ECLI:NL:RBAMS:2026:5498

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
11957101 / CV EXPL 25-15516
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • M.F. van Schendel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 150 RvArt. 6:233 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor gebreken aan epoxy gietvloer en bewijslevering algemene voorwaarden

Eiser gaf opdracht aan gedaagde voor het aanbrengen van een epoxy gietvloer in haar bedrijfspand. Na oplevering constateerde eiser meerdere gebreken, waaronder het ontbreken van de overeengekomen vlok en glooiingen in de vloer. Gedaagde erkende het ontbreken van de vlok maar stelde dat er geen esthetische eisen aan een industriële gietvloer gesteld konden worden en dat aansprakelijkheid beperkt was via algemene voorwaarden.

De rechtbank stelde vast dat het ontbreken van de vlok en de glooiingen daadwerkelijk gebreken zijn die deugdelijk herstel of schadevergoeding rechtvaardigen. De overige gebreken, zoals krassen en vervuilingen, werden niet als tekortkomingen aangemerkt vanwege onvoldoende bewijs en uitsluiting in de voorwaarden.

Gedaagde is in verzuim omdat zij niet op de ingebrekestelling heeft gereageerd. De schadevergoeding wordt vastgesteld op €21.728,28, gebaseerd op een deskundigenrapport. De aansprakelijkheid kan worden gemaximeerd op het factuurbedrag indien gedaagde kan bewijzen dat zij eiser een redelijke mogelijkheid heeft geboden kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Eiser krijgt de gelegenheid haar eis te wijzigen en de zaak wordt aangehouden voor bewijslevering en reactie.

Uitkomst: Gedaagde is aansprakelijk voor twee gebreken aan de gietvloer en moet schadevergoeding betalen, met bewijsopdracht over kennisgeving algemene voorwaarden en mogelijkheid tot eiswijziging voor eiser.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11957101 \ CV EXPL 25-15516
Vonnis van 17 april 2026
in de zaak van
VOF [eiser],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
COATINGVLOER & COMPANY B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Coating,
gemachtigde: mr. I. van Leusden-Willemse.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 januari 2026;
- de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 8 april 2024 heeft [eiser] aan Coating de opdracht gegeven voor het aanbrengen van een epoxy gietvloer in het bedrijfspand van [eiser] . In de opdrachtbevestiging staat onder meer dat [eiser] bij Coating voor 358 vierkante meter “
EP Gietvloer A300” heeft besteld en daarbij voor hetzelfde oppervlak “
Instrooien met F36 vlok” heeft afgenomen. Op de EP Gietvloer A300 is een korting van 10% gegeven, op de F36 vlok is 100% korting gegeven.
2.2.
In de opdrachtbevestiging is verder opgenomen, voor zover relevant:

Aanvullende voorwaarden:
● Een kunstharsvloer is een dunne afwerking zodat dunne oneffenheden en onvolkomenheden in de ondergrond zoals onder meer scheuren, gaatjes, glooiingen, spaanslagen, kleurverschillen, straal/schuurbanen e.d. zichtbaar kunnen blijven. Het zichtbaar blijven van dergelijke onvolkomenheden uit de ondergrond vormen geen gebrek en opdrachtgever is van deze mogelijkheid op de hoogte.(…)
● Vloer voldoet aan gemiddelde krassterkte (meting N) conform getoonde showroomvloer/monster.
(….)
Onze werkzaamheden en de genoemde prijzen zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
● De ondergrond c.q. ruimte dient droog, vlak, dicht, schoon, volledig ontruimd, voldoende verlicht, wind en waterdicht te zijn.
(…)
● Schade ontstaan door te snelle ingebruikname, het betreden tijdens uitharden, lekkages en/of invallend vuil en ongedierte is voor rekening van de opdrachtgever.
(…)”
2.3.
Aan de opdrachtbevestiging is ook een ‘
Checklist Kunstharsvloeren’ gehecht. Daarin is opgenomen, voor zover relevant:

● Afhankelijk van de intensiteit van het gebruik, kunnen krassen in de toplaag van de vloer ontstaan. Dit is een kenmerk van kunstharsvloeren en vormt geen gebrek, zodat wij daarvoor niet aansprakelijk zijn.
(…)
● Vervuiling in de vorm van straalkorrels, kwartsharen, insecten, e.d. kunnen ondanks zorgvuldigheid bij de applicatie optreden, dit vormt echter geen grond voor aansprakelijkheid.
2.4.
Op 21 mei 2024 is Coating begonnen met het leggen van de vloer bij [eiser] . Op 25 mei 2024 waren de werkzaamheden afgerond.
2.5.
Op 27 mei 2024 heeft dhr. [naam 1] , vennoot van [eiser] , een bericht aan Coating gestuurd over het feit dat de overeengekomen vlokken niet in de gietvloer waren aangebracht, geklaagd over andere gebreken aan de gietvloer en gevraagd of een medewerker van Coating langs zou kunnen komen om de gietvloer te inspecteren.
2.6.
Op 28 mei 2024 heeft Coating erkend dat de overeengekomen vlok niet was aangebracht in de gietvloer en als oplossing aangeboden om een matte laag aan te brengen op de gietvloer:
“(…)
De vloer is een industriële vloer en wordt gegoten. Door dat de vloer nu hel[e]
maal glimmend is, zonder matte coating of spikkels vallen de gietbewegingen nu juist op. Kleine oneffenheden zullen dan ook te zien zijn in de vloer.
Met de matte Coating is dit verholpen, wil je dat ik dat voor jullie in werking zet?
2.7.
Op 26 juni 2024 is een medewerker van Coating bij [eiser] langsgekomen om de gietvloer te inspecteren. Op 27 juni 2024 schreef dhr. [naam 2] namens Coating aan [eiser] :

De golfbewegingen die welke jullie aangeven, zijn alleen te zien bij een bepaalde hoek / strijklicht. Er is een lichtstraat aanwezig waarbij de reflectie van het licht te zien is in de vloer. Spaan/gietbewegingen zijn in de reflectie daardoor te zien, dit is geen gebrek van de epoxyvloer.(…)
Een financiële compensatie zie ik dan ook niet als oplossing voor jullie klacht over de vloer. Dit zal het uiterlijk van de vloer niet veranderen. We kunnen de vloer nog wel een keer mat aflakken dit zal een groot deel van de reflectie wegnemen en de giet / spaan bewegingen sterk verminderen.
2.8.
Op 12 juli 2024 reageerde [eiser] dat zij graag de matte afwerking wenste:

We gaan akkoord met de matte afwerking maar dan wel graag met de keramische vlokken zoals je collega aangaf. Dan hebben we alsnog een beetje de “look” die wij hebben/hadden gekozen/gekocht.
2.9.
Op 15 juli 2024 reageerde dhr. [naam 2] namens Coating dat het aanbrengen van een matte laag geen zin meer zou hebben omdat de vloer in gebruik zou zijn genomen:
“(…)
Heb ik direct proberen te schakelen om een matte coating aan te bieden. Dat is nu circa 8 weken geleden. De vloer is ondertussen in gebruik genomen en ik adviseer dit niet meer uit te voeren.(…)
Mijn collega [naam 3] is bij jullie langs geweest en heeft de vloer gezien. Door de lichtstraat is er reflectie in de vloer en zijn de bewegingen alleen te zien bij strijklicht. Dit is dan ook geen gebrek in de vloer. Mijn advies is om de vloer te gebruiken en de ruimte in te richten. De vloer zal met gebruik matter worden en de reflectie zal dan voor een groot deel verminderen.
2.10.
Op 23 juli 2024 heeft [eiser] een ingebrekestelling aan Coating gestuurd met daarin het verzoek aan Coating om binnen twee weken alsnog haar verplichtingen ten aanzien van [eiser] na te komen, bij gebreke waarvan Coating in verzuim is en [eiser] haar aansprakelijk stelt voor de door geleden en te lijden schade. Coating heeft hier niet op gereageerd.
2.11.
Op 12 november 2024 heeft de advocaat van [eiser] bij Coating aangekondigd dat er een deskundigenonderzoek van de gietvloer zou plaatsvinden en Coating uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn. Coating heeft die uitnodiging niet geaccepteerd.
2.12.
Op 15 november 2025 schreef dhr. Plugge namens Coating aan [eiser] :

Bij plaatsing is inderdaad geen F36 vlok ingestrooid. Dat is voor u financieel gecompenseerd. Het ontbreken van de vlok doet geen afbreuk aan de technische kwaliteit van de vloer. Aan uw vloer kunnen geen esthetische eisen worden gesteld. Er zijn dan ook geen gebreken in de vloer.
Om tegemoet te komen aan uw bezwaren, is door ons aangeboden om een matte coating aan te brengen. Daarmee zouden uw bezwaren worden weggenomen. U bent daar niet mee akkoord gegaan, althans stelde daaraan dermate eisen die u niet van ons mocht verwachten (in de vorm van een extra financiële compensatie). Wij zijn van mening dat de vloer voldoet aan hetgeen u daarvan redelijkerwijs mag verwachten. De extra werkzaamheden in het aanbrengen van een matte coating had uw bezwaren weg kunnen nemen en hebben wij uit coulance kosteloos voor u willen uitvoeren. Nu u daar niet mee akkoord bent gegaan, is dat voor uw rekening en risico. Wij zijn nog altijd bereid om de vloer mat af te lakken, met alle risico’s van dien zoals eerder (15-07 gemeld(…)
2.13.
Op 27 maart 2025 heeft Expertise Bureau Noord (hierna: EBN) een deskundigenrapport uitgebracht over de gietvloer (hierna: het Rapport).
2.14.
Op 11 april 2025 heeft [eiser] aan Coating bericht dat zij haar vordering tot herstel om zou zetten in een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:87 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – betaling door Coating van € 23.725,25 (bestaande uit een hoofdsom van € 21.728,28 aan schadevergoeding vermeerderd met rente en kosten), vermeerderd met wettelijke handelsrente en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen [eiser] en Coating is een overeenkomst van opdracht gesloten, op grond waarvan Coating een epoxy gietvloer in het bedrijfspand van [eiser] heeft gelegd. Na het leggen van de gietvloer heeft [eiser] meerdere gebreken geconstateerd aan de gietvloer: (i) de overeengekomen vlok is niet aangebracht, (ii) er is sprake van glooiingen in de gietvloer, (iii) de gietvloer is niet krasbestendig en (iv) de gietvloer bevat vervuilingen en oneffenheden. [eiser] heeft Coating de mogelijkheid geboden om die gebreken te herstellen maar Coating heeft dat niet gedaan. [eiser] heeft daarom haar vordering tot herstel omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding op grond van artikel 6:87 BW Pro.
3.3.
Coating voert verweer en voert daartoe het volgende aan. Er is geen sprake van gebreken aan de gietvloer die Coating bij [eiser] heeft gelegd. [eiser] heeft gekozen voor een industriële gietvloer die in een magazijn is gelegd en daaraan mogen geen esthetische eisen worden gesteld. De door [eiser] gestelde gebreken aan de vloer zijn esthetisch van aard en/of de aansprakelijkheid van Coating voor de gebreken is uitgesloten in de opdrachtbevestiging. Coating is daarom niet aansprakelijk voor de door [eiser] gestelde geleden schade. Voor zover Coating wel aansprakelijk is voor enige schade, staat de door [eiser] gevorderde schade niet in verhouding tot de gestelde gebreken en is de aansprakelijkheid van Coating op grond van de algemene voorwaarden gemaximeerd tot het factuurbedrag. Ook is geen sprake van verzuim bij Coating.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op [eiser] de stelplicht en de bewijslast rust van de stellingen dat er sprake is van gebreken aan de gietvloer en dat [eiser] daardoor schade heeft geleden. Dat betekent dat [eiser] voldoende concreet moet stellen en bij betwisting moet bewijzen dat en waarom de gietvloer gebrekkig is en welke schade [eiser] daardoor specifiek heeft geleden. [eiser] is daarin geslaagd ten aanzien van twee van de vier door [eiser] gestelde gebreken. De kantonrechter licht dat hierna toe.
Het ontbreken van de vlok
4.2.
Wat betreft de vlok zijn partijen het erover eens dat die niet is aangebracht terwijl partijen dat wel hadden afgesproken. Dat Coating voor de vlokken een korting van 100% heeft gegeven doet daar niet aan af. Op Coating rustte de verplichting om de vlok aan te brengen in de gietvloer en Coating heeft dat heeft nagelaten. Dat betekent dat Coating tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] en de gietvloer om die reden niet voldoet aan wat [eiser] daarvan mocht verwachten. Dat levert een gebrek op aan de gietvloer.
4.3.
Coating voert aan dat het ontbreken van de vlok geen gebrek is omdat er geen esthetische eisen mogen worden gesteld aan een industriële gietvloer en de door [eiser] gekozen vlok slechts een esthetische functie heeft. Dit verweer faalt.
4.4.
Partijen zijn het er over eens dat de vlok een esthetisch doel had. [eiser] koos onder andere voor de vlok vanwege het effect daarvan op het uiterlijk van de vloer. Coating heeft ook aangegeven dat de vlok oneffenheden in de vloer in enige mate zou maskeren. EBN onderschrijft dat in het Rapport (p. 9 en 10): “
Op de duurzaamheid hebben de vlokken geen invloed. Wel zullen oneffenheden in de ondergrond minder snel opvallen bij de toepassing van de vlokken.(…)
Ook het ontbreken van de vlokken heeft als consequentie dat de golven beter zichtbaar zijn c.q. meer opvallen.
4.5.
Dat de door [eiser] gekozen gietvloer in een bedrijfspand is aangebracht, leidt er echter niet toe dat daar helemaal geen esthetische eisen aan kunnen worden gesteld. Ook van een (industriële) gietvloer in een bedrijfspand kan een afnemer esthetische verwachtingen hebben. Niet is gesteld of gebleken dat door Coating tegenover [eiser] specifiek een voorbehoud is gemaakt wat betreft de esthetische eisen aan de gietvloer of dat [eiser] er door Coating op is gewezen dat zij voor een industriële gietvloer koos waaraan, aldus Coating, helemaal geen esthetische eisen kunnen worden gesteld. Een verwijzing naar de door Coating overgelegde richtlijn ter beoordeling van gietvloeren op esthetische aspecten ontbreekt in de tussen partijen gesloten overeenkomst.
De glooiingen in de gietvloer
4.6.
Ook wat betreft de glooiingen is sprake van een gebrek.
4.7.
Uit het Rapport en de overgelegde foto’s blijkt dat sprake is van glooiingen in de gietvloer die buiten de normale verwachtingen vallen die [eiser] van een epoxy gietvloer zou mogen hebben en die afbreuk doen aan het uiterlijk en de duurzaamheid van de vloer. Zo overweegt EBN in het Rapport (p. 10 en 11): “
Er zijn golvende patronen te zien in de vloer, min of meer halvemaanvormig.(…)
Deze golven vallen extra op door strijklicht van de gevelopeningen / daklichten en het glanzende oppervlak van de vloer.(…)
Het lijkt erop dat de golven niet in de ondergrond aanwezig zijn maar in de gietvloer zelf. Indien deze in de ondergrond hadden gezeten dan was dat van tevoren wel zichtbaar geweest en dan had aannemer daarvoor kunnen waarschuwen.(…)
Vermoedelijk is tijdens de aanbrengen van de gietvloer een fout gemaakt (bijvoorbeeld het niet goed verdelen van de coating) in het aanbrengen en/of de samenstelling van het materiaal. Dergelijke vloeren vloeien uit (vandaar ook de naam gietvloer) waardoor dergelijke golven niet in de mate voorkomen zoals nu geconstateerd is door EBN. Er kunnen wel lichte aanzettingen zijn, maar daar is hier geen sprake van.(…)
Ter plaatse van de golven en de vervuilingen zal de vloer anders gaan slijten (door de oneffenheden) dan ernaast. Hierdoor zal de vloer er versneld anders uit gaan zien c.q. sneller gaan slijten. Esthetisch zijn de golven en vervuilingen ontsierend.
4.8.
In het kader van de glooiingen heeft Coating zich opnieuw op het standpunt gesteld dat [eiser] aan de gietvloer geen enkele esthetische eis mag stellen. Daarvoor geldt het hiervoor in 4.5 overwogene; dat verweer faalt ook hier. Coating heeft verder aangevoerd dat de glooiingen alleen zichtbaar zijn door de aanwezigheid van strijklicht en er om die reden geen sprake zou zijn van een gebrek. Dat blijkt echter niet uit het Rapport: EBN merkt op dat het aanwezige strijklicht de glooiingen
extrazichtbaar maakt. Ook dit verweer faalt.
4.9.
Aansprakelijkheid van Coating voor de geconstateerde glooiingen is bij het aangaan van de overeenkomst in dit geval niet uitgesloten. In de opdrachtbevestiging is weliswaar opgenomen dat Coating niet aansprakelijk is voor glooiingen die zijn ontstaan
als gevolg van de ondergrond. Ter zitting is evenwel besproken dat [eiser] , op advies van Coating, de ondergrond voorafgaand aan het gieten van de vloer uitgebreid heeft laten voorbewerken en heeft Coating aangegeven dat tijdens de voorinspectie van de ondergrond door Coating geen glooiingen zijn geconstateerd die hadden kunnen leiden tot het golfpatroon zoals dat nu in de gietvloer aanwezig is. Dit blijkt ook niet uit het rapport van voorinspectie van de ondergrond en een dergelijke opmerking maakt EBN ook in het Rapport, zoals hiervoor geciteerd in 4.7. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de glooiingen in de gietvloer niet zijn ontstaan als gevolg van de ondergrond, maar tijdens het aanbrengen van de gietvloer.
4.10.
Het door Coating ingebrachte rapport van [website] en de bezwaren van Coating tegen het Rapport maken het voorgaande niet anders. Dat EBN een door [eiser] ingeschakelde expert is, maakt het Rapport niet direct onbetrouwbaar. De advocaat van [eiser] heeft Coating laten weten dat EBN een inspectie van de gietvloer zou doen en daarvan een rapport zou opmaken. EBN heeft Coating daar ook voor uitgenodigd. Coating heeft er zelf voor gekozen niet bij de inspectie aanwezig te zijn en daardoor haar mogelijkheid om input te kunnen leveren op de inspectie en het rapport niet benut. Dat kan [eiser] niet worden tegengeworpen. Daar staat tegenover dat [website] een leverancier is van Coating en dat [website] zelf geen inspectie heeft gedaan van de gietvloer maar enkel heeft gereageerd op het Rapport en de daarin opgenomen foto’s en bevindingen. Dat biedt in dit geval onvoldoende tegengewicht aan de conclusies van EBN in het Rapport.
Vervuiling en krassen in de gietvloer
4.11.
De door [eiser] gestelde vervuiling en krassen in de gietvloer leiden niet tot aansprakelijkheid van Coating.
4.12.
Het Rapport biedt geen onderbouwing van de stelling van [eiser] dat de gietvloer niet de krasbestendigheid heeft die [eiser] daarvan mocht verwachten. EBN merkt daarover op in het Rapport (p. 9 en 11): “
Vaststelling van de krasvastheid van een bepaalde vloer kan alleen door een specialistisch bedrijf worden vastgesteld.(…)
Zoals aangegeven bestaat er niet zoiets[als]
een krasvrije vloer. Of hier ten onrechte te hoge verwachtingen zijn gewekt bij opdrachtgever of e.e.a. daadwerkelijk is besproken kan EBN niet toetsen, immers EBN is niet bij het voortraject aanwezig geweest. En in de opdrachtbevestiging wordt niet specifiek een krasvastheid weergegeven(…)” Een andere onderbouwing van haar stelling dat de gietvloer te krasgevoelig is, heeft [eiser] niet gegeven. Dat had wel van [eiser] mogen worden verwacht, mede gelet op de uitdrukkelijke betwisting van dit gebrek door Coating en de waarschuwing voor krassen in de vloer in de opdrachtbevestiging. Dit levert daarom geen gebrek op aan de gietvloer.
4.13.
Wat betreft de gestelde vervuiling van de vloer blijkt uit het Rapport wel dat er sprake is van vervuiling, maar EBN wijst daarvoor twee mogelijke oorzaken aan (op p. 10): “
Er is tevens een aanzienlijke vervuiling in de vloer aanwezig (zie foto 5 en 6). Dit zijn vrij grote bultjes en deze komen voor over de gehele vloer. De oorzaak hiervan is dat de vloer niet goed stofvrij is gemaakt voor het aanbrengen en/of dat tijdens het aanbrengen er stof in de vloer is gekomen.” Voor deze oorzaken geldt dat de opdrachtbevestiging zowel bepaalt dat de opdrachtgever de verantwoordelijkheid heeft om de ruimte schoon aan te leveren als dat Coating expliciet niet aansprakelijk is voor invallend vuil, ongedierte of andere soort vervuiling tijdens het leggen van de vloer. De door EBN geconstateerde vervuiling levert daarom ook geen gebrek op aan de gietvloer.
Schade
4.14.
Resultaat van het voorgaande is dat Coating haar verplichting jegens [eiser] om een gietvloer aan te brengen niet deugdelijk is nagekomen. De verbintenis om de gebreken te herstellen is door [eiser] met de verklaring van 11 april 2025 omgezet in een verbintenis tot het betalen van een vervangende schadevergoeding (conform artikel 6:87 BW Pro). De kantonrechter overweegt over de omvang van de schade van [eiser] als volgt.
4.15.
De kantonrechter neemt bij het vaststellen van de schade het Rapport als uitgangspunt. De schade komt neer op de in het Rapport opgenomen herstelkosten van € 21.728,28 voor de gehele vloer, inclusief btw. Daartoe behoren ook de kosten voor het verplaatsen van materiaal, nu die aldus het Rapport noodzakelijk zijn om de gebreken aan de gietvloer te herstellen.
4.16.
Coating heeft aangevoerd dat EBN in het Rapport ten onrechte is uitgegaan van een indexatie van de kosten. Voor begroting van de schade dient echter het moment van omzetting van 11 april 2025 als peildatum te worden genomen (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 september 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2984). De schadevergoeding moet [eiser] in staat stellen de gemiste prestatie alsnog bij een derde te verwerven. Nu het Rapport dateert van 27 maart 2025 komt het Rapport voldoende in de buurt van de peildatum voor begroting van de door [eiser] geleden schade.
4.17.
Coating heeft verder aangevoerd dat de gevorderde schade niet proportioneel is in verhouding tot de gebreken omdat (i) de geconstateerde gebreken geen afbreuk doen aan de technische kwaliteit van de vloer en [eiser] daar geen esthetische eisen aan mag stellen en (ii) het aanbrengen van een matte coating de klachten van [eiser] ook zou verhelpen, terwijl dat een goedkoper alternatief zou zijn.
4.18.
Wat betreft (i) geldt ook hier dat [eiser] ook esthetische verwachtingen van de gietvloer mocht hebben en dat om die reden ook sprake is van gebreken aan de gietvloer. [eiser] kan vervangende schadevergoeding vorderen ter herstel van die gebreken.
4.19.
Wat betreft (ii) heeft EBN in het Rapport voldoende toegelicht welke werkzaamheden nodig zijn om de geconstateerde gebreken te verhelpen. Over het aanbrengen van een matte coating merkt EBN op (p. 11): “
Een nadeel is dat de vloer een andere uitstraling krijg, mogelijk een door opdrachtgever niet gewenst eindproduct.” Het aanbrengen van een matte coating zou leiden tot een andere gietvloer dan [eiser] bij Coating oorspronkelijk heeft afgenomen. Dit zou de gebreken aan de vloer niet volledig verhelpen. Coating heeft zich in dit kader ook onterecht op het standpunt gesteld dat het aanbod tot het aanbrengen van een matte coating door [eiser] niet is geaccepteerd. Uit de berichtgeving blijkt dat [eiser] uiteindelijk op 12 juli 2024 akkoord ging met het voorstel van Coating van 28 juni 2024, waarop Coating drie dagen later (op 15 juli 2024) plots reageerde dat de matte coating nu niet meer kon worden aangebracht omdat de vloer in gebruik zou zijn genomen. Coating adviseerde daarom om dit niet meer te doen. Dat standpunt heeft Coating daarna herhaald bij bericht van 15 november 2025 en ter zitting. Daarmee heeft Coating onvoldoende onderbouwd dat de gebreken op een andere manier hersteld zouden (of hadden) kunnen worden en de door [eiser] gevorderde schade daarom niet proportioneel zou zijn.
4.20.
De kantonrechter stelt vast dat Coating de schade van € 21.728,28 aan [eiser] moet vergoeden.
Verzuim
4.21.
Het verweer van Coating dat [eiser] geen schadevergoeding kan vorderen omdat Coating niet in verzuim is, gaat niet op.
4.22.
[eiser] heeft een ingebrekestelling gestuurd op 23 juli 2024 waarin [eiser] de door haar geconstateerde gebreken aan de vloer heeft opgesomd en Coating twee weken heeft gegund om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, bij gebreke waarvan Coating aansprakelijk zou worden houden voor de door [eiser] geleden schade. Dat herstel op dat moment niet meer zou kunnen door het alsnog aanbrengen van een vlok – zoals Coating stelt – doet niet af aan de mogelijkheid voor Coating om anderszins nog aan haar verplichtingen tegenover [eiser] te voldoen en de gebreken volledig te herstellen. Coating heeft dat niet gedaan; zij heeft in het geheel niet gereageerd op de ingebrekestelling. Coating is daardoor na verstrijken van de twee weken in verzuim geraakt.
4.23.
Nadat het verzuim van Coating was ingetreden, kon [eiser] Coating op 11 april 2025 berichten dat [eiser] haar vordering tot herstel had omgezet in een vordering tot schadevergoeding.
Algemene voorwaarden
4.24.
Coating heeft gesteld dat de aansprakelijkheid van Coating op grond van artikel 21 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden gemaximeerd is tot het totale factuurbedrag van € 19.474,98 inclusief btw en dat de vorderingen van [eiser] voor zover die dat bedrag overstijgen moeten worden afgewezen. Ter zitting heeft [eiser] met een beroep op artikel 6:233 sub b BW Pro de vernietiging van deze algemene voorwaarden ingeroepen omdat [eiser] deze niet heeft ontvangen van Coating bij het aangaan van de opdrachtovereenkomst. Coating heeft dat betwist en gesteld dat Coating deze wel aan [eiser] heeft toegezonden, en bewijs aangeboden van die stelling. Coating draagt van die stelling ook de bewijslast (Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394).
4.25.
Nu uit het voorgaande volgt dat de door [eiser] geleden schade het factuurbedrag overstijgt, zal de kantonrechter Coating de opdracht geven tot het leveren van bewijs van haar stelling dat Coating aan [eiser] wel een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Nu Coating ter zitting heeft aangegeven dat dit per e-mail is gebeurd en dat de algemene voorwaarden ook online te vinden zijn, gaat de kantonrechter er bij het geven van de bewijsopdracht vanuit dat dit bewijs zal worden geleverd door het overleggen van bewijsstukken. Nadat Coating de stukken bij akte in geding heeft gebracht, zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld daar bij akte op te reageren.
4.26.
Indien Coating in haar bewijsopdracht slaagt, zal de toegewezen vordering bij eindvonnis worden gemaximeerd op het totale factuurbedrag van € 19.474,98.
Eiswijziging [eiser]
4.27.
Ter zitting is verder besproken dat [eiser] in de dagvaarding heeft gesteld dat [eiser] ook schade heeft geleden in de vorm van de kosten voor het expertiserapport ter hoogte van € 1.240,25, maar dat [eiser] dit bedrag niet heeft opgenomen in het petitum van de dagvaarding. Coating heeft wel verweer gevoerd tegen deze kosten. Nu de zaak niet voor vonnis komt te staan maar voor akte bewijslevering, zal de kantonrechter [eiser] tegelijk in staat stellen tot het wijzigen van eis bij akte. Indien zij daartoe overgaat, zal Coating in de gelegenheid worden gesteld daar bij akte op te reageren.
4.28.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
draagt Coating op te bewijzen dat Coating aan [eiser] een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen door middel van het overleggen van bewijsstukken,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
vrijdag 15 mei 2026voor:
  • akte bewijslevering
  • akte eiswijziging
5.3.
bepaalt dat de zaak daarna weer op de rol zal komen met een termijn van 4 weken voor:
  • akte uitlating door [eiser] in reactie op de akte genomen door Coating op grond van 5.2, en
  • akte uitlating door Coating ter reactie op de akte genomen door [eiser] op grond van 5.2;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.