Klager heeft een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van twee mobiele telefoons op grond van een Belgisch Europees Onderzoeksbevel (EOB). Hij vordert teruggave van de telefoons omdat de Nederlandse strafzaak tegen hem is afgedaan en het Openbaar Ministerie geen beslissing heeft genomen over teruggave.
De rechtbank heeft het klaagschrift behandeld en beoordeeld aan de hand van het toetsingskader voor EOB's, zoals uiteengezet door de Hoge Raad. Dit kader beperkt de rechterlijke toetsing tot het nagaan of er gronden zijn voor weigering of uitstel van erkenning of uitvoering van het EOB, zonder inhoudelijke toetsing van de strafzaak of proportionaliteit.
De rechtbank oordeelt dat de inbeslaggenomen telefoons het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en dat het Belgische strafrechtelijk belang bij het beslag evident is. De belangen van klager bij het gebruik van de telefoons wegen niet op tegen het beginsel van wederzijdse erkenning en het belang van het onderzoek in België.
Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan de formele eisen verklaart de rechtbank het klaagschrift ongegrond. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.