Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5550

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
13-665329-18 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na woninginbraak met betalingsverplichting

De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die onherroepelijk is veroordeeld voor medeplegen van diefstal door braak en inklimming bij een woninginbraak. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op ruim €1,1 miljoen, waarvan een derde aan veroordeelde werd toegerekend.

De verdediging betwistte de waarde van het voordeel, onder meer vanwege twijfel over de juistheid van de opgave van gestolen sieraden, en stelde het voordeel te beperken tot €2.500,-. De rechtbank verwierp deze betwisting, oordeelde dat de opgave van de benadeelde partijen betrouwbaar is en schatte het voordeel op €193.549,53, gebaseerd op een lagere verkoopopbrengst van 20% van de waarde van de gestolen goederen plus contant geld.

De rechtbank mat de betalingsverplichting met 20% vanwege een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van ruim zeven jaar sinds het voornemen tot ontneming. De draagkracht van veroordeelde en de reeds opgelegde schadevergoedingsmaatregel werden niet meegenomen in de matiging. De rechtbank legde een betalingsverplichting van €154.000,- op aan veroordeelde en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 1080 dagen.

Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde een betalingsverplichting van €154.000,- op wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel na woninginbraak.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-665329-18 (ontneming)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 14 april 2021, 21 mei 2024 en 12 mei 2026.

2.De vordering

De vordering van de officier van justitie van 12 februari 2021 strekt tot:
  • het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 1.136.459,20 en
  • het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor veroordeelde in onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 31 maart 2022 onder parketnummer 23-000648-19 ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld. [1]
Medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.
Het arrest is onherroepelijk.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat op basis van de rapportage vastgesteld kan worden dat veroordeelde en zijn mededaders € 1.136.459,20 aan wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten en dat hiervan € 378.819,73 pondspondsgewijs aan veroordeelde moet worden toegerekend.
4.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt primair de vordering af te wijzen, omdat dat de waarde van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan worden vastgesteld aan de hand van informatie die afkomstig is van de benadeelde partijen. Bovendien blijkt uit een e-mailwisseling tussen de advocaat van mededader [persoon 1] en benadeelde partij [persoon 2] dat een Franck Mullerhorloge nooit gestolen is geweest. Dat tast de betrouwbaarheid van de opgave van de gestolen sieraden door de benadeelde partijen aan, waarop de voordeelsberekening van het Openbaar Ministerie is gebaseerd. Die berekening kan daarom niet overeind blijven. Subsidiair stelt de verdediging dat het wederrechtelijk verkregen voordeel beperkt is tot € 2.500,-.
4.3
Oordeel van de rechtbank
4.3.1
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank schat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1 193.549,53.
De rechtbank ontleent deze schatting aan het met betrekking tot veroordeelde opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 10 februari 2021 (inclusief bijlagen), in het bijzonder paragraaf 5.3.1. Voor zover de rechtbank hiervan afwijkt, wordt dat hierna toegelicht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de rechtbank als volgt berekend.
Waarde weggenomen goederen [persoon 3] € 2.810.490,00
Waarde weggenomen goederen [persoon 2] € 5.253,00 +
Totale waarde weggenomen goederen € 2.815.743,00
Verkoopopbrengst goederen (20%) € 563.148,60
Contant geld € 17.500,00 +
Verkoopopbrengst + contant geld € 580.648,60
Toerekening aan veroordeelde (1/3de) € 193.549,53
4.3.2
Overwegingen
Waardebepaling van de goederen
Bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoekt de rechtbank aansluiting bij het arrest van het gerechtshof. [2] Daartoe is het volgende van belang. Vaststaat dat veroordeelde en zijn mededaders een kluis met sieraden hebben gestolen. Daarnaast is ook contant geld weggenomen. In de loop van het strafproces is een deel van de gestolen sieraden teruggevonden. Die teruggevonden sieraden bleken overeen te komen met de eerder gedane opgave daarvan door de benadeelde partijen, welke opgave ook aan de ontnemingsvordering ten grondslag ligt. Mede tegen die achtergrond bestaat er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de opgave van de gestolen sieraden door de benadeelde partijen. De waarde daarvan is onderbouwd met taxaties. Wat daar door de verdediging tegenover is gesteld kan niet als een voldoende gemotiveerde betwisting worden gezien. Er is geen rechtsregel die zich verzet tegen het gebruik van de door de benadeelde partij aangeleverde informatie in de voordeelsberekening. De rechtbank gaat daarom uit van de berekening zoals die in de ontnemingsrapportage is opgenomen.
De rechtbank betrekt bij de boordeling niet de e-mails van de benadeelde partij [persoon 2] die door de verdediging pas in een zeer laat stadium (op 12 mei 2026, als bijlage bij het pleidooi) zijn ingebracht. De rechtbank acht de inhoud van deze e-mails niet betrouwbaar, omdat het om een niet onderbouwde beschuldiging gaat van [persoon 2] aan het adres van [persoon 3] , die is geuit nadat hun relatie was geëindigd en er tussen hen kennelijk een financieel conflict was ontstaan.
Opbrengst
Bij gebrek aan concrete aanwijzingen over de daadwerkelijke opbrengst van de gestolen sieraden zal de rechtbank de vermoedelijke opbrengst dienen te schatten, temeer nu veroordeelde hierover niet heeft verklaard. De rechtbank acht daarbij het volgende relevant. De opbrengst van de inbraak bestond hoofzakelijk uit (zeer) kostbare sieraden. Vast staat dat veroordeelde en zijn mededaders direct na de inbraak naar Antwerpen zijn gegaan om een deel van de buit te verkopen. Om de waarde van individuele sieraden te kunnen bepalen zijn verschillende factoren relevant, zoals de kwaliteit van het vakmanschap of het karaatgehalte van het goud. Daarvoor is deskundigheid vereist. De rechtbank acht niet aannemelijk dat veroordeelde en zijn mededaders over die relevante deskundigheid beschikten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat veroordeelde en zijn mededaders zich toen zij sieraden verkochten niet bewust zijn geweest van de exceptionele waarde van enkele sieraden. De rechtbank noemt daarbij in het bijzonder de sieraden genoemd onder nummers 12, 13, 15, 22 en 37, die telkens een waarde vertegenwoordigen van (ruimschoots) meer dan € 200.000,00. [3] De rechtbank acht aannemelijk dat een deel van de weggenomen sieraden kort na de inbraak als bulkpartij is verkocht en dat hierbij een verkoopopbrengst is verkregen die aanzienlijk lager lag dan de werkelijke waarde. De rechtbank zal daarom uitgaan van een lagere verkoopopbrengst dan waarvan in de rapportage is uitgegaan (40%). De rechtbank schat de verkoopopbrengst van de goederen op 20% van de vastgestelde waarde. Daarnaast bestaat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het weggenomen contante geldbedrag van € 17.500,00.
Verdeling
Veroordeelde heeft met zijn twee mededaders van een strafbaar feit geprofiteerd. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. Het geschil tussen veroordeelde en zijn mededaders over een verdeling, zoals volgt uit de tapgesprekken, betreft naar het oordeel van de rechtbank geen geschil over de eindverdeling. Uit diezelfde gesprekken leidt de rechtbank namelijk af dat toen nog niet alle sieraden waren verkocht en dat veroordeelde en zijn mededaders nog over (een deel van de) sieraden konden beschikken. Veroordeelde heeft geen inzicht gegeven in de onderlinge (eind)verdeling van het behaalde voordeel. Ook overigens bieden de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten voor een andere toerekening dan een pondspondsgewijze toerekening van het voordeel aan veroordeelde en zijn mededaders. Dit zou slechts anders zijn als veroordeelde aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. De rechtbank rekent daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor een derde toe aan de veroordeelde. Dit maakt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 193.549,53.

5.De verplichting tot betaling

5.1
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de beperkte draagkracht van veroordeelde en de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Primair dient de ontneming op nihil gesteld te worden, subsidiair dient het ontnemingsbedrag met 50% gematigd te worden.
5.2
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De officier van justitie ziet geen aanleiding om op dit moment in de procedure rekening te houden met de draagkracht van veroordeelde, omdat die draagkracht in beginsel pas in de executiefase aan de orde zou moeten komen.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Draagkracht
Het uitgangspunt in ontnemingszaken is dat de draagkracht aan de orde wordt gesteld in de executiefase. Alleen als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene ten tijde van de ontnemingszaak en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben, kan daar bij het vaststellen van de betalingsverplichting al rekening mee worden gehouden. Dat van deze uitzonderingssituatie sprake is, is onvoldoende gebleken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet geen aanleiding rekening te houden met de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Niet is gebleken dat veroordeelde hiervan al een deel heeft betaald, zodat de situatie van artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht nog niet aan de orde is. In de executiefase kan hier in de toekomst zo nodig rekening mee worden gehouden.
Redelijke termijn
Bij het bepalen van de redelijke termijn neemt de rechtbank de overwegingen van de Hoge Raad in zijn standaardarrest tot uitgangspunt. [4] De redelijke termijn is in deze ontnemingszaak aangevangen op 1 februari 2019, het moment waarop de officier van justitie in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken. De rechtbank doet meer dan zeven jaren later, op 2 juni 2026, uitspraak. Dit maakt dat de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden en gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat niet volstaan kan worden met de in beginsel maximale korting van € 5.000,00 die de Hoge Raad, oordelend als feitenrechter, hanteert. Alles afwegende zal de rechtbank de betalingsverplichting met 20% matigen, tot (afgerond) € 154.000,00.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 193.549,53 (honderddrieënnegentigduizend vijfhonderdnegenenveertig euro en drieënvijftig cent).
Legt op aan
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van € 154.000,00 (honderdvierenvijftigduizend euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 (duizendentachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026].

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 31 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:970.
2.Hof Amsterdam 31 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:970, pag. 10, alinea 2.
3.Ontnemingsrapportage contra [veroordeelde] , p. 8-9.