ECLI:NL:RBAMS:2026:5505

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
12171033 CV EXPL 26-5086
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 103 RvRichtlijn 93/13 EGArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand en proceskosten bij beëindigde huurovereenkomst

In deze bodemzaak vordert de eisende partij betaling van huurachterstand en herstelkosten van een woning, vermeerderd met rente en kosten. De huurovereenkomst tussen partijen is per 14 april 2025 beëindigd. De gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend.

De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst en algemene voorwaarden aan Richtlijn 93/13 EG inzake oneerlijke bedingen. Kernbedingen zoals huurprijs en servicekosten zijn transparant en uitgesloten van toetsing. Diverse bepalingen uit de algemene voorwaarden worden getoetst en grotendeels niet oneerlijk bevonden.

Echter, artikel 12.2 inzake proceskosten is oneerlijk omdat het meer kosten toelaat dan wettelijk is toegestaan. Ook de combinatie van rente en boete bij niet-tijdige betaling wordt als oneerlijk beoordeeld, waardoor de rentevordering wordt afgewezen. De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van de huurachterstand, herstelkosten, incassokosten en proceskosten, en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, herstelkosten, incassokosten en proceskosten, rentevordering wordt afgewezen wegens oneerlijke bedingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12171033 CV EXPL 26-5086
vonnis van: 8 mei 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Stichting de Alliantie

statutair gevestigd te Hilversum
eisende partij
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert in deze procedure betaling van huurachterstand en (herstel)kosten eindoplevering woning vermeerderd met rente en kosten.
2. Nu het gehuurde is gelegen in het arrondissement van deze rechtbank, is de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 103 Rv Pro bevoegd om van deze vordering kennis te nemen, ondanks dat de woonplaats van gedaagde partij buiten dit arrondissement is gelegen.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene huurvoorwaarden woonruimte de Alliantie van 1 november 2017 (hierna: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. De voorgenoemde huurovereenkomst is per 14 april 2025 beëindigd.
5. Eisende partij heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat in de algemene voorwaarden geen bepalingen staan die kunnen worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13 EEG.
6. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
7. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 4.2 tweede zin (huurprijswijziging) uit de huurovereenkomst en de artikelen 4.1, 4,2 (wijziging voorschot servicekosten en verrekening/afrekening servicekosten), 12.1 tweede alinea (buitengerechtelijke incassokosten), 12.4 eerste zin (huurprijsverhoging) en 18 (Oplevering gehuurde) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
8. Ook de artikelen 12.1 (eerste zin), 12.2 en 14.3 van de algemene voorwaarden zijn getoetst. Deze artikelen luiden als volgt.
Indien huurder een aan verhuurder verschuldigd bedrag niet volledig en stipt op de vervaldag voldoet, treedt verzuim zonder ingebrekestelling in en is huurder vanaf dat moment de wettelijke rente verschuldigd.
Indien huurder in verzuim is met de nakoming van enige andere verplichting die voortvloeit uit de wet, de huurovereenkomst of de Algemene Huurvoorwaarden en verhuurder daarvoor (buiten)gerechtelijke maatregelen moeten treffen, zijn alle de daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van huurder.
Indien huurder een ander voorschrift dat voortvloeit uit de wet, de huurovereenkomst of de Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, verbeurt huurder een direct opeisbare boete van € 25,- per dag dat de overtreding voortduurt tot ten hoogste € 25.000,-.
9. Artikel 12.2 van de algemene voorwaarden is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
10. Over artikel 12.1 (eerste zin) en 14.3 van de algemene voorwaarden wordt het volgende overwogen. Artikel 12.1 (eerste zin) is op zichzelf niet oneerlijk, nu daarin aanspraak wordt gemaakt op wettelijke rente. Door de combinatie van dit beding met artikel 14.3 kan eiseres in geval van niet-tijdige betaling van de huur echter zowel aanspraak maken op rente als op een boete. Dat is oneerlijk. Beide bedingen worden daarom buiten toepassing gelaten en de gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen.
De vordering
11. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 4.503,18 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met het einde van de huurovereenkomst (14 april 2025) en (herstel)kosten eindoplevering met betrekking tot de woning aan het adres [adres];
b) € 696,14 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw);
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 151,97 aan explootkosten, € 360,00 aan salaris gemachtigde, € 559,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.