Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4711

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
14 mei 2026
Zaaknummer
13-283152-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiegarantie België

De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 april 2026 de vordering tot inwilliging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Brussel. De opgeëiste persoon, met Franse nationaliteit en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en mensenhandel volgens Belgisch recht.

De rechtbank onderzocht de toepasselijkheid van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro, die overlevering kan weigeren indien het strafbare feit geheel of gedeeltelijk in Nederland is gepleegd en hier niet strafbaar is. Gezien de internationale dimensie, het feit dat het bewijs en medeverdachten in België zijn, en het stadium van het Belgische onderzoek, werd deze grond niet toegepast.

Vanwege eerdere uitspraken over onmenselijke detentieomstandigheden in België, werd een individuele detentiegarantie gevraagd en verstrekt door Belgische autoriteiten. Deze garantie omvatte onder meer voldoende leefruimte, afgescheiden sanitair, toegang tot dagactiviteiten en medische zorg conform internationale standaarden. De rechtbank achtte deze garantie voldoende om het algemene gevaar van onmenselijke behandeling weg te nemen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat overlevering gerechtvaardigd is. Tevens werd de afgifte van een in beslag genomen iPhone aan de Belgische autoriteiten bevolen. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe en beveelt afgifte van de in beslag genomen telefoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-283152-25
Datum uitspraak: 13 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 oktober 2025 door de onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (China) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een telefonische tolk in de Chinese taal (Mandarijn).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 16 oktober 2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon bij zijn arrestatie.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
mensenhandel.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, onderdeel a), OLW

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt; [5]
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
- de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
- de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;
- de locatie van de slachtoffers;
- de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;
- en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat. [6]
De rechtbank stelt vast dat de feiten zijn gepleegd in het kader van een criminele organisatie, het onderzoek in België is aangevangen, het bewijs zich in België bevindt en dat de medeverdachten in België worden vervolgd. In dat licht vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

6.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat voor alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. [7]
Bij brief van 30 maart 2026 heeft het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit de volgende garantie gegeven:

1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Haren indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
-
De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
-
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o
De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o
Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
-
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
-
Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 30 maart 2026. [8] De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Hieruit volgt dat de afgifte van het in beslag genomen voorwerp, een Iphone, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7, 49 en 50 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELTde afgifte van het in beslag genomen voorwerp aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten een telefoon, Iphone, zwart (goednummer: PL2700-26-019716-3).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
6.HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018,