ECLI:NL:RBAMS:2026:5032

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/13/786380 / HA RK 26-130
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechter in WIA-uitkeringszaak

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. A.D. Belcheva, bestuursrechter te Amsterdam, vanwege de wijze waarop de rechter haar WIA-uitkeringszaak behandelde. De aanvraag van de WIA-uitkering was in 2023 geweigerd en het bezwaar daarop niet-ontvankelijk verklaard. Tijdens de beroepsprocedure trok verweerder het bestreden besluit in, maar verzoekster handhaafde haar beroep vanwege de kosten en rechtsgevolgen.

De rechter moest beoordelen of verzoekster nog procesbelang had en of aan de voorwaarden voor proceskostenvergoeding was voldaan. Verzoekster stelde dat de rechter misbruik van recht door verweerder niet had willen vaststellen en te lijdelijk was geweest. De wrakingskamer oordeelde dat een rechterlijke beslissing geen grond voor wraking kan zijn, zoals bevestigd door de Hoge Raad in 2018.

De wrakingskamer vond geen aanwijzingen voor partijdigheid of schijn daarvan en concludeerde dat de rechter haar regievoering binnen haar discretionaire bevoegdheid uitoefende. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk volgens artikel 8:18 Awb Pro.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van gegronde wrakingsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/13/786380 / HA RK 26-130
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de wrakingskamer van 19 mei 2026 op het verzoek van:

[naam 1], verzoekster,

gemachtigde [naam 2],
welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.D. Belcheva, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter. De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
Tegenwoordig zijn:
mr. S.P. Pompe, voorzitter,
mrs. N.C.H. Blankevoort en J.H.J. Evers, rechters en
mr. K.P.M. Smeets, griffier.
Verzoekster heeft, via haar gemachtigde, op 10 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend. Het verzoek ziet op de wijze waarop de rechter de zaak van verzoekster (met kenmerk AMS 25 /4754 WIA) op de zitting van 8 april 2026 heeft behandeld. Op 26 april 2026 heeft de gemachtigde van verzoekster het verzoek (‘de grieven’) schriftelijk aangevuld. De rechter heeft in een schriftelijke reactie laten weten niet in de wraking te berusten en daarbij een toelichting gegeven op het verloop van de zitting.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026. Nadat verzoekster en de rechter hun standpunt hebben toegelicht en vragen van de wrakingskamer hebben beantwoord, is de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de wrakingskamer bij monde van de voorzitter mondeling uitspraak gedaan.

De beoordeling van het verzoek

Verzoekster heeft in 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 14 september 2023 is die aanvraag geweigerd. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit is door het UWV (hierna: verweerder) niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 5 juni 2025 heeft verzoekster om heroverweging van de beslissing van 14 september 2023 verzocht. Bij besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard.
Op 8 april 2026 heeft de rechter het beroep van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 8 juli 2025 behandeld. Dit besluit heeft verweerder tijdens de beroepsfase ingetrokken. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat het bezwaar van verzoekster bij nader inzien wordt aangemerkt als een herzieningsverzoek van het besluit van 8 juli 2025.
Verzoekster heeft haar beroep echter gehandhaafd, omdat de intrekking volgens haar niet wegneemt dat het oorspronkelijke besluit rechtsgevolgen heeft gehad, nu zij genoodzaakt was beroep in te stellen en daarvoor kosten te maken.
De rechter heeft toegelicht dat zij, omdat het bestreden besluit inmiddels was ingetrokken, moest beoordelen of er procesbelang bij verzoekster bestond en ook of voldaan was aan de vereisten voor een proceskostenvergoeding. Zij heeft toegelicht dat zij geen redenen zag om al tijdens de zitting een oordeel te geven over de vraag of verweerder misbruik van recht heeft gemaakt of het recht op een eerlijk proces heeft geschonden door hangende het beroep het bestreden besluit in te trekken, het verzoek van verzoekster te kwalificeren als herzieningsverzoek en dat in een primaire procedure te beoordelen, zodat verzoekster geen (bezwaar) instantie miste. Het stond partijen vrij om desgewenst daarop te reageren.
In zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Het bezwaar van verzoekster betreft allereerst de omstandigheid dat de rechter niet heeft willen vaststellen dat sprake was van misbruik van recht, doordat verweerder de bestreden beslissing, hangende de beroepsprocedure heeft ingetrokken. De rechter had haar rechterlijke discretie moeten gebruiken en de belangen van verzoekster moeten meewegen. De open normen van het bestuursrecht bieden daar ook ruimte voor, aldus verzoekster.
Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Dat geldt des te meer voor het nog niet beslissen of opschorten van een oordeel.
Voorts verwijt verzoekster de rechter dat zij verweerder te veel ruimte heeft geboden en dat zij te lijdelijk is geweest. Ook besteedde de rechter volgens verzoekster verhoudingsgewijs veel tijd aan het vaststellen van de proceskostenvergoeding en stelde zij veel vragen over de werkzaamheden van de gemachtigde.
De rechter voert de regie bij een mondelinge behandeling. De wijze waarop een rechter die regie voert staat in beginsel niet ter beoordeling aan de wrakingskamer. De rechter heeft ook toegelicht dat zij nog geen oordeel heeft gegeven over het herzieningsverzoek en evenmin over de zaak van verzoekster. De rechter was verder gehouden om te onderzoeken of de gemachtigde van verzoekster als een professionele derde in aanmerking kwam voor een proceskostenvergoeding. Andere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit de objectieve schijn van partijdigheid zou kunnen blijken, zijn gesteld noch gebleken.
Het wrakingsverzoek is daarom ongegrond en wordt afgewezen.

BESLISSING:

wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026 door:
mrs. S.P. Pompe, voorzitter,
N.C.H. Blankevoort en J.H.J. Evers, leden,
in aanwezigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,
schriftelijk vastgesteld op 22 mei 2026, en ondertekend door de voorzitter en griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 8:18 Awb Pro, zesde lid, geen voorziening open.