Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De vordering
- het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 1.136.459,20 en
- het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel.
3.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
equality of armsdat daarin is opgenomen.
4.Grondslag van de vordering
1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
2. eenvoudig witwassen.
5.Het wederrechtelijk verkregen voordeel
de factodoor de benadeelde partij is onderbouwd. Bovendien blijkt uit een e-mailwisseling met benadeelde partij [persoon 1] dat een Franck Mullerhorloge nooit gestolen is geweest. Dat tast de betrouwbaarheid van de opgave van de gestolen sieraden door de benadeelde partijen aan, waarop de voordeelsberekening van het Openbaar Ministerie is gebaseerd. Die berekening kan daarom niet overeind blijven. Subsidiair is volgens de verdediging geen sprake van relevant wederrechtelijk verkregen voordeel, waardoor de vordering moet worden afgewezen.
6.De verplichting tot betaling
7.Toepasselijke wettelijke voorschriften
8.Beslissing
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van € 144.000,00 (honderdvierenveertigduizend euro) aan de Staat.