Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
[verhuurder]
[huurder]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- antwoord met eis in reconventie en met producties;
- instructievonnis;
- dagbepaling mondelinge behandeling;
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1. Property Description…The property is furnished with a bed (including a mattress), a sofa, a 4-meter wardrobe, and a kitchen equipped with an oven and refrigerator (kitchen utensils not included)
Vordering
a. de uitspraak van de Huurcommissie van 13 november 2025 te vernietigen;
b. voor recht te verklaren dat partijen geen all-in huurprijs zijn overeengekomen;
c. voor recht te verklaren dat het puntenaantal van het gehuurde 149 punten bedraagt
en daarbij een maximale redelijke huurprijs met ingang van 1 maart 2025 van
€ 939,75 per maand vast te stellen;
d. huurder in de kosten van het geding te veroordelen.
Beoordeling
€ 1.350,00 enkel zag op de huurprijs. Weliswaar staat in artikel 3 van Pro de huurovereenkomst vermeld dat het bedrag van € 1.350,00 ‘the Monthly Rent’ is, maar onbetwist gelaten is dat bij het aangaan van de huurovereenkomst niet is gesproken of er al dan niet kosten voor het gebruik van meubilering in rekening zou worden gebracht. Mede gelet op zowel de omvang van de meubilering, is het niet aannemelijk dat verhuurder dit alles om niet aan huurder ter beschikking heeft gesteld. De kantonrechter is daarom - net als de huurcommissie - van oordeel dat het overeengekomen bedrag van € 1.350,00 niet alleen ziet op de huurprijs, maar ook op het gebruik van de meubilering. Daarmee is sprake van een all-in huur. Dat er in artikel 3 nog Pro staat dat huurder naast de huur ook nog maandelijks een bedrag van € 133,16 aan VVE bijdrage verschuldigd is, maakt dit niet anders. De gevorderde verklaring voor recht dat geen all-in huurprijs is overeengekomen zal gelet op het bovenstaande worden afgewezen.
.Dit betekent dat per 1 maart 2025 de huurprijs neerkomt op € 742,50 en het voorschot op de servicekosten op
€ 337,50.
niet noodzakelijk is dat de energieprestatie uiterlijk op de peildatum is vastgesteld of dat de gegevens voor het bepalen van de energieprestatie uiterlijk op de peildatum zijn opgenomen. Dit laatste mag ook na de peildatum zijn gebeurd (zie hierna in 4.6.1.), als maar duidelijk is dat de feitelijke toestand van de woning, voor zover het de energieprestatie betreft, op het moment van de opname niet veranderd is ten opzichte van de ingangsdatum van de huurovereenkomst.”De Hoge Raad baseert zich daarbij op artikel 11 lid 5 UHW Pro dat bepaalt dat de huurcommissie de kwaliteit van de woonruimte en de redelijkheid van de huurprijs beoordeelt naar de toestand op de datum van ingang van de huurovereenkomst.
“de voor een woning geldig vastgesteld energielabel”, alsmede dat daar waar een geldig energielabel ontbreekt de waardering van de energieprestatie wordt bepaald op basis van het bouwjaar van de woning. Nu echter in deze nota niet wordt gesproken over hoe dit zich verhoudt tot het bovengenoemde artikel 11 lid 5 UHW Pro en de bovengenoemde beslissing van de Hoge Raad waarin de feitelijke toestand van het gehuurde op de ingangsdatum juist bepalend wordt geacht en er ook niet wordt gemeld dat hiervan uitdrukkelijk wordt afgeweken, ziet de kantonrechter geen aanleiding zich aan te sluiten bij de bovengenoemde nota van toelichting op het woningwaarderings-stelsel dat er bij aanvang van de huurovereenkomst sprake moet zijn van een officieel vastgesteld energielabel.
BESLISSING
exploot € 145,45
salaris € 174,00
griffierecht € 93,00
-----------------
totaal € 412,45
voor zover van toepassing, inclusief btw;