Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5658

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
11718168 / CV EXPL 25-7621
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 3 Brussel I-bisArt. 25 Brussel I-bisArt. 93 RvArt. 109 RvArt. 3 Rome I
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering terugbetaling leningen en debetsaldo ondanks niet-naleving precontractuele informatieplicht

ING Bank heeft een betaalrekening geopend en drie leningsovereenkomsten gesloten met de gedaagde, die woonachtig is in Italië. ING vordert terugbetaling van het debetsaldo en de leningen, inclusief wettelijke rente en proceskosten. De gedaagde erkent de vordering maar verzoekt om een betalingsregeling.

De kantonrechter beoordeelt ambtshalve het internationale karakter van de zaak en stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van Brussel I-bis en het Nederlandse recht van toepassing is volgens Rome I. ING heeft niet onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplicht en kredietwaardigheidstoets zoals vereist in titel 2A boek 7 BW, maar ziet af van contractuele rente en kosten.

De kantonrechter wijst de vordering toe tot betaling van het debetsaldo en de hoofdsommen van de leningen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De gevorderde wettelijke rente en proceskosten worden eveneens toegewezen. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Een betalingsregeling kan niet worden opgelegd.

Uitkomst: De vordering van ING tot betaling van het debetsaldo en de leningen wordt toegewezen, inclusief wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11718168 \ CV EXPL 25-7621
Vonnis van 29 mei 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ING,
gemachtigde: mr. P.C. Nieuwenhuizen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] (Italië),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.Waar gaat de zaak over?

1.1.
ING heeft een betaalrekening geopend voor [gedaagde]. Daarnaast hebben ING en [gedaagde] drie leningsovereenkomsten gesloten. [gedaagde] heeft bij een andere bank een lening aangevraagd waarbij hij een bankafschrift van ING heeft overgelegd dat niet echt is. ING meent dat hiermee sprake is van valsheid in geschrift, waardoor zij heeft besloten om de bancaire relatie met [gedaagde] te beëindigen. ING vordert in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van de leningen en het ontstane debetsaldo op de betaalrekening, inclusief wettelijke rente en proceskosten. [gedaagde] bestrijdt de vordering op zichzelf niet, maar verzoekt om een betalingsregeling omdat hij niet in staat is om het bedrag in één keer te betalen.
1.2.
De kantonrechter wijst de vordering van ING toe en legt hierna uit waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 december 2024, met producties,
- de rolmededeling van 2 september 2025, waarin [gedaagde] nog éénmaal in de gelegenheid is gesteld om een conclusie van antwoord in te dienen,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 14 oktober 2025, waarin staat dat schriftelijk zal worden doorgeprocedeerd,
- de conclusie van repliek, met producties,
- de conclusie van dupliek,
- de rolmededeling van 6 februari 2026, waarin ING is verzocht om aanvullende informatie toe te zenden,
- de akte overlegging producties tevens houdende akte vermindering van eis van ING, met producties,
- de brief van de rechtbank van 3 april 2026, waarin [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld om op de producties van ING te reageren.

3.De beoordeling

3.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [gedaagde] zijn woonplaats in Italië heeft. De kantonrechter moet daarom uit zichzelf beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht op het geschil van toepassing is.
De kantonrechter van deze rechtbank is bevoegd
3.2.
De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft moet worden beantwoord aan de hand van de Brussel I-bis-Verordening [1] (hierna: Brussel I-bis).
3.3.
[gedaagde] heeft de overeenkomsten met ING gesloten als consument. Partijen zijn algemene bankvoorwaarden overeengekomen waarin een keuze is opgenomen voor de Nederlandse rechter. Hoewel voor een consumentenovereenkomst de mogelijkheid om dit overeen te komen is beperkt, [2] is in dit geval de keuze geldig. In artikel 19 lid 3 Brussel Pro I-bis staat namelijk dat van de bevoegdheidsregels voor een consumentenovereenkomst kan worden afgeweken als een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten woonplaats of hun gewone verblijfplaats hebben in dezelfde lidstaat, de gerechten van die lidstaat bevoegd verklaren, tenzij het recht van die lidstaat dergelijke overeenkomsten verbiedt. Aan deze voorwaarden is voldaan: uit de overgelegde stukken volgt dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten in Nederland woonde, ING is ook gevestigd in Nederland en de Nederlandse rechter is bevoegd verklaard. Dat betekent dat op grond van artikel 25 Brussel Pro I-bis de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
3.4.
De algemene bankvoorwaarden regelen alleen de internationale rechtsmacht en wijzen geen specifieke Nederlandse rechter aan. De bevoegdheid van de kantonrechter moet daarom worden beoordeeld aan de hand van nationaal procesrecht. Omdat het gaat om een consumentenzaak is op grond van artikel 93 aanhef Pro en sub c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de kantonrechter bevoegd om over dit geschil te beslissen. Doordat de artikelen 99 tot en met 108 voor het onderhavige geval geen relatief bevoegde rechter aanwijzen geldt de restbevoegdheid van artikel 109 Rv Pro: de rechter van de woonplaats van eiser. ING is gevestigd in Amsterdam, zodat de kantonrechter van deze rechtbank bevoegd is.
Toepasselijk recht
3.5.
Vervolgens moet de kantonrechter bepalen welk recht op het geschil van toepassing is. Dat moet worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2018 betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I).
3.6.
Uit artikel 3 Rome Pro I volgt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Partijen hebben in de algemene bankvoorwaarden een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht. Voor een consumentenovereenkomst bepaalt bovendien artikel 6 lid 1 Rome Pro I dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft. Omdat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten in Nederland woonde, zou zonder rechtskeuze ook het Nederlands recht van toepassing zijn geweest. Daarom zal het geschil naar Nederlands recht worden beoordeeld.
De vordering
3.7.
Aanvankelijk vorderde ING dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 21.294,98, vermeerderd met de wettelijke rente, incassokosten en proceskosten. Nadat de rechtbank ING heeft verzocht om aanvullende informatie te verstrekken, heeft ING haar eis verminderd. Zij vordert nu alleen betaling van het openstaande saldo van € 18.975,62, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten. Dit bedrag bestaat uit € 4.463,36 aan debetsaldo op de betaalrekening en € 4.673,51, € 3.849,55 en € 5.989,20 aan openstaande hoofdsommen voor de drie leningen.
Ambtshalve toetsing
3.8.
De vordering van ING is gebaseerd op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomsten. Daarop zijn de bepalingen van titel 2A boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. De kantonrechter is verplicht om de daarin opgenomen bepalingen uit zichzelf te beoordelen. [3] Dat wil zeggen dat de bepalingen van titel 2A boek 7 BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet. Onder meer moet worden getoetst of de kredietverstrekker heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. Ook moet worden getoetst of de kredietverstrekker vóór het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van gedaagde partij toereikend heeft beoordeeld. Als daaraan niet is voldaan zijn de leningovereenkomsten vernietigbaar. Wel moeten de hoofdsommen van de leningen dan worden terugbetaald, maar contractuele rente en kosten zijn dan niet verschuldigd.
3.9.
ING heeft ervoor gekozen om niet uiteen te zetten op welke wijze zij heeft voldaan aan deze verplichtingen. In plaats daarvan ING heeft ervan afgezien om aanspraak te maken op contractuele rente en kosten. Daarom is niet meer van belang of de leningovereenkomsten vernietigbaar zijn.
De vorderingen van ING worden toegewezen
3.10.
Partijen zijn het erover eens dat ING de mogelijkheid had om de bancaire relatie met [gedaagde] op te zeggen en dat zij het debetsaldo en de leningen onmiddellijk mocht opeisen. Omdat [gedaagde] de hoogte van de openstaande bedragen niet heeft betwist, is de gevorderde hoofdsom van € 18.975,62 toewijsbaar. [gedaagde] heeft verzocht om een betalingsregeling, maar ING is daartoe niet verplicht en de kantonrechter kan deze niet opleggen.
3.11.
De gevorderde wettelijke rente over € 18.975,62 wordt toegewezen, omdat deze op de wet is gegrond en deze niet is betwist. In de brief van 8 september 2021 heeft ING [gedaagde] gesommeerd om de openstaande vordering uiterlijk op 22 september 2021 te betalen, maar dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] heeft inmiddels wel € 2.500,- betaald op grond van een betalingsregeling, die ING heeft beëindigd omdat [gedaagde] zich er niet meer aan hield. ING heeft die betaling al in mindering gebracht op de gevorderde wettelijke rente. De gevorderde wettelijke rente vanaf 23 september 2021 tot en met 30 december 2024 van € 397,02 en de gevorderde wettelijke rente vanaf 31 december 2024 is dan ook toewijsbaar.
3.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.872,54
3.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.14.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook meteen moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ING te betalen een bedrag van € 19.372,64 (bestaande uit € 18.975,62 aan hoofdsom en € 397,02 aan wettelijke rente tot en met 30 december 2024), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 18.975,62, met ingang van 31 december 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.872,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de kosten van betekening betalen,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, kantonrechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
2.Zie artikel 25 lid 4 Brussel Pro I-bis.
3.HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 r.o. 3.8.1. met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575, NJ 2008/37 (