Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5554

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
13-081318-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Litouwen

De rechtbank Amsterdam behandelt een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Litouwen voor de overlevering van een persoon die een vrijheidsstraf van één jaar en vier maanden moet uitzitten. De procedure startte op 19 mei 2026, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was en bijgestaan werd door een raadsman en tolk.

De rechtbank stelt vragen over de toepassing van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) met betrekking tot de verdedigingsrechten in de Litouwse procedure, met name over de procedure in hoger beroep en de aanwezigheid van de opgeëiste persoon daarbij. Tevens is onduidelijkheid over de invulling van het EAB en de adresinstructies in Litouwen.

Daarnaast is er een algemeen reëel gevaar vastgesteld voor onmenselijke of vernederende behandeling in Litouwse detentie-instellingen, mede door een informele hiërarchie onder gedetineerden. Hoewel de Litouwse autoriteiten maatregelen hebben genomen, acht de rechtbank de situatie nog onvoldoende verbeterd. De opgeëiste persoon kan in meerdere gevangenissen geplaatst worden, waardoor de beoordeling complex is.

De raadsman betoogt dat de overlevering niet moet plaatsvinden vanwege onvoldoende garanties voor de veiligheid van de opgeëiste persoon, die risico loopt vanwege verklaringen in een drugszaak. De officier van justitie stelt dat de verstrekte informatie voldoende is.

De rechtbank besluit het onderzoek te heropenen en te schorsen voor onbepaalde tijd om nadere informatie te verkrijgen over de verdedigingsrechten en de detentieomstandigheden, met verlenging van de beslistermijn en gevangenhouding. De zaak wordt uiterlijk 1 juli 2026 opnieuw op zitting gebracht.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek tot nadere informatie is verkregen over verdedigingsrechten en detentieomstandigheden, met verlenging van de beslistermijn en gevangenhouding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-081318-26
Datum uitspraak: 2 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2026 door
the Kaunas Regional Court,Litouwen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Litouwen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Litouwse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Kaunas Chamber of Kaunas District Court of 23 december 2024 in criminal case No. 1-3287-917/2024.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het EAB vermeldt in onderdeel b) onder meer het volgende:
The convicted person appealed against the Judgment of the Kaunas Chamber of Kaunas District Court of 23 December 2024; however, his appeal was dismissed by the ruling of Kaunas Regional Court on 24 April 2025.The Judgment of the Kaunas Chamber of Kaunas District Court of 23 December 2024 entered into force and became enforceable on 24 April 2025.
In onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat er hoger beroep was ingesteld, dat de behandeling daarvan is opgeschort, waarna hij nooit meer iets heeft vernomen over het verdere verloop van de procedure.
De rechtbank overweegt als volgt.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank heeft behoefte aan nadere informatie met betrekking tot de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure in Litouwen. Hierbij is van belang dat gelet op voorgaande overweging de procedure in hoger beroep mogelijk getoetst moet worden aan artikel 12 OLW Pro, terwijl onduidelijk is of onderdeel d) van het EAB ziet op die procedure. Mede omdat de beslissing in eerste aanleg (
Kaunas District Court, 23 december 2024) in onderdeel b) van het EAB als grondslag van het EAB wordt genoemd, lijkt onderdeel d) van het EAB ook op die procedure in eerste aanleg te zien.
Dit leidt ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
- Is de procedure in hoger beroep eindigend in
the ruling of Kaunas Regional Court on 24 April 2025de procedure waarbij de zaak ten gronde definitief is afgedaan omdat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat (zoals bedoeld in de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie met kenmerken: ECLI:EU:C:2023:1030 en ECLI:EU:C:2023:1031)?
- Is onderdeel d) van het EAB ingevuld voor de procedure in eerste aanleg of voor de procedure in hoger beroep?
- Als onderdeel d) van het EAB is ingevuld voor de procedure in eerste aanleg en het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, kunt u onderdeel d) van het EAB alsnog invullen voor de procedure in hoger beroep?
- Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij dit proces in hoger beroep en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4 bis Pro, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunnen dan de volgende vragen worden beantwoord:
o heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Litouwse autoriteiten?
o zo ja, is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de Litouwse justitiële autoriteiten moest doorgeven?
o gold deze zogenoemde ‘adresinstructie’ voor de gehele procedure, dus ook voor een procedure in hoger beroep?
o was het voor de opgeëiste persoon duidelijk dat de adresinstructie zich ook tot de procedure in hoger beroep uitstrekte?
o is de oproeping/zijn de oproepingen voor het proces dat tot de
ruling of Kaunas Regional Court on 24 April 2025heeft geleid ook daadwerkelijk aan het door de opgeëiste persoon in deze procedure opgegeven adres gezonden?

5.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Artikel 11 OLW Pro; Litouwse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft in een uitspraak van 12 december 2024 vastgesteld dat in alle detentie-instellingen in Litouwen een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [5] Het algemeen gevaar ziet met name op de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten tot gevolg.
De
Lithuanian Prison Serviceheeft op vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van 25 maart 2026 onder meer het volgende meegedeeld:
“(…) After his transfer to Lithuania [opgeëiste persoon] will be sent to Vilnius Prison or Kaunas Prison, he may spend a maximum of 10 days at one of these prisons, from where he will be directed to the particular prison where the sentence will be served. Currently, it is not possible to determine in which prison [opgeëiste persoon] would be serving his sentence of imprisonment.
(..)
The ratio of prison staff to prisoners is 1:30 and applies to all prisons in Lithuania. This applies to all days of the week throughout the day.
(..)
6. In order to control violence among inmates, leaders of the informal prison hierarchy, their accomplices, and other inmates who exert a negative influence on others are, as far as possible, kept separate from other easily influenced inmates. Leaders of the informal prison hierarchy are isolated on separate floors and in separate locked cells.7. In all prisons of Lithuania, detainees and convicts are subject to assessment on the basis of their potential risk of violence or their potential for violence, and, depending on the risks identified, detainees and convicts are differentiated and placed in cells or dormitory type room in such a way that ensures their safety. Prison staff continuously monitor the microclimate among inmates and apply preventive measures to avoid violent conflicts if they identify or receive information about any potential risk of violent conflicts among inmates, including separating inmates who may have a violent conflict, redistributing inmates in cells or isolating them.8. We note that activities in prisons are organized according to a pre-established daily schedule, thereby eliminating the possibility of detainees or convicts who pose a potential risk of conflict encountering one another in common areas and/or during activities. Furthermore, as mentioned above, inmates are taken to the yard according to the daily schedule, at the time allocated to them, together with inmates from the same living quarters.[opgeëiste persoon] safety outside the cell, i.e., in common areas and the courtyard, will be ensured by: by officers working at their assigned posts monitoring the atmosphere among inmates, thereby identifying potential triggers for violent conflicts in a timely manner and taking measures to prevent the conflict before it arises: by monitoring the situation via video cameras installed in most of the prison's common areas; by having a liaison officer communicate directly with [opgeëiste persoon] and provide him with the necessary assistance. (…)”
In reactie op vragen van het IRC van 4 mei 2026 heeft de
Lithuanian Prison Serviceonder meer het volgende meegedeeld:
“(..)If [opgeëiste persoon] were transferred to Lithuania, before placing him in a cell or living quarters, the risk of violence he might pose would be assessed, and he would be placed in a cell or living quarters where there would be no risk of violent conflicts between him and other detainees or convicts in that cell or living quarters. Prison staff constantly monitor the atmosphere among detainees and convicts; upon identifying or receiving information about a potential risk of violent conflict among detainees or convicts, they implement preventive measures to avoid violent conflict, including the separation, reassignment to different cells, or isolation of detainees or convicts between whom violent conflict may arise. We note that activities in prisons are organized according to a pre-established daily schedule, thereby eliminating the possibility of detainees or convicts who pose a potential risk of conflict encountering one another in common areas and/or during activities. Furthermore, as mentioned above, inmates are taken to the yard according to the daily schedule, at the time allocated to them, together with inmates from the same living quarters.”
In reactie op vragen van het IRC van 8 mei 2026 heeft de
Lithuanian Prison Serviceonder meer het volgende meegedeeld:
“(…) We would like to note that at this stage we are unable to specify where [opgeëiste persoon] would serve his sentence. After his transfer to Lithuania [opgeëiste persoon] will be sent to Vilnius Prison or Kaunas Prison, he may spend a maximum of 10 days at one of these prisons, from where he will be directed to the particular prison where the sentence will be served. Since [opgeëiste persoon] was sentenced to 1 year and 4 months of imprisonment, he would be assigned to serve his sentence in a semi-open prison. It is most likely that, under semi-open conditions, [opgeëiste persoon] could be assigned to serve his sentence at the Marijampolė, Alytus, Pravieniškės I, Pravieniškės II, or Vilnius prisons. Currently, it is not possible to determine in which prison [opgeëiste persoon] would be serving bis sentence of imprisonment. Please note that convicted persons are sent to specific places where the sentence is to be served, taking into account the length of time for which the sentence imposed must be served, the dangerousness and nature of the offence committed, the convicted person's health, psychological characteristics, age, ability to work, the speciality held and, where possible, the place of permanent residence of the convicted person or his/her relatives.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De aanvullende informatie over de detentieomstandigheden biedt onvoldoende concrete garanties dat het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar wordt weggenomen voor de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon loopt bovendien groot gevaar omdat hij in de strafzaak heeft verklaard over medeverdachten. Het is een drugszaak en dan is er sprake van een duidelijke hiërarchie en gevaar om geliquideerd te worden. Daarom moet de veiligheid van de opgeëiste persoon daadwerkelijk en concreet worden gegarandeerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte aanvullende informatie het gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. Hierbij heeft de officier van justitie gewezen op recente uitspraken van de rechtbank [6] waarin vergelijkbare informatie voldoende werd geacht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet – wanneer een garantie is verstrekt noch goedgekeurd door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit – uitgaan van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [7]
In de uitspraak van 12 december 2024 waarin het hiervoor benoemde algemeen gevaar werd aangenomen, overwoog de rechtbank onder meer als volgt:
Hoewel uit de reactie kan worden afgeleid dat de autoriteiten duidelijk de intentie hebben om adequate verbeteringen door te voeren, kan niet worden verwacht dat deze veranderingen op korte termijn substantieel merkbaar zullen zijn in de Litouwse detentie-instellingen. Met het doorvoeren van deze maatregelen zal immers de nodige tijd gemoeid zijn. Gezien het systemische karakter van de problemen zoals geconstateerd in de CPT-rapporten van 2023 en 2024, met name de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten als gevolg, acht de rechtbank het dan ook onwaarschijnlijk dat de in de reactie aangekondigde maatregelen op korte termijn de zorgen van het CPT afdoende zullen wegnemen.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank opnieuw vast dat in alle detentie-instellingen in Litouwen een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro.
Het is positief te noemen dat de rechtbank – ondanks het geconstateerde systemische karakter van de problemen – in enkele recente zaken de overlevering aan Litouwen heeft kunnen toestaan omdat in die zaken de doorgevoerde verbeteringen tot concrete maatregelen voor de individuele situatie van de betreffende opgeëiste persoon hebben geleid, te weten in de instelling waar die opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zou worden geplaatst. Bij de beoordeling of het vastgestelde algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon in die instelling kan worden weggenomen, gaat het om de vraag of de verstrekte informatie voldoende concrete maatregelen bevat om de opgeëiste persoon te beschermen tegen de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel), vanwege het risico op geweld of een vernederende behandeling in zijn cel, tijdens activiteiten en tijdens het verblijf van de opgeëiste persoon in de gemeenschappelijke ruimtes van die betreffende instelling.
Hoewel de verstrekte informatie in onderhavige zaak veel elementen bevat die van belang zijn bij voornoemde beoordeling, maakt het feit dat de opgeëiste persoon in vijf verschillende instellingen kan worden geplaatst de concrete inschatting van de situatie waarin de opgeëiste persoon zich naar alle waarschijnlijkheid na overlevering zal bevinden complex. Deze zaak verschilt daardoor ook met de door de officier van justitie aangehaalde zaken waarin de betrokkene naar alle waarschijnlijkheid naar één instelling ging (en waarin de verstrekte informatie overigens ook niet identiek was). De rechtbank heeft daarom behoefte aan nadere informatie.
Het onderzoek zal (ook) daarom worden heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
  • Kan – hoewel daar al eerder om is verzocht – meer duidelijkheid worden verschaft over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid wordt geplaatst?
  • Als die duidelijkheid niet kan worden gegeven; kan in dat geval worden gegarandeerd dat de reeds verstrekte informatie en garanties gelden voor alle instellingen waar de opgeëiste persoon kan worden geplaatst (Marijampolė, Alytus, Pravieniškės I, Pravieniškės II, Vilnius), aldus dat er voor de opgeëiste persoon ten aanzien van al deze instellingen concrete maatregelen zijn die zien op het voorkomen van geweld of een vernederende behandeling ten aanzien van plaatsing en verblijf in zijn cel, tijdens activiteiten en tijdens het verblijf in de gemeenschappelijke ruimtes?
Nu de beslistermijn verloopt op 15 juni 2026, zal de rechtbank ingevolge artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn met 30 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid.

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen zoals hiervoor in de rubrieken 4 en 6 is overwogen;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (eindigend op 15 juli 2026), onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk op 1 juli 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Litouwse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.