ECLI:NL:RBAMS:2026:498

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/13/780189 / HA RK 25-445
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in kort geding geldvordering

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. M.L.S. Kalff, rechter te rechtbank Amsterdam, naar aanleiding van een mondelinge behandeling in een kort geding over een geldvordering van €309.298,-. Verzoeker stelde dat de rechter andere jurisprudentie hanteerde, de vordering als klip en klaar bestempelde en erkende dat er een groter geschil speelde, waardoor de zaak niet in kort geding behandeld zou moeten worden.

De rechter reageerde schriftelijk en lichtte toe dat de term 'klip en klare geldvordering' een algemene uitleg van jurisprudentie betrof en niet specifiek over de onderhavige vordering ging. Tevens gaf de rechter aan dat het grotere geschil aanleiding kon zijn tot een minnelijke regeling, zonder daarmee een oordeel te vellen over de zaak zelf.

De wrakingskamer oordeelde dat er geen feiten of omstandigheden waren die een geobjectiveerde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigden. De rechter heeft zijn regie gevoerd binnen zijn bevoegdheden en mocht zijn voorlopige juridische inzichten delen. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van geobjectiveerde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/13/780189 / HA RK 25-445
Beslissing van 14 januari 2026 op het bij de rechtbank ingekomen verzoek tot wraking van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker (hierna ook: [verzoeker] ),
welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.L.S. Kalff, rechter te rechtbank Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding in de hoofdzaak van 11 december 2025, inhoudende het wrakingsverzoek;
- de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 17 december 2025.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3.
Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 5 januari 2026. Verschenen zijn de rechter, vergezeld door een collega, en mr. M. Straus, namens de wederpartij in de hoofdzaak als toehoorder. Verzoeker is niet verschenen.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Bij de rechter is een zaak aanhangig in kort geding (met zaaknummer C/13/778627 / KG ZA 25- 924) met verzoeker als gedaagde partij. In deze procedure is tegen verzoeker een geldvordering ingediend van € 309.298,- te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Op 11 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen waren verzoeker, alsmede de [functie] van [bedrijf] B.V. (eiseres), bijgestaan door mr. M. Straus. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft verzoeker schriftelijk verweer gevoerd.
2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft verzoeker aan het slot van de mondelinge behandeling, in reactie op de vraag van de rechter of partijen de mogelijkheid van een minnelijke regeling wilden onderzoeken, de rechter gewraakt.
2.3.
Gevraagd naar de gronden van het wrakingsverzoek heeft verzoeker – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
a) de rechter heeft andere jurisprudentie in het hoofd dan [verzoeker] ;
b) de rechter geeft aan dat de vordering klip en klaar is;
c) de rechter erkent dat partijen een groter geschil hebben dan alleen deze vordering. Dat betekent dat deze zaak niet behandeld dient te worden in kort geding.
2.4.
De behandeling van de zaak is geschorst wegens de indiening van het wrakingsverzoek.

3.De reactie van de rechter

3.1.
De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie op de gronden van het wrakingsverzoek toegelicht dat verzoeker bij de mondelinge behandeling in zijn eerste termijn heeft aangevoerd dat een geldvordering in kort geding niet kan worden toegewezen als de eisende partij voldoende vermogend is. De rechter heeft verzoeker voorgehouden bekend te zijn met andere jurisprudentie en erop gewezen dat een klip en klare geldvordering in kort geding kan worden toegewezen, ook als de eiser vermogend is. De rechter heeft de woorden ‘klip en klaar’ gebruikt om de jurisprudentie bij geldvorderingen in kort geding in zijn algemeenheid toe te lichten. Daarmee is geen oordeel gegeven over de geldvordering die in de onderhavige zaak aanhangig is.
3.2.
De rechter heeft in het kader van de inventarisatie van de mogelijkheden voor het treffen van minnelijke regeling aan partijen voorgehouden dat uit de stukken volgt dat partijen een groter geschil hebben dan de vordering die in de onderhavige procedure voorligt. De rechter heeft daarbij opgemerkt dat dit een overweging zou kunnen zijn om een regeling te treffen, omdat hij de kans beperkt acht dat een beslissing in de onderhavige procedure in kort geding het grotere geschil oplost.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Een wrakingsverzoek is alleen succesvol in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor partijdigheid van de rechter, althans dat de vrees van de verzoeker dat de rechter vooringenomen is, objectief is gerechtvaardigd.
4.3.
Uit het verloop van de mondelinge behandeling kan, gezien de schriftelijke toelichting van de rechter, niet worden afgeleid dat de rechter iets heeft gezegd waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een geobjectiveerde vrees voor vooringenomenheid. De rechter heeft de regie bij de behandeling op een zitting. Het staat de rechter vrij tijdens een mondelinge behandeling zijn (voorlopige) juridische inzichten kenbaar te maken. Bovendien heeft de rechter uitgelegd dat de gedane uitlating dat een klip en klare geldvordering in kort geding kan worden toegewezen, ook als de eiser vermogend is, niet zag op de geldvordering die in de onderhavige procedure voorligt. Het staat de rechter ook vrij partijen in overweging te geven om de mogelijkheden voor het treffen van een regeling te onderzoeken en daarbij op te merken hoe hij de kans van slagen ziet, ook als dat een partij onwelgevallig is. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is.
4.4.
Op grond van het vorenstaande wordt als volgt beslist.

5.Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
-
wijst het verzoek af.
Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. I.M. Bilderbeek, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en P.B. Martens, leden,
in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv Pro geen rechtsmiddel open.