Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
STICHTING GREENPEACE INTERNATIONAL,
ENERGY TRANSFER LP,
ENERGY TRANSFER OPERATING, L.P.,
DAKOTA ACCESS LLC,
1.De procedure
- de dagvaarding van 11 februari 2025, met producties,
- het vervangend processtuk van de incidentele conclusie strekkende tot exceptie van onbevoegdheid van rechtsmacht tevens litispendentie, met producties,
- de conclusie van antwoord in het incident strekkende tot exceptie van onbevoegdheid van rechtsmacht tevens litispendentie, met producties,
- de e-mail van 11 december 2025 van deze rechtbank waarin een mondelinge behandeling in het incident (op verzoek van partijen) is gelast,
- de akte wijziging statutaire naam van GPI,
- de akte overlegging producties 55 tot en met 58 van GPI,
- de akte overlegging producties 74 tot en met 108 van ET,
- het proces-verbaal van de op 16 april 2026 gehouden mondelinge behandeling en de daarin opgenomen proceshandelingen en processtukken,
- de brief van 12 mei 2026 van mr. Jurjens met aanvullingen op het proces-verbaal,
- de brief van 13 mei 2026 van mr. Duyvensz met aanvullingen op het proces-verbaal.
2.De feiten in het incident
“exemplary damages”, die kunnen oplopen tot tweemaal het toegewezen bedrag aan gevorderde schadevergoeding.
- het maken van een
- het hebben van een extremistische agenda door
- het opzetten van een
- het plegen van
- zich diffamerend uit te laten over ET,
- het ondernemen van allerlei acties zoals inbraak, hinder, vernielingen, bedreigingen, sabotage, het onrechtmatig betreden van land, en anderen opzetten tot het betreden van land, hulp bieden aan andere demonstranten, onrechtmatig bemoeien met zakelijke relaties van ET en ‘civil conspiracy’ met de andere gedaagden om dit alles te bereiken.
“GREENPEACE LAWSUIT: THE FACTS ABOUT ENERGY TRANSFER PARTNERS VS. GREENPEACE”.
3.Het geschil
- het uiten van onjuiste informatie over ET en DAPL,
- extremistische en terroristische doeleinden en
- allerlei strafbare feiten die GPI niet heeft gepleegd.
- i) de behandeling van de zaak aanhoudt totdat in de Staatsrechtzaak dan wel in een daaropvolgend hoger beroep een in kracht van gewijsde gegane eindbeslissing is gewezen en
- ii) nadat die voornoemde in kracht van gewijsde gegane eindbeslissing is gewezen, zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen van GPI (op ET).
Handlungsort). Of deze rechtbank rechtsmacht toekomt op grond van de in Nederland ingetreden gestelde schade (
Erfolgsort) dient te worden getoetst aan de jurisprudentie van het HvJ EU over artikel 7 punt Pro 2 Brussel I bis. Daaruit volgt dat niet iedere plaats waar de beweerde schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade kan worden aangemerkt als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. In dit geval waarin slechts sprake is van (beweerdelijk) zuivere vermogensschade als gevolg van schade die zich initieel in de VS heeft voorgedaan, kwalificeert Nederland niet als
Erfolgsort, tenzij sprake is van andere bijzondere omstandigheden van de zaak die bevoegdheid rechtvaardigen [7] . Dergelijke bijzondere omstandigheden moeten zich in Nederland hebben voorgedaan, dan wel merkbaar zijn, en er moet een causaal verband zijn tussen die bijkomstige omstandigheden en de beweerde onrechtmatige daad van ET. GPI heeft dat niet gesteld, dan wel niet onderbouwd. De standpunten van GPI betreffen slechts vermogensschade (zuiver financieel) dan wel gevolgschade van die gemaakte kosten voor de procedures in de VS. Daarbij is het maar de vraag of GPI de proceskosten voor de procedures in de VS zelf heeft betaald.
4.De beoordeling
Artikel 17Bevoegdheid voor vorderingen in verband met procedures in derde landen
2. Zolang een procedure aanhangig is in het derde land, kunnen de lidstaten de uitoefening van bevoegdheid uit hoofde van lid 1 beperken.”
Nadat de omzettingstermijn is verstreken ontstaat wel voor de rechter de verplichting het nationale recht in overeenstemming met de richtlijn te interpreteren, ook als de richtlijn nog niet in nationaal recht is omgezet.
Dit is evenwel onjuist. De MvT stelt ten onrechte dat artikel 17 SLAPP Pro Richtlijn geen implementatie behoeft. Uit overweging 44 van de SLAPP Richtlijn blijkt dat het hier gaat om een nieuwe bijzondere bevoegdheidsgrond, die dus als lex specialis geldt ten opzichte van bestaande bevoegdheidsgronden, zoals artikel 7 lid 2 Brussel Pro I bis en artikel 6 onder Pro e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze overweging luidt:
Handlungsortof
Erfolgsortis gelegen in de betrokken lidstaat. Naar in de MvT aangehaalde vaste rechtspraak is daarvoor financiële schade op een bankrekening in een lidstaat van de EU niet voldoende. De MvT geeft voorbeelden van bijkomende omstandigheden waarin in een SLAPP-zaak zou kunnen worden aangenomen dat op grond van artikel 7 lid 2 Brussel Pro I bis (of artikel 6 onder Pro e Rv) bevoegdheid kan worden aangenomen. Dat maakt duidelijk dat volgens de MvT naar geldend recht die bijkomende omstandigheden vereist zijn, waardoor het geldend recht afwijkt van artikel 17 van Pro de SLAPP Richtlijn.
- het aanspannen van de Federale Rechtszaak en de Staatsrechtszaak,
- het doen van onjuiste uitingen.
Handlungsort) en waar de directe schade is ingetreden (het
Erfolgsort). Het verschil tussen de Nederlandse en de Europese rechtsregel over bevoegdheid voor verbintenissen uit onrechtmatige daad is: volgens de Nederlandse regel (artikel 6 onder Pro e Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe als het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan (of kan voordoen), en in de Europese rechtsregel (artikel 7 punt Pro 2 Brussel I bis) is het gerecht in de plaats waar het schadebrengende feit zich voordoet (of kan voordoen) het bevoegde gerecht [18] . Dat verschil is in dit incident niet van belang omdat centraal staat of de door GPI gestelde schade is ingetreden in Nederland, specifiek haar woonplaats Amsterdam (
Erfolgsort). Daarvoor dient te worden aangesloten bij de jurisprudentie van het HvJ EU over artikel 7 punt Pro 2 Brussel I bis.
Erfolgsort). Uit vaste jurisprudentie van het HvJ EU [21] – die ook is aangehaald door partijen en door de wetgever in de MvT bij het wetsvoorstel ter implementatie van de SLAPP Richtlijn – volgt dat onvoldoende is dat de enige schadepost zuiver financiële schade is, bijvoorbeeld het betalen van facturen van buitenlandse dienstverleners vanaf de bankrekening in Nederland. Er moet ook sprake zijn van bijkomende of bijzondere omstandigheden die aanknopingspunten bieden voor de rechtsmacht van deze rechtbank op grond van artikel 6 onder Pro e Rv. Daarnaast volgt uit de vaste jurisprudentie van het HvJ EU [22] dat in geval van beweerdelijk geleden reputatieschade door uitingen op internet, het gerecht van het centrum van belangen van de schadelijdende partij bevoegd is.
Onder deze omstandigheden kan de stelling van ET dat onvoldoende is gebleken dat GPI financiële schade in Nederland heeft geleden niet leiden tot toewijzing van haar primaire vordering in dit incident. In deze fase van de procedure hoeft immers niet te worden vastgesteld dat GPI daadwerkelijk vermogensschade heeft geleden.
Zoals hiervoor al overwogen is het lijden van financiële schade in Nederland op zich onvoldoende voor de rechtsmacht van deze rechtbank in deze procedure op grond van artikel 6 onder Pro e Rv. GPI heeft echter ook bijkomende omstandigheden aangevoerd. Hieronder zal worden ingegaan op het debat tussen partijen over deze bijkomende omstandigheden, daarna zal aan de orde komen het debat over het centrum van belangen van GPI voor haar beweerde reputatieschade.
door de twee Amerikaanse rechtszakenniet van belang in dit incident.
op internet. De rechtbank gaat daarop hierna in.
- een Nederlandse rechtspersoon is, met statutaire zetel in Amsterdam en kantoorhoudend aan het Surinameplein te Amsterdam;
- zij in Nederland een ANBI-status heeft;
- jaarlijks de verplichte informatie voor NGO’s met een ANBI-status publiceert in Nederland vanuit haar statutaire zetel;
- haar bankrekeningen aanhoudt in Nederland;
- werkgever is van 113 werknemers werkzaam in Nederland, en van in totaal 228 werknemers op diverse plaatsen elders in de wereld. De in Nederland werkzame werknemers van GPI hebben een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is;
- houder is van de handelsmerken van het Greenpeace-netwerk. De andere entiteiten in het internationale Greenpeace-netwerk ontvangen toestemming van GPI om deze rechten te gebruiken via een licentieovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is;
- bevrachter is van verschillende schepen, waar onder de Arctic Sunrise en de Rainbow Warrior, die varen onder Nederlandse vlag. Er zijn in totaal 89 bemanningsleden in dienst bij GPI, die allen een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht hebben. De crew die werkt op de schepen van GPI, en woonachtig is in de EU, valt onder de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij in Nederland.
Het centrum van belangen van GPI is dus gelegen in Amsterdam. In dat geval heeft de Nederlandse rechter dan ook rechtsmacht kennis te nemen van de vorderingen van GPI op ET ter zake de beweerdelijk onrechtmatige uitingen over GPI die ET in 2017 en in 2025 op internet heeft geplaatst.
“(…) These damages, as well as the harm to the Company's reputation, resulting from the Enterprise's misinformation campaign (…)”), aldus ET. Dat zijn andere onderwerpen dan die aan de orde zijn in deze procedure.
Tot slot wordt opgemerkt dat in de hoofdzaak van deze procedure “Greenpeace” (als verwijzing naar verschillende entiteiten binnen het internationale Greenpeace-netwerk) geen partij is. ET wordt opgedragen voor iedere feitelijke handeling concreet, nauwkeurig en exact aan te geven wie van de drie gedaagden in de Staatrechtzaak die feitelijke handeling volgens haar (heeft) verricht.
5.De beslissing
woensdag 15 juli 2026voor conclusie van antwoord.