Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5114

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
AMS 26/2744
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 14 Rijkswet op het Nederlanderschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlanderschap toegewezen

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft op 22 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker bezwaar maakt tegen de intrekking van zijn Nederlanderschap door de minister van Justitie en Veiligheid. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om hem te behandelen als Nederlander totdat op het bezwaar is beslist.

De intrekking van het Nederlanderschap is gebaseerd op een wettelijke bepaling die de rechtbank eerder onverbindend heeft verklaard wegens strijd met internationaal en Unierecht. Dit geeft verzoeker een redelijke kans van slagen in de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van spoedeisend belang omdat het Nederlanderschap per direct is ingetrokken en het bezwaar geen schorsende werking heeft.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, met opschorting van de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit. Verzoeker wordt behandeld als Nederlander tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens werd verzoeker vrijgesteld van griffierecht en kreeg hij een proceskostenvergoeding van € 934,- toegewezen, te betalen door de minister.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit worden opgeschort, waardoor verzoeker voorlopig als Nederlander wordt behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 26/2744
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, hierna: verzoeker
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en

de Minister van Justitie en Veiligheid, hierna: de minister.

(gemachtigde: mr. W.J. Poot)

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening die ertoe strekt om verzoeker te behandelen als ware hij in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, totdat inhoudelijk op het beroep in de intrekkingsprocedure is beslist.
1.1.
Bij het bestreden besluit van 28 april 2026 heeft de minister het Nederlanderschap van verzoeker ingetrokken. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Ten aanzien van het griffierecht
2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen wegens betalingsonmacht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, zodat verzoeker in deze zaak geen griffierecht hoeft te betalen.
Ten aanzien van het verzoek
3. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening omdat het Nederlanderschap van verzoeker per direct is ingetrokken en het bezwaar daartegen geen schorsende werking heeft.
5. Deze zaak gaat over het intrekken van het Nederlanderschap van verzoeker. Deze rechtbank heeft een soortgelijke zaak behandeld op een zitting van de meervoudige kamer. In die zaak is op 24 maart 2025 uitspraak gedaan. [2] De rechtbank heeft overwogen dat artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap in strijd is met internationaal verdrags- en Unierecht. Dit artikel is daarom door de rechtbank onverbindend verklaard. Voor de volledige motivering wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de meervoudige kamer en maakt de overwegingen daarin de hare.
6. De intrekking van het Nederlanderschap is in de zaak van verzoeker gebaseerd op de bevoegdheid die deze rechtbank onverbindend heeft verklaard. Een redelijke kans van slagen van het bezwaar kan dan ook niet worden ontzegd. Tegen de uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2025 is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op het hoger beroep is nog niet beslist.
7. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker wordt behandeld als Nederlander, in ieder geval tot zes weken nadat op het bezwaar, connex aan dit verzoek, is beslist.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort;
  • bepaalt dat verzoeker wordt behandeld als Nederlander, in ieder geval tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt de minister tot het betalen van de proceskosten tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.