een advocaat moeten worden ingediend. Het Voorontwerp WHOA voorzag in verplichte procesvertegenwoordiging voor het verzoek afkoelingsperiode en eventuele verlengingsverzoeken daarvan (artikel 375 Fw Pro). In het Voorstel van Wet werd hier echter weer van afgezien. In het Voorstel van Wet werd tevens artikel 375 Fw Pro verplaatst naar artikel 376 Fw Pro, waarbij de verlengingsmogelijkheid werd overgebracht naar een vijfde lid. De verplichte procesvertegenwoordiging werd bij Nota van Wijziging (her)ingevoerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 249, nr. 7), maar daarbij lijkt de wetgever geen acht te hebben geslagen op de verplaatsing van het verlengingsverzoek naar het vijfde lid. De toelichting bij artikel 5 Fw Pro (Kamerstukken II 2019/20, 35 249,7) vermeldt welke verzoeken in het kader van de onderhandse akkoordprocedure moeten worden ingediend door een advocaat. Doel van de verplichte procesvertegenwoordiging is ervoor te zorgen dat het verzoek goed beargumenteerd en onderbouwd wordt. Zodoende wordt de rechtbank niet geconfronteerd met verzoeken die onvoldoende onderbouwd zijn, hetgeen bij het door de adviseur ingediende verlengingsverzoek het geval was. De rechtbank concludeert op grond van deze wetsgeschiedenis dat het de bedoeling van de wetgever moet zijn geweest de verplichte procesvertegenwoordiging ook van toepassing te laten zijn op het verlengingsverzoek van artikel 376 lid 5 Fw Pro. De in artikel 5 Fw Pro opgenomen verwijzing wijst daar tekstueel niet op, nu slechts wordt verwezen naar artikel 376 eerste Pro lid, maar omdat het verschil in de uiteindelijke wettekst van artikel 5 Fw Pro en het Voorontwerp daarvan niet is toegelicht neemt de rechtbank aan dat bij de Nota van Wijziging is verzuimd de verplaatsing van de verlengingsmogelijkheid naar het vijfde lid van artikel 376 Fw Pro te verwerken in artikel 5 Fw Pro. De rechtbank vindt daarvoor steun in de toelichting op de verplichte procesvertegenwoordiging, nu het belang van een goed beargumenteerd en onderbouwd verzoek ook geldt ten aanzien van een verlengingsverzoek. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook een verzoek tot verlenging van een reeds afgekondigde afkoelingsperiode door een advocaat moet worden ingediend, ook al vermeldt artikel 5 lid 1 Fw Pro het verzoek ex artikel 376 lid 5 Fw Pro niet expliciet. Indien een verzoek ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, biedt de rechter op grond van artikel 281 Rv Pro de verzoeker binnen een door de rechtbank te bepalen termijn de gelegenheid dit verzuim te herstellen. Alhoewel deze bepaling, gelet op art. 362 lid 2 Fw Pro, niet rechtstreeks van toepassing is op verzoekschriftprocedures in het kader van de Faillissementswet, heeft de rechtbank voornoemd artikel in dit geval analogisch toegepast.
4.4.
[schuldenaar] is in de gelegenheid gesteld het verzoek alsnog door een advocaat in te laten dienen. Aan [schuldenaar] is ter zitting van 29 april 2026 meegedeeld dat indien uiterlijk op 13 mei 2026 te 12.00 uur geen door een advocaat ingediend verzoekschrift door de rechtbank is ontvangen, [schuldenaar] niet ontvankelijk zou worden verklaard in haar verzoek. Gebleken is dat het door de advocaat ingediende verzoekschrift op 13 mei 2026 om 14.22 uur is ingediend bij de centrale balie van de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het verzoek na de gestelde termijn is ingediend. Hoewel strikte naleving van procesrechtelijke termijnen uitgangspunt is, ziet de rechtbank in de omstandigheden van dit specifieke geval aanleiding om [schuldenaar] toch ontvankelijk te verklaren in haar verzoek. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de termijnoverschrijding zeer beperkt is, niet heeft geleid tot processuele benadeling van de betrokken partijen en de voortgang van de procedure daardoor niet is vertraagd. Ook de omstandigheid dat het verzoekschrift eerst op 15 mei 2026 en het conceptakkoord eerst op 20 mei 2026 aan de belanghebbenden is toegezonden, leidt niet tot een ander oordeel. Partijen hebben hun standpunten voldoende naar voren kunnen brengen. Mede gelet op het belang van een doelmatige behandeling van de verzoeken in een WHOA-procedure, zal de rechtbank het verzoek inhoudelijk beoordelen.
Verlenging afkoelingsperiode: belangrijke vooruitgang?
4.5.
Ingevolge artikel 376 lid 5 Fw Pro dient de rechtbank thans te beoordelen of aannemelijk is gemaakt dat belangrijke vooruitgang is geboekt bij de totstandkoming van het akkoord. De rechtbank moet ook beoordelen of (nog steeds) is voldaan aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw Pro.
4.6.
[schuldenaar] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat belangrijke vooruitgang is geboekt bij de totstandkoming van een akkoord. Inmiddels is het conceptakkoord gereed. [schuldenaar] tracht met de Belastingdienst tot overeenstemming te komen over de exacte schuldpositie en het concept-akkoord. Vanwege de lange doorlooptijd bij de Belastingdienst is dit traject nog niet afgerond. Zodra hierover duidelijkheid bestaat, kan het akkoord worden gefinaliseerd en kunnen de schuldeisers nader worden geïnformeerd. [schuldenaar] heeft ter zitting toegezegd het akkoord uiterlijk binnen twee maanden aan de schuldeisers aan te bieden, ook indien een reactie van de Belastingdienst langer uitblijft. Er is sprake van concrete vervolgstappen, waarbij tevens de informatievoorziening aan de observator is verbeterd.
Noodzaak en belangen schuldeisers
4.7.
De rechtbank is verder van oordeel dat nog altijd is voldaan aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw Pro. De afkoelingsperiode is nog altijd noodzakelijk om de door [schuldenaar] gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over het akkoord te kunnen blijven voortzetten. Hetgeen de rechtbank daarover in de beslissing van 11 februari 2026 heeft overwogen, geldt nog altijd.
4.8.
Verder is redelijkerwijs aannemelijk dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van [schuldenaar] bij verlenging van de afkoelingsperiode zijn gediend. [schuldenaar] heeft voldoende onderbouwd dat een geslaagde herstructurering naar verwachting tot een hogere uitkering leidt dan een faillissement, terwijl zonder akkoord een faillissement waarschijnlijk onafwendbaar is. Daarbij is gebleken dat de lopende verplichtingen nog worden voldaan en de schuldenlast niet verder is toegenomen.
4.9.
Vervolgens is de vraag of de belangen van individuele schuldeisers door verlenging van de afkoelingsperiode wezenlijk worden geschaad. De rechtbank is van oordeel dat hier niet van is gebleken. [leverancier 1] heeft gesteld dat [schuldenaar] zonder recht of titel gebruik maakt van de bruikleengoederen, dat door dit gebruik de waarde van deze goederen in waarde daalt en zij die goederen al die tijd niet bij eigen klanten kan inzetten. [leverancier 1] heeft daarom verzocht in geval van verlenging van de afkoelingsperiode het [schuldenaar] niet toe te staan nog langer gebruik te maken van de bruikleengoederen en [schuldenaar] te bevelen om deze goederen aan [leverancier 1] terug te geven, althans [leverancier 1] toe te staan haar goederen ter plaatse te demonteren en retour te halen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Verzoeken [leverancier 1]
4.10.
Het verzoek van [leverancier 1] om [schuldenaar] te bevelen de bruikleengoederen terug te geven dan wel [leverancier 1] toe te staan haar goederen ter plaatse te demonteren en retour te halen kan niet worden toegewezen. De faillissementswet biedt geen ruimte voor een dergelijk verzoek. Het verzoek om [schuldenaar] niet langer toe te staan dat zij gebruik maakt van de bruikleengoederen vat de rechtbank op als een verzoek in de zin van artikel 377 lid 3 Fw Pro.
4.11
Op grond van artikel 377 lid 1 Fw Pro is een schuldenaar tijdens een afkoelingsperiode bevoegd tot het gebruik van goederen als aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk als (1) de schuldenaar deze bevoegdheid had vóór de afkondiging van de afkoelingsperiode en (2) het gebruik past binnen de normale voortzetting van de onderneming die de schuldenaar drijft. De rechtbank heft op grond van 377 lid 3 Fw de bevoegdheid tot het gebruik op of beperkt dat gebruik op verzoek van een betrokken derde als diens belangen niet voldoende zijn gewaarborgd. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden van artikel 377 lid 1 Fw Pro is voldaan en dat de belangen van [leverancier 1] voldoende gewaarborgd zijn. De rechtbank licht dat als volgt toe.
4.12.
Aan de samenwerking tussen [leverancier 1] en [schuldenaar] is op 1 juli 2025 een einde gekomen. Na beëindiging van de samenwerking heeft [leverancier 1] geen aanspraak gemaakt op teruggave van de goederen. In plaats daarvan heeft zij aanspraak gemaakt op de claimwaarde van de goederen bij – in eerste instantie – [leverancier 2] en later [schuldenaar] . [schuldenaar] is na beëindiging van de samenwerking gebruik blijven maken van de goederen. Ten tijde van de afkondiging van de afkoelingsperiode op 11 februari 2026 was dat nog steeds het geval. [leverancier 1] heeft zich daar destijds niet tegen verzet. [leverancier 1] heeft pas begin mei 2026 kenbaar gemaakt niet langer aanspraak te zullen maken op de claimwaarde en de goederen retour te willen ontvangen. Gesteld noch onderbouwd is dat [schuldenaar] vóór het afkondigen niet bevoegd was gebruik te maken van de bruikleengoederen. De bruikleengoederen, waaronder een tapinstallatie en koelcel, worden door [schuldenaar] gebruikt binnen de normale voortzetting van haar bedrijf, zijnde een horecagelegenheid. Aan de voorwaarden van artikel 377 lid 1 Fw Pro is naar het oordeel van de rechtbank aldus voldaan.
4.13.
Het conceptakkoord voorziet in een volledige betaling van de claimwaarde ter hoogte van
€ [claimwaarde] ,-. De aandeelhouders van [schuldenaar] zullen de nakoming van het akkoord garanderen. De claimwaarde is – zo volgt uit de door [leverancier 1] overgelegde brief van 1 juli 2025 aan [leverancier 2] – de waarde van de bruikleengoederen op 1 juli 2025. Deze waarde is gebaseerd op de inkoopwaarde minus een afschrijving van 56,66%. Maandelijks wordt 0,8333% op de goederen afgeschreven tot een maximum van 70%. [leverancier 1] stelt in haar verzoek dat de goederen als gevolg van het gebruik in waarde dalen. Op 1 mei 2026, 10 maanden nadat [leverancier 1] de claimwaarde had berekend, heeft zij aanspraak gemaakt op teruggave van de goederen. Uit de stellingen van [leverancier 1] volgt dat de goederen toen minder waard waren dan de claimwaarde. Er bestaat een gerede kans dat het akkoord tot stand zal komen. Het akkoord zal dan voorzien in een uitkering aan [leverancier 1] die boven de huidige waarde van haar goederen ligt. Deze uitkering wordt bovendien gegarandeerd. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [leverancier 1] voldoende gewaarborgd zijn. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat toewijzing van het verzoek van [leverancier 1] er toe zou leiden dat de onderneming van [schuldenaar] direct stil komt te liggen, de omzet zal wegvallen, [schuldenaar] niet meer aan haar lopende verplichtingen kan voldoen en een faillissement onafwendbaar zal zijn.
4:14 De slotsom van dit alles is dat de rechtbank het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode zal toewijzen en het verzoek op grond van artikel 377 lid 3 Fw Pro zal afwijzen.
4.15.
De rechtbank ziet aanleiding om tussentijds op de hoogte te worden gehouden van het verloop van het akkoordtraject. De rechtbank wenst daarom uiterlijk op 31 juli 2026 van de observator een schriftelijk verslag te ontvangen omtrent de stand van zaken, met daarin aandacht voor i) tijdige aanbieding van het akkoord, dat wil zeggen binnen twee maanden vanaf 27 mei 2026, zoals ter zitting is toegezegd, ii) de realisatie van de voorgestelde prognoses, iii) nakoming van de lopende verplichtingen door [schuldenaar] en iv) de informatieverstrekking richting de crediteuren en de transparantie van het proces.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst toe het verzoek ex artikel 376 lid 5 Fw Pro tot verlenging van de afkoelingsperiode met vier maanden, ingaande 11 april 2026, die inhoudt;
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [schuldenaar] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [schuldenaar] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden, en
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surseance, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens [schuldenaar] ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst dan wel geschorst blijft;
- wijst af de verzoeken van [leverancier 1] ;
- draagt de observator op om uiterlijk 31 juli 2026 op de hiervoor onder 4.15. beschreven wijze schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank ten aanzien van de stand van zaken;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.G.T. van Emstede, voorzitter, en mr. M. Aukema en mr. L. Mundt, rechters, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.