Eiser vordert de herroeping van een vonnis uit 2010 waarin hij hoofdelijk werd veroordeeld op basis van een borgtocht, met als grond bedrog, valsheid van stukken of het achterhouden van stukken van beslissende aard. Hij baseert zijn vordering op een tweede versie van de borgtocht die hij pas in 2025 ontdekte.
De rechtbank stelt vast dat eiser al in 2012 bekend was met de grond voor herroeping, omdat hij toen al wist dat hij de borgtocht niet had ondertekend en vermoedde dat deze vervalst was. De termijn van drie maanden voor het instellen van de herroeping is daardoor verstreken.
De rechtbank oordeelt dat de vordering niet tijdig is ingesteld en verklaart eiser niet-ontvankelijk. De inhoudelijke beoordeling van de herroepingsgronden blijft achterwege. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van Aabo, die worden begroot op € 2.209,00, te vermeerderen met wettelijke rente.