ECLI:NL:RBAMS:2026:5628

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
12033652 \ CV EXPL 25-18125
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 6:233 onder a BWAfdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis inzake betaling erfpacht en proceskosten door Gemeente Amsterdam

De Gemeente Amsterdam vordert betaling van openstaande erfpachttermijnen en bijkomende kosten van gedaagden, die niet zijn verschenen in de procedure. De rechtbank stelt vast dat de erfpachtovereenkomst is gesloten vóór de inwerkingtreding van Richtlijn 93/13, waardoor ambtshalve toetsing aan consumentenrecht niet van toepassing is.

De Gemeente heeft stukken overgelegd ter onderbouwing van haar vordering en stelt dat erfpacht een zakelijk recht is dat niet aan een consument is verbonden. De rechtbank volgt dit standpunt en wijst ambtshalve toetsing af. Wel wordt vastgesteld dat slechts drie aanmaningen zijn overgelegd, waardoor een deel van de gevorderde incassokosten wordt afgewezen.

De rechtbank veroordeelt gedaagden tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente vanaf de dag van betekening, een redelijke vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. De veroordelingen gelden hoofdelijk en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagden worden bij verstek veroordeeld tot betaling van erfpacht, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten aan Gemeente Amsterdam.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12033652 \ CV EXPL 25-18125
Vonnis van 26 mei 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Gemeente Amsterdam,
gemachtigde: Van Twuijver Incasso B.V.,
tegen

1.[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats 1],
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 maart 2026,
- de akte van Gemeente Amsterdam, met producties.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [gedaagden] niet gereageerd op de akte van Gemeente Amsterdam.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is geoordeeld dat ambtshalve moet worden getoetst. Gemeente Amsterdam is in de gelegenheid gesteld de erfpachtovereenkomst en eventueel daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bij akte in het geding te brengen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
2.2.
Gemeente Amsterdam heeft bij akte de gevraagde stukken in het geding gebracht. Gemeente Amsterdam stelt zich op het standpunt dat erfpacht een beperkt zakelijk recht is dat op de onroerende zaak rust. Dat recht is niet aan een persoon verbonden, maar aan de zaak. Nu het recht van erfpacht destijds is gevestigd ten gunste van een rechtspersoon en niet ten gunste van een consument, is geen sprake van een consumentenovereenkomst. Bovendien is Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn) in werking getreden op 31 december 1994. Het recht van erfpacht is reeds in 1965 gevestigd, zodat deze richtlijn geen wetgeving of geldend recht was. Om deze redenen meent Gemeente Amsterdam dat ambtshalve toetsing niet aan de orde is.
2.3.
Vooropgesteld wordt dat ambtshalve toetsing van informatieplichten niet aan de orde is, nu Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW pas geldend recht is vanaf 13 juni 2014. Los daarvan zijn overeenkomsten over het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerende zaken of rechten op onroerende zaken uitgesloten van toepassing van voornoemde Afdeling.
2.4.
In navolging van het oordeel van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2025:1864, brengt een richtlijnconforme uitleg van het bepaalde in artikel 6:233 onder Pro a BW met zich dat algemene bepalingen bij erfpachtovereenkomsten gesloten na 31 december 1994 [1] ambtshalve moeten worden getoetst.
2.5.
De onderhavige overeenkomst en algemene bepalingen dateren van vóór genoemde datum, zodat niet ambtshalve aan de richtlijn dient te worden getoetst.
2.6.
Nu ambtshalve toetsing niet aan de orde is, komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover een deel niet is toegewezen en/of hierna anders is overwogen.
2.7.
Gemeente Amsterdam maakt aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Gevorderd wordt viermaal een bedrag van € 40,00 (voor iedere onbetaald gelaten termijn). Vastgesteld wordt echter dat maar drie aanmaningen in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW Pro zijn overgelegd, zodat in ieder geval € 40,00 van de gevorderde € 160,00 ongegrond voorkomt. Los daarvan wordt het niet redelijk geoordeeld dat er hogere kosten zijn gemaakt dan de kosten die, gelet op het totaal van de vordering (€ 328,52), op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn. Daarom wordt aan buitengerechtelijke kosten toegewezen een bedrag van € 49,28. Het meer gevorderde wordt afgewezen.
2.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat van het totaal van de vordering van Gemeente Amsterdam (dus niet van het beperkte gedeelte van de vordering), toewijsbaar is een bedrag van € 328,52 aan hoofdsom, met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding, € 47,33 aan vervallen wettelijke rente en € 49,28 aan buitengerechtelijke kosten.
2.9.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Amsterdam worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
124,72
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
87,00
(1 punt × € 87,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
368,22

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 375,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom van € 328,52, met ingang van 19 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 49,28 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 368,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
bepaalt dat de veroordelingen hoofdelijk gelden, in die zin dat alle gedaagden voor het geheel gehouden zijn tot betaling en dat, als de één (een deel van) de vordering heeft betaald aan Gemeente Amsterdam, ook de ander tegenover Gemeente Amsterdam van (dat deel van) de vordering is gekweten,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken op
26 mei 2026.
991

Voetnoten

1.Dit is ingevolge artikel 10 van Pro de richtlijn de datum waarop de richtlijn door de lidstaten diende te zijn geïmplementeerd.