Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4760

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
11881120 WM 25-16463 en 11881123 WM 25-16464
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WVW 1994Art. 9 WahvArt. 10 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard beroep tegen boetes voor parkeren op trottoir dat openstaat voor openbaar verkeer

Betrokkene kreeg twee administratieve sancties opgelegd wegens het parkeren van een motorvoertuig op het trottoir, een gedraging die in strijd is met de Wegenverkeerswet 1994. Betrokkene stelde dat de locatie privéterrein was, maar dit verweer faalde omdat de plek feitelijk openstond voor het openbaar verkeer zonder kenbare afsluiting.

De kantonrechter overwoog dat de verbalisant voldoende bewijs leverde dat het voertuig op het trottoir stond en dat de locatie niet was afgesloten met borden zoals 'verboden toegang' of 'eigen weg'. Google Streetview bevestigde dat het om een trottoir ging. Betrokkene was al meerdere malen beboet voor dezelfde gedraging en bleef toch parkeren op die plek.

Betrokkene voerde ook aan dat het ne bis in idem-beginsel werd geschonden omdat hij meerdere boetes kreeg voor dezelfde gedraging binnen 24 uur. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was, omdat het telkens om afzonderlijke constatering ging en betrokkene niet de kans had het voertuig te verplaatsen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, mits de sanctie hoger is dan €110.

Uitkomst: Het beroep tegen de boetes voor parkeren op het trottoir wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. J.F. Kuiken
zaaknummers: 11881120 WM VERZ 25-16463
11881123 WM VERZ 25-16464
beslissing van: 1 mei 2026
func.: 38378
Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 1 mei 2026 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[betrokkene]

[adres]
[postcode] [plaats]
(verder: betrokkene)
voor wie beroep is ingesteld door
mr. M. Lagas van Appjection B.V.(verder: gemachtigde)
welk beroep is ingesteld bij verzoekschriften, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 7 maart 2025 en is gericht tegen de beslissingen van 24 januari 2025 van de
officier van justitie(verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999.

CJIB-nummers: [nummer] en [nummer] .

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene zijn bij beschikkingen van 9 oktober 2024 en 11 oktober 2024 (verder: de inleidende beschikkingen) twee sancties in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikkingen beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft het beroep in de onderhavige zaken ongegrond verklaard. Tegen die beslissingen heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep in de voornoemde zaken is behandeld op de openbare zitting van 1 mei 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Namens gemachtigde is mr. T. Fleuren bij de zitting verschenen.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van de beroepschriften. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep in de onderhavige zaken ongegrond is.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan betrokkene zijn bij inleidende beschikkingen wegens verkeersgedragingen twee administratieve sancties opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met het motorvoertuig met [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, niet de rijbaan is gebruikt door stil te staan op het trottoir, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad. Deze gedragingen zijn geconstateerd op:
 1 september 2024 om 07:07 uur op [locatie] te [plaats] (zaaknummer 11881120 WM VERZ 25-16463);
 en op 2 september 2024 om 10:08 uur op [locatie] te [plaats] (zaaknummer 11881123 WM VERZ 25-16464).
2. Het beroep in de onderhavige zaken is tijdig ingesteld.
3. Gemachtigde voert tegen de beslissingen van verweerder aan dat betrokkene het oneens is met de boetes, omdat de vermeende pleeglocatie - kort samengevat - privé terrein is.
Verder stelt gemachtigde dat betrokkene voor dezelfde gedraging meermaals is beboet, hetgeen in strijd is met het ‘ne bis in idem’ beginsel. In het onderhavige geval zijn twee sancties voor dezelfde soort gedraging binnen een tijdsbestek van 24 uur opgelegd, waarbij betrokkene niet de kans heeft gekregen om het voertuig te verplaatsen. De inleidende beschikkingen dienen daarom vernietigd dan wel gematigd te worden tot nihil.
Namens betrokkene wordt verzocht om een proceskostenvergoeding.
4. Op de zitting heeft gemachtigde de beroepschriften nader toegelicht. Gemachtigde geeft aan dat betrokkene in 105 soortgelijke zaken een beroep heeft lopen. Betrokkene is er van overtuigd dat het hier privé terrein betreft.
5. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat het beroep in beide zaken ongegrond dient te worden verklaard. Op 17 april 2024 is de eerste boete voor de gedraging als de onderhavige aan betrokkene opgelegd. Betrokkene wist dus dat het niet is toegestaan ter plaatse te parkeren, maar blijft het toch doen.
6. Het volgende wordt overwogen.
7. De verbalisant verklaart in beide zich in de dossiers bevindende zaakoverzichten dat het onderhavige voertuig met vier wielen stond geparkeerd op het trottoir en dat gedurende een waarnemingstijd van 10 minuten geen sprake was van activiteiten in of rondom het voertuig.
In beide dossiers zijn foto’s van de aan betrokkene verweten gedragingen overgelegd.
8. In het geding is allereerst de vraag of de plaats waar het betreffende voertuig zich bevond als een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dient te worden aangemerkt, en zodoende of de bepalingen bij of krachtens de WVW 1994 van toepassing zijn en de verbalisant bevoegd was de onderhavige sanctie op te leggen.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet onder "wegen" worden verstaan: “
alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”.
9. Beslissend voor de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is echter de vraag of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden zoals of door de rechthebbende wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van dat terrein (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 8 april 1997, LJN ZD0686 gepubliceerd in VR 1998, 2).
10. In het midden latend of sprake is van eigen terrein, overweegt de kantonrechter dat hetgeen is aangevoerd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de locatie waar het voertuig van betrokkene stond, feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Gesteld noch gebleken is dat de rechthebbende zich op kenbare wijze, bijvoorbeeld door de borden "verboden toegang" en "eigen weg", het recht heeft voorbehouden en de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494). Het voorgaande in aanmerking genomen moet de plaats waar betrokkene zijn voertuig had staan, worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden.
10. Op grond van verklaring van de verbalisant, die in beide gevallen wordt ondersteund met fotografisch materiaal, staat voldoende vast dat de aan betrokkene verweten gedragingen zijn verricht en dat ter plaatse sprake is van een trottoir. Raadpleging van Google Streetview wijst voorts uit dat ter hoogte van de pleeglocatie geen sprake is van een ander weggedeelte in de zin van artikel 10 van Pro het RVV 1990. Er is geen aanleiding om aan de juistheid van deze stukken te twijfelen, zodat de sancties terecht aan betrokkene zijn opgelegd.
11. Vervolgens ziet de kantonrechter zich voor de vraag gesteld of er sprake is van schending van het ‘ne bis in idem’ beginsel. Het ‘ne bis in idem’ beginsel houdt in dat niemand tweemaal mag worden gestraft voor hetzelfde feit. Ook in zaken als de onderhavige is dit beginsel van toepassing.
12. Gelet op de strekking van het onderhavige verkeersvoorschrift kan in beginsel op ieder moment waarop wordt geconstateerd dat een voertuig ergens staat geparkeerd waar dat niet mag een sanctie worden opgelegd.
Dat neemt niet weg dat indien zich een situatie voordoet die als een voortgezette handeling kan worden aangemerkt, daarin - op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv - grond kan worden gevonden voor het oordeel dat een of meer gedraging(en) heeft/hebben plaatsgevonden onder zodanige omstandigheden dat oplegging van een sanctie voor die gedraging(en) niet billijk is. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervan in de onderhavige zaken geen sprake. Er is terecht een boete opgelegd voor een soortgelijke gedraging op zowel 1 september 2024 als op 2 september 2024. Daarbij neemt de kantonrechter mede in overweging dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voertuig in de tussentijd niet verplaatst is geweest. Bovendien was betrokkene inmiddels een gewaarschuwd mens. Hij had al meerdere boetes gekregen voor deze gedraging, maar heeft er voor gekozen om daar keer op keer te parkeren. Het beroep in de voornoemde zaken wordt ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

13. Gelet op de uitkomst van de procedure in de onderhavige zaken wordt voor een toekenning van een proceskostenvergoeding, zoals namens betrokkene is verzocht, geen aanleiding gezien.
14. Daarom wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:

- verklaart het beroep in de onderhavige zaken ongegrond;
- wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding in de onderhavige zaken af.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u
binnen zes wekenna de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk,
tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.