Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4496

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
13-050608-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte aan België ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 mei 2026 een verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. De verdachte wordt verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder opzettelijke brandstichting en deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank beoordeelde de strafbaarheid van de feiten, waarbij sommige feiten als lijstfeiten werden aangemerkt waarvoor geen dubbele strafbaarheid hoeft te worden getoetst, terwijl voor andere feiten dubbele strafbaarheid werd vastgesteld. Daarnaast werd accessoire overlevering toegestaan voor een feit met een lager strafmaximum, om alle beschuldigingen tegelijk af te kunnen doen.

Ondanks een eerder vastgesteld algemeen risico op onmenselijke detentieomstandigheden in België, concludeerde de rechtbank dat de individuele detentiegarantie voor de verdachte voldoende waarborgen biedt, waaronder minimale leefruimte, sanitaire voorzieningen en toegang tot dagactiviteiten. De rechtbank oordeelde dat de overlevering kan plaatsvinden zonder dat de fundamentele rechten van de verdachte worden geschonden.

De rechtbank wees verder op het ontbreken van een beroep op de terugkeergarantie door de verdachte en constateerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering werd daarom toegestaan zonder mogelijkheid tot gewoon rechtsmiddel.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan België toe onder individuele detentiegaranties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-050608-26
Datum uitspraak: 7 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 maart 2026, gecorrigeerd op 25 maart 2026, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2026 door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 april 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. J.G.W.M. Lut, advocaat in ’s-Gravenhage.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek van 9 februari 2026, uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven met kenmerk 1038/24// 24CP7216.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten, die met de toepasselijke Belgische wetsbepalingen worden weergegeven bij het tweede en derde gedachtestreepje [4] , aangeduid als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
opzettelijke brandstichting.
Uit het EAB volgt dat op deze strafbare feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit, dat met de toepasselijke Belgische wetsbepaling wordt weergegeven bij het vierde gedachtestreepje, niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – is voldaan aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast ten aanzien van dit feit dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
4.3
Accessoire overlevering
De rechtbank stelt vast dat het feit, dat met de toepasselijke Belgische wetsbepaling wordt aangeduid onder het eerste gedachtestreepje, niet aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onder a, sub 1, OLW voldoet, nu op dat feit naar Belgisch recht een strafmaximum van drie maanden staat. Dit feit voldoet dus niet aan het vereiste dat op een feit waarvoor de overlevering wordt verzocht in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Dit feit is overigens wel naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
bedreiging, met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 7, zesde lid, OLW ook voor dit feit de overlevering kan worden toegestaan. Het EAB heeft immers betrekking op verscheidene afzonderlijke feiten die zowel naar Belgisch recht als naar Nederlands recht strafbaar zijn. Overlevering kan daarom voor dit feit gelijktijdig worden toegestaan met de feiten die zijn aangeduid als een zogenoemd lijstfeit en het feit dat voldoet aan de eisen van dubbele strafbaarheid (zie hiervoor onder 4.1 en 4.2).
De rechtbank overweegt hiertoe dat door accessoire overlevering alle beschuldigingen tegen de opgeëiste persoon tegelijk kunnen worden afgedaan. Dit is immers in het belang van een effectieve rechtspleging en – omdat mogelijk een strafoplegging volgt na overlevering – het belang om straffeloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. Dat alle beschuldigingen tegelijk worden afgedaan is naar het oordeel van de rechtbank ook in het belang van de opgeëiste persoon.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van een terugkeergarantie.

6.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in België

6.1
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [5]
Bij brief van 9 april 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Leuven Hulp indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

6.2
Oordeel van de rechtbank
De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [6] De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 140 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie onderdeel c) en onderdeel e) van het EAB.
5.Rb. Amsterdam 14 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.