Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4502

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
12079445 \ EA VERZ 26-96 en 12083797 \ EA VERZ 26-135
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 2 BWArt. 7:681 BWArt. 7:671b lid 1 sub a BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet hoofdconducteur wegens verdwenen horloge

De hoofdconducteur was sinds 2018 in dienst bij NS en werd op 1 december 2025 op staande voet ontslagen omdat hij een gevonden Apple Watch niet zou hebben ingeleverd volgens de geldende procedure. De werknemer stelde dat hij het horloge bij een servicebalie had afgegeven, maar erkende dat dit niet volgens de procedure was.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven, omdat NS het onderzoek al op 27 november 2025 had afgerond maar pas op 1 december ontsloeg. Daarnaast was onduidelijk of het horloge kwijt was geraakt binnen de organisatie of dat de werknemer het had achtergehouden. Het eenmalig niet volgen van de procedure was onvoldoende voor een ontslag op staande voet.

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door NS werd afgewezen omdat er geen redelijke grond was. De arbeidsovereenkomst blijft bestaan, met recht op wedertewerkstelling en loonbetaling. Het verzoek van NS tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding werd eveneens afgewezen.

De proceskosten in beide procedures worden aan NS opgelegd. De kantonrechter veroordeelde NS tot toelating van de werknemer tot de werkzaamheden, betaling van loon met wettelijke verhoging en rente, en betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werknemer wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden met doorbetaling van loon.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummers: 12079445 \ EA VERZ 26-96 en 12083797 \ EA VERZ 26-135
Beschikking van 28 april 2026
in de zaken van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij en verwerende partij in het tegenverzoek in de procedure op grond van artikel 7:681 Burgerlijk Pro Wetboek (BW),
verwerende partij in de procedure op grond van artikel 7:677 lid 2 BW Pro,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. T.M.A. Verhoeven,
tegen
NS REIZIGERS B.V.,
te Utrecht,
verwerende partij en verzoekende partij in het tegenverzoek in de procedure op grond van artikel 7:681 BW Pro,
verzoekende partij in de procedure op grond van artikel 7:677 lid 2 BW Pro,
hierna te noemen: NS,
gemachtigde: mr. A.D. Klaver.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek op grond van artikel 7:681 BW Pro gedaan om onder meer een ontslag te vernietigen. NS heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend. Deze procedure is geregistreerd onder zaaknummer 12079445 \ EA VERZ 26-96 (hierna: zaak I).
1.2.
NS heeft daarnaast een verzoek gedaan om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW Pro. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 12083797 \ EA VERZ 26-135 (hierna: zaak II).
1.3.
Op 24 maart 2026 heeft in beide procedures een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. NS is vertegenwoordigd door [naam 1] (teammanager, hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (clustermanager), vergezeld door de gemachtigde. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.4.
Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.
2. De feiten
2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1991, is sinds 31 december 2018 in dienst bij NS, het meest recent in de functie van hoofdconducteur.
2.2.
Op 14 oktober 2025 had [verzoeker] dienst als hoofdconducteur. Hij is toen op de trein naar [locatie 1] begeleid door [naam 1] , zijn teammanager. Op het station in [locatie 1] heeft een reiziger [verzoeker] een Apple Watch (hierna: het horloge) overhandigd waarbij die reiziger hem zei dat die het horloge had gevonden in de trein. Op de terugreis is [naam 1] uitgestapt op station Sloterdijk en is [verzoeker] verder gereisd naar station [locatie 2] , waar hij pauze had.
2.3.
[verzoeker] had een beoordelingsgesprek op 29 oktober 2025. Tijdens dit gesprek heeft [naam 1] gevraagd of [verzoeker] het horloge had ingeleverd.
2.4.
Op 1 december 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief heeft NS aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] het horloge niet heeft ingeleverd. Hiermee heeft [verzoeker] volgens NS de plichten op grond van de arbeidsovereenkomst grovelijk veronachtzaamd en de geldende gedragscode en verplichtingen als goed werknemer ernstig geschonden.

3.De verzoeken, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
In zaak I verzoekt [verzoeker] de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en NS te veroordelen tot betaling van loon. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [verzoeker] voert aan dat hij bij terugkomst op station [locatie 2] onvoldoende tijd had om het horloge volgens de procedure in te leveren. Om die reden heeft [verzoeker] het horloge bij een servicebalie afgegeven aan een medewerker van de afdeling Tickets & Service. Ook tijdens zijn functioneringsgesprek met [naam 1] op 29 oktober 2025 heeft [verzoeker] verklaard dat hij het horloge op die wijze had afgegeven.
3.2.
NS voert daartegen verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. NS heeft daarbij een tegenverzoek gedaan. NS verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Volgens NS is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. [verzoeker] heeft in strijd met de bij NS gelden reglementen gehandeld door het horloge niet direct aan te melden in de Wissel App en in te leveren, terwijl hij aan [naam 1] heeft verteld dit wel te hebben gedaan. [verzoeker] heeft aldus leugenachtig verklaard.
3.3.
In zaak II verzoekt NS dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW Pro ter hoogte van € 7.054,52 bruto, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.
[verzoeker] voert daartegen verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Zaak I: het verzoek van [verzoeker] op grond van artikel 7:681 BW Pro
4.1.
Bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] gaat het om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd.
4.2.
De kantonrechter moet beoordelen of de reden die de werkgever aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd als een dringende reden is aan te merken als bedoeld in artikel 7:677 BW Pro. Als dat zo is, moet beoordeeld wordenof er onverwijld is opgezegd, onder onverwijlde mededeling van die reden. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag moeten de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang worden bezien. De aard en de ernst van het gedrag van de werknemer spelen daarbij een rol, evenals de duur van de arbeidsovereenkomst en ook de (persoonlijke) omstandigheden van de werknemer en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer heeft.
4.3.
Onbetwist is dat [naam 1] op 28 oktober 2025 een intern verzoek heeft gedaan om na te gaan of het horloge door [verzoeker] in overeenstemming met de procedure om gevonden voorwerpen aan te melden is ingevoerd in de zogenoemde Wissel App. Op 4 november 2025 is door de afdeling Service & Operatie meegedeeld dat uit onderzoek niet is gebleken dat het horloge is ingevoerd, maar dat dit niet zeker is. Vervolgens is NS op 11 november 2025 een intern onderzoek gestart.
4.4.
In het kader van dit onderzoek is [naam 1] gehoord op 12 november 2025 en [verzoeker] op 20 november 2025. Naar aanleiding van die gesprekken hebben de onderzoekers twee medewerkers van de servicebalie benaderd. Die hebben op maandag 24 november 2025 telefonisch een verklaring afgelegd. Vervolgens is het rapport van onderzoek opgeleverd op donderdag 27 november 2025. Vervolgens is in het gesprek van maandag 1 december 2025 [verzoeker] op staande voet ontslagen.
4.5.
Omdat het onderzoek al op 27 november 2025 was afgerond, had NS eerder tot het ontslag op staande voet moeten overgaan. Weliswaar zat tussen de 27ste en de 1ste een weekend. Maar ook gelet op de duur van het hele onderzoek – de tijd vanaf het antwoord op het interne verzoek op 4 november 2025 en het resultaat van het onderzoek op 27 november 2025 – heeft NS onvoldoende duidelijk gemaakt waarom niet meteen na de dag van oplevering van het rapport is overgegaan tot het ontslag op staande voet. Dat brengt met zich mee dat het ontslag niet onverwijld is gegeven.
4.6.
Daar komt het volgende bij. Voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag dient hetgeen NS in de ontslagbrief heeft opgenomen als uitgangspunt te worden genomen. In de ontslagbrief van 1 december 2025 heeft NS aan het ontslag ten grondslag gelegd dat het horloge door [verzoeker] niet is ingeleverd en dat [verzoeker] hiermee de geldende gedragscode en zijn verplichting als goed werknemer heeft geschonden. [verzoeker] voert aan dat hij het horloge heeft afgegeven bij een servicebalie, maar erkent dat dit niet volgens de procedure is. Volgens [verzoeker] had op grond van camerabeelden kunnen worden vastgesteld dat hij het horloge daadwerkelijk bij de servicebalie had afgegeven, maar vaststaat dat die camerabeelden door NS niet zijn veilig gesteld.
4.7.
Dit klemt des te meer omdat [verzoeker] stelt dat hij tijdens het functioneringsgesprek al zei dat hij het horloge bij de servicebalie had ingeleverd en de beelden toen nog beschikbaar waren. NS betwist dit. Volgens NS heeft [verzoeker] toen juist gezegd dat hij het geregistreerd had in de Wissel App. Het verslag van het functioneringsgesprek is in de procedure gebracht en daar kan niet uit worden afgeleid wat [verzoeker] hierover heeft gezegd. NS stelt dat [naam 1] de eerder gedane interne navraag zou hebben stopgezet als [verzoeker] al tijdens het functioneringsgesprek op 29 oktober 2025 zou hebben verklaard dat hij het horloge bij de servicebalie had ingeleverd. Het doorzetten van dit onderzoek zou er echter ook op gericht kunnen zijn geweest na te gaan wat met het horloge is gebeurd nadat het op de door [verzoeker] gestelde wijze bij de servicebalie was ingeleverd, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter net zo voor de hand ligt.
4.8.
Het is weliswaar juist dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld omdat hij niet heeft voldaan aan de geldende procedure voor het registreren en inleveren van gevonden voorwerpen. Een hoofdconducteur is immers verantwoordelijk voor hem toevertrouwde gevonden voorwerpen en in dit geval was het een duur voorwerp. Maar hier is ook na het onderzoek onduidelijk gebleven of het horloge in de organisatie kwijt is geraakt of dat [verzoeker] het achterover heeft gedrukt. Dat laatste heeft de kantonrechter op de zitting ter sprake gebracht, maar NS heeft geen bevredigend antwoord gegeven of dat het is wat zij [verzoeker] eigenlijk verwijt. Onder de gegeven omstandigheden is het éénmalig niet voldoen aan de geldende procedure voor het registreren en inleveren van gevonden voorwerpen dan ook onvoldoende om het gegeven ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Niet valt in te zien dat NS niet heeft kunnen volstaan met een andere arbeidsrechtelijke sanctie aan [verzoeker] . Een ontslag op staande voet is in dit specifieke geval een te zwaar middel.
4.9.
Het ontslag op staande voet wordt daarom vernietigd. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.
Het tegenverzoek in zaak I op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW
4.10.
Het voorgaande betekent dat moet worden beslist op het voorwaardelijk tegenverzoek van NS om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De voorwaarde waaronder NS dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd.
4.11.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
4.12.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.13.
NS heeft aan het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag gelegd dat sprake is van (primair) verwijtbaar handelen door [verzoeker] (de e-grond), (subsidiair) een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) dan wel (meer subsidiair) een combinatie van deze omstandigheden (de i-grond).
4.14.
Het eenmalig niet volgen van de procedure voor het aanmelden en inleveren van gevonden voorwerpen kan niet worden aangemerkt als een verwijtbaar handelen zodanig dat van NS in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarnaast geeft NS als grondslag voor het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dat [verzoeker] tijdens het functioneringsgesprek met [naam 1] op 29 oktober 2025 in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij het horloge in overeenstemming met de procedure heeft aangemeld en ingeleverd. Hiervoor is al geoordeeld dat dit met het overgelegde verslag van het functioneringsgesprek niet vastgesteld kan worden. Voor zover NS heeft beoogd andere omstandigheden aan haar tegenverzoek ten grondslag te leggen heeft zij niet voldoende uitgewerkt waarom van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat betekent dat de e- en de g-grond op dit moment niet tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden. De i-grond is niet bedoeld om de niet-geslaagde e- en g-grond te repareren. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden.
Wedertewerkstelling en loonbetaling
4.15.
Uit het voorgaande volgt in zaak I dat het ontslag op staande voet niet in stand kan blijven en het tegenverzoek van NS tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en [verzoeker] recht heeft op wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon. De vorderingen van [verzoeker] tot wedertewerkstelling en loonbetaling zullen daarom worden toegewezen als na te melden. De gevorderde dwangsom voor het geval NS [verzoeker] niet toelaat tot de overeengekomen werkzaamheden zal worden gemaximeerd.
4.16.
De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente zijn eveneens toewijsbaar, omdat NS niet tijdig heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 25%. De wettelijke rente over het achterstallig loon wordt toegewezen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de loonbetalingen.
Advocaatkosten
4.17.
[verzoeker] vordert in zaak I veroordeling van NS tot betaling van zijn advocaatkosten van € 950,00. NS betwist dat zij de advocaatkosten verschuldigd is.
4.18.
De advocaatkosten vallen onder de proceskosten van artikel 237 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en niet onder de buitengerechtelijke kosten van artikel 6:96 lid 2 onder Pro c BW. Deze kosten moeten dan ook geacht worden deel uit te maken van kosten ter voorbereiding van deze procedure, als bedoeld in artikel 241 Rv Pro. Afwijking van deze regel is alleen mogelijk in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door een procedure te starten. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat deze vordering van [verzoeker] wordt afgewezen.
Zaak II: het verzoek van NS op grond van artikel 7:677 lid 2 BW Pro
4.19.
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, kan NS ook geen aanspraak maken op de vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
Proceskosten in beide zaken
4.20.
De proceskosten komen in beide procedures voor rekening van NS, omdat NS (overwegend) ongelijk krijgt. De proceskosten van [verzoeker] in de procedure met zaaknummer 12079445 \ EA VERZ 26-96 (zaak I) worden begroot op € 1.170,00 (€ 233,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 72,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [verzoeker] in de procedure met zaaknummer 12083797 \ EA VERZ 26-135 (zaak II) worden begroot op begroot op € 432,00 (1 punt × € 360,00 aan salaris gemachtigde en € 72,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
In de procedure met zaaknummer 12079445 \ EA VERZ 26-96
5.1.
verklaart voor recht dat de opzegging door NS van 1 december 2025 van de arbeidsovereenkomst tussen NS en [verzoeker] (het ontslag op staande voet) onrechtmatig is,
5.2.
vernietigt het op 1 december 2025 gegeven ontslag op staande voet,
5.3.
veroordeelt NS om binnen drie dagen na de datum van deze beschikking [verzoeker] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden en hem als gebruikelijk in te roosteren, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat NS hiermee in gebreke blijft tot een maximum van € 50.000,00,
5.4.
veroordeelt NS om binnen drie dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] het door NS aan [verzoeker] vanaf 1 december 2025 verschuldigde loon inclusief emolumenten te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging met een maximum van 25% en met de wettelijke rente, vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de loonbetalingen tot aan de dag van de gehele betaling, onder overlegging van een deugdelijke specificatie,
5.5.
veroordeelt NS in de proceskosten van € 1.170,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als NS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af,
In de procedure met zaaknummer 12083797 \ EA VERZ 26-135
5.8.
wijst het verzoek af,
5.9.
veroordeelt NS in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als NS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.10.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
33806

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.