ECLI:NL:RBAMS:2026:495

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/7091, 24/7093, 24/70916, 24/7097
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht opgelegd ondanks kentekenwijziging parkeervergunning

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde aan eiser vier naheffingsaanslagen parkeerbelasting op vanwege parkeren met een kenteken dat niet was aangemeld op zijn parkeervergunning. Eiser had geprobeerd het kenteken te wijzigen, maar dit was niet tijdig verwerkt. Hij verzocht de rechtbank de naheffingsaanslagen te laten vervallen vanwege zijn goede wil.

De rechtbank oordeelde dat de parkeervergunning alleen geldig is voor het geregistreerde kenteken en dat het feit dat eiser het kenteken niet tijdig had gewijzigd, rechtvaardigt dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Het vroegsignaleringssysteem van de gemeente, dat vergunninghouders bij stapeling van naheffingsaanslagen informeert, is geen coulancebeleid en leidt niet tot vernietiging van aanslagen.

De rechtbank benadrukte dat parkeerbelasting een objectieve belasting is waarbij intenties of persoonlijke omstandigheden geen rol spelen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die hier niet zijn gebleken. Hoewel het digitale systeem met scanauto’s leidt tot late kennisname van naheffingsaanslagen, kan de heffingsambtenaar niet worden verplicht coulance toe te passen.

De beroepen van eiser werden ongegrond verklaard, de naheffingsaanslagen blijven in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De rechtbank adviseert de heffingsambtenaar wel om het coulancebeleid te heroverwegen in het licht van het digitale controlesysteem.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/7091, AMS 24/7093, AMS 24/7096 en AMS 24/7097
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser vier naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting opgelegd voor het parkeren in [plaats] op de volgende locaties, data en tijdstippen: ter hoogte van de [adres 1] op 30 oktober 2024 om 21:57 uur [1] , ter hoogte van de [adres 2] op 31 oktober 2024 om 12:55 uur [2] , ter hoogte van de [adres 3] op 2 november 2024 om 10:51 uur [3] en ter hoogte van de [adres 4] op 4 november 2024 om 19:05 uur [4] .
2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen die naheffingsaanslagen. Met de vier uitspraken op bezwaar van 27 november 2024 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen gehandhaafd. Eiser heeft vervolgens tegen alle vier de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft de beroepen op 24 juni 2025 op een zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiser was niet aanwezig.
4. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen, omdat zij van oordeel was dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar een aantal vragen gesteld met betrekking tot een zogenaamd vroegsignaliseringssysteem [5] . De heffingsambtenaar heeft deze vragen op 18 november 2025 beantwoord. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op de beantwoording van de heffingsambtenaar te reageren, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
5. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt de vier aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zijn de naheffingsaanslagen op goede gronden opgelegd?
8. Eiser is in het bezit van een parkeervergunning. Eiser heeft toegelicht dat hij op 30 oktober 2024 het kenteken van die vergunning wilde wijzigen. Eiser geeft aan dat die aanvraag toen niet is verwerkt, maar dat hij hier pas op 5 november 2024 achter kwam omdat hij toen de eerste naheffingsaanslag ontving. Hij heeft toen zo snel mogelijk alsnog het kenteken van de vergunning gewijzigd. Eiser geeft aan dat hij van goede wil was en verzoekt de rechtbank de naheffingsaanslagen te laten vervallen.
9. Volgens de heffingsambtenaar is de parkeervergunning alleen geldig voor het kenteken dat is aangemeld op de parkeervergunning en dat was het voertuig waarmee eiser heeft geparkeerd niet. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat zij eiser al een keer tegemoetgekomen is door een naheffingsaanslag in te trekken. De vier naheffingsaanslagen waar het in deze zaken om gaat trekt de heffingsambtenaar daarom niet in.
10. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank desgevraagd geïnformeerd dat de gemeente bezig is met extra coaching van scanbeoordelaars en een vroegsignaleringssysteem, om stapeling van naheffingsaanslagen bij kentekenhouders/vergunninghouders te voorkomen. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat dit kortgezegd neerkomt op het (buitenwettelijke) beleid om vergunninghouders te bellen die in één week meer dan drie naheffingsaanslagen, in twee weken meer dan vijf naheffingsaanslagen of in een maand meer dan tien naheffingsaanslagen opgelegd krijgen. Dit kan alleen als de vergunninghouder bij de aanvraag een telefoonnummer heeft opgegeven.
11. Het vroegsignaleringssysteem is volgens de heffingsambtenaar geen coulancebeleid, maar dient in sommige gevallen enkel als een signaal aan de vergunninghouder. Kentekenhouders worden niet automatisch ingelicht als zij meer dan één naheffingsaanslag opgelegd krijgen. Als de vergunninghouder buiten het vergunninggebied blijft parkeren of niet handelt naar aanleiding van het gegeven signaal kunnen er nog steeds naheffingsaanslagen worden opgelegd. Het vroegsignaleringssysteem leidt dus niet tot vernietiging van naheffingsaanslagen. Het evenredigheidsbeginsel wordt hiermee volgens de heffingsambtenaar niet geschonden. De heffingsambtenaar heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 oktober 2024 [6] .
12. De rechtbank kan dit standpunt volgen en de beroepsrond van eiser slaagt niet. Van parkeren met een vergunning is alleen sprake als wordt voldaan aan de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden. Is aan één of meer van deze voorwaarden niet voldaan, dan is geparkeerd zonder vergunning. Eén van de voorwaarden is dat een parkeervergunning alleen geldig is voor het parkeren van het motorvoertuig waarvan het kenteken is vermeld op de vergunning of in het digitale parkeerbelastingbestand. Tussen partijen is niet in geschil dat het kenteken van de auto waarmee eiser heeft geparkeerd niet was aangemeld op de parkeervergunning. Dit maakt dat de heffingsambtenaar bevoegd was om de naheffingsaanslagen op te leggen.
13. Dat eiser van goede wil was en na het ontvangen van de eerste naheffingsaanslag het kenteken van de vergunning zo snel mogelijk heeft gewijzigd, maakt dat niet anders. De parkeerbelasting is namelijk een objectieve belasting. Dat betekent dat voor de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd de intenties, de mate van schuld of opzet en de persoonlijke omstandigheden van de parkeerder geen rol kunnen spelen. Slechts in bijzondere gevallen kan strikte naleving van de regels niet van de parkeerder worden gevergd. Dat is bijvoorbeeld het geval als de parkeerder niet in redelijkheid de gelegenheid heeft gehad om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen of wanneer sprake is van een acute noodsituatie. [7] Er is niet gebleken dat van zo’n situatie sprake is geweest.
Coulance?
14. Daarbij merkt de rechtbank wel het volgende op. Eiser heeft aangegeven dat hij er op 5 november 2024 achter kwam dat de wijziging van het kenteken van zijn parkeervergunning niet goed was gegaan, omdat hij op die datum de eerste naheffingsaanslag ontving. De eerste naheffingsaanslag is opgelegd voor parkeren op 30 oktober 2024, zes dagen eerder. Het huidige vroegsignaleringssysteem heeft blijkbaar niet voorkomen dat aan eiser binnen zes dagen vier naheffingsaanslagen zijn opgelegd.
15. Als eiser op 30 oktober 2024 de naheffingsaanslag direct onder de ruit van zijn auto had aangetroffen, had hij op dat moment op de hoogte kunnen raken van het feit dat de wijziging van het kenteken niet goed was gegaan. Dit had de overige naheffingsaanslagen kunnen voorkomen. Omdat de heffingsambtenaar er voor kiest geen fysieke naheffingsaanslagen meer onder de ruiten achter te laten, maar het systeem digitaal in te richten met behulp van scanauto’s, raken parkeerders vaak pas laat op de hoogte van het feit dat zij een menselijke fout hebben gemaakt. Deze wijze van parkeercontrole heeft grote financiële voordelen voor de heffingsambtenaar, maar leidt vaak tot vele naheffingsaanslagen achter elkaar voor parkeerders. In het geval van eiser is bovendien wel voor de parkeervergunning betaald. Het is de rechtbank bekend dat de heffingsambtenaar pas bij meer dan vijf naheffingsaanslagen uit coulance naheffingsaanslagen achterwege laat en dat dit volgens vaste jurisprudentie niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank kan de heffingsambtenaar daarnaast niet verplichten coulance toe te passen. Wel verzoekt de rechtbank de heffingsambtenaar te overwegen of het opleggen van maximaal vijf naheffingsaanslagen in het licht van het voornoemde digitale systeem met scanauto’s niet te veel is en of zij eerder coulance zou moeten toepassen.

Conclusie en gevolgen

16. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de naheffingsaanslagen in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 26 januari 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hierop ziet de zaak met kenmerk AMS 24/7093.
2.Hierop ziet de zaak met kenmerk AMS 24/7096.
3.Hierop ziet de zaak met kenmerk AMS 24/7097.
4.Hierop ziet de zaak met kenmerk AMS 24/7091.
5.Dit naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3164
7.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.