Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4396

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
736592 + 754544
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:239 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 6:166 BWArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen bestuurder bij verkoop dochtervennootschappen en proceskostenveroordeling

De rechtbank Amsterdam heeft op 4 maart 2026 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen Kors B.V. en een voormalig bestuurder, waarbij onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid centraal stonden.

De bestuurder had een meerderheidsbelang in de kopende partij van de dochtervennootschappen van Kors, zonder dit te melden, en handelde daarmee in strijd met zijn wettelijke plichten. De rechtbank oordeelde dat dit ernstig verwijtbaar en onrechtmatig was jegens Kors. De vorderingen tot terugbetaling van managementvergoedingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Daarnaast werd vastgesteld dat de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken en zijn belang te verbergen, wat heeft geleid tot hoge juridische kosten voor Kors. De rechtbank veroordeelde hem tot vergoeding van deze kosten en tot terugbetaling van een depotbedrag dat onterecht was gebruikt.

De vorderingen in de vrijwaringszaak werden grotendeels afgewezen, waarbij ook proceskostenveroordelingen werden uitgesproken. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een uitgebreide motivering over bestuurdersaansprakelijkheid, tegenstrijdig belang en procesrechtelijke aspecten.

Uitkomst: De bestuurder is veroordeeld tot betaling van € 666.281,21 schadevergoeding, terugbetaling van depotbedrag en proceskosten wegens ernstig verwijtbaar en onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummers: C/13/736592 / HA ZA 23-646 (hoofdzaak)
C/13/754544 / HA ZA 24-852 (vrijwaringszaak)
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaken van
de besloten vennootschap
KORS B.V.,
te Rotterdam,
in de hoofdzaak eisende partij,
hierna te noemen: Kors,
advocaat: mr. J.P.M. Borsboom,
tegen
[gedaagde id hfdzk],
te [woonplaats] ,
in de hoofdzaak gedaagde partij,
in de vrijwaringszaak gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie en in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde id hfdzk] ,
advocaat: mr. J. Stikkelbroeck,
en
de besloten vennootschap
[eiser id vrijw.zk] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
in de vrijwaringszaak eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie en in het incident,
hierna te noemen: [eiser id vrijw.zk] ,
advocaat: mr. J.P.M. Borsboom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure
in de hoofdzaakblijkt uit:
˗ de dagvaarding van 30 december 2021 met producties 1-31;
˗ de akte houdende toelichting opbrengen en overlegging producties 32-33 van 19 juli 2023 van Kors;
˗ de conclusie van antwoord van 11 oktober 2023 van [gedaagde id hfdzk] met producties
1-21;
˗ het tussenvonnis van 27 december 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
˗ de akte tot wijziging van eis van 1 mei 2024 van Kors met producties 34-59;
˗ de akte tot wijziging van eis van 26 maart 2025 van Kors met producties 60-66;
˗ de op 4 juni 2025 van Kors ontvangen producties 67-68;
˗ de op 6 juni 2025 van [gedaagde id hfdzk] ontvangen producties 22-45;
˗ het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 juni 2025;
˗ de antwoordakte wijziging eis van 23 juli 2025 van [gedaagde id hfdzk] met producties 46-51;
˗ de akte uitlaten producties van Kors met producties 69-71;
˗ de akte tot wijziging van eis van 17 december 2025 van Kors met producties 72-75;
˗ de op 9 januari 2026 van [gedaagde id hfdzk] ontvangen producties 52-53;
˗ het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, en de spreekaantekeningen van partijen.
1.2.
Het verloop van de procedure
in de vrijwaringszaakblijkt uit:
˗ de dagvaarding in vrijwaring van 22 juli 2024 van [eiser id vrijw.zk] met producties 1-15;
˗ de incidentele vordering tot vrijwaring van [gedaagde id hfdzk] met producties 1-11;
˗ de conclusie van antwoord in het incident van [eiser id vrijw.zk] ;
˗ het vonnis in incident van 18 december 2024;
˗ de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en incidentele vordering tot afgifte bescheiden ex artikel 843a Rv van 29 januari 2025 van [gedaagde id hfdzk] met producties 12-18;
˗ de conclusie van antwoord in reconventie en conclusie van antwoord in het incident van 26 maart 2025 van [eiser id vrijw.zk] met producties 16-17;
˗ het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, en de spreekaantekeningen van partijen.
1.3.
In de hoofdzaak was naast [gedaagde id hfdzk] aanvankelijk ook [eiser id vrijw.zk] gedaagde partij. In de vrijwaringszaak heeft [eiser id vrijw.zk] in conventie gevorderd [gedaagde id hfdzk] te veroordelen om aan [eiser id vrijw.zk] te betalen datgene, waartoe [eiser id vrijw.zk] als gedaagde in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. De hoofdzaak tegen [eiser id vrijw.zk] is na het uitbrengen van de dagvaarding in de vrijwaringszaak op 27 november 2024 doorgehaald.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald in beide zaken, waaronder ook in het incident in de vrijwaringszaak.

2.De feiten

De Pervasco-groep

2.1.
Kors stond aan het hoofd van de Pervasco-groep, die snoepgoed maakt met onder andere de merknamen Napoleon en Anta Flu. De Pervasco-groep had kantoren in Rotterdam en Antwerpen en een fabriek in Breskens. De aandelen in Kors worden gehouden door [naam 2] B.V., een besloten vennootschap van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
2.2.
[naam 1] is vanaf 2003 langere tijd fysiek en psychisch instabiel geweest. Anderen zijn daar misbruik van gaan maken, wat ten koste ging van de onderneming van de Pervasco-groep. Later bleek van:
˗ schulden- en beslagleggingsproblematiek,
˗ financieringsproblemen,
˗ een ongunstige winstprognose,
˗ een gebrekkige administratie,
˗ onzekerheid omtrent de fiscale positie,
˗ een jarenlang verwaarloosde fabriek in Breskens,
˗ problemen met de merkrechten,
˗ dubieuze volmachten en contracten,
˗ infiltratie van derden met vermoedelijk kwade intenties.
2.3.
Op 4 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een onderzoek bevolen bij Kors. [1] De aandelen die [naam 2] hield in Kors zijn in beheer gegeven aan de heer mr. E.L.A. van Emden. Op 9 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer [gedaagde id hfdzk] benoemd tot tijdelijk bestuurder van Kors.
De verkoop aan [eiser id vrijw.zk]
2.4.
[gedaagde id hfdzk] heeft na zijn benoeming de onderneming van de Pervasco-groep er weer bovenop geholpen. Tevens heeft hij de onderneming (lees: de dochtervennootschappen van Kors) overgedragen aan [eiser id vrijw.zk] en indirect een persoonlijk belang in [eiser id vrijw.zk] verworven van zestig procent, zonder [naam 1] , Van Emden of de Ondernemingskamer daarvan op de hoogte te stellen.
2.5.
Op 11 augustus 2017 heeft [gedaagde id hfdzk] namens Kors een participatieovereenkomst gesloten. Daarin is onder andere opgenomen dat de besloten vennootschap B.V. [naam 3] (hierna: [naam 3] ) een onherroepelijk recht (een ‘call-optie’) heeft om voor € 1 zestig procent van de aandelen in Kors te verwerven. [gedaagde id hfdzk] is de bestuurder van [naam 3] en houdt daarin indirect alle aandelen.
2.6.
Op 21 december 2017 is [eiser id vrijw.zk] (toen nog Pervasco Holding B.V. genaamd) opgericht. Op die dag zijn ook de besloten vennootschappen HoldCo 1 B.V., HoldCo 2 B.V. en HoldCo 3 B.V. opgericht, die ieder twintig procent van de aandelen in [eiser id vrijw.zk] gingen houden. De overige aandelen in [eiser id vrijw.zk] waren van UPIG B.V., Volabo B.V., Haldoorn Holding BVBA, Sagittarius Management B.V., de heer [naam 4] en de heer [naam 5] .
2.7.
Op 11 juni 2018 heeft [naam 3] het hiervoor genoemde optierecht ingeroepen en op 18 juni 2018 hebben HoldCo 1, HoldCo 2 en HoldCo 3 ieder twintig procent van de aandelen in [eiser id vrijw.zk] aan haar overgedragen.
2.8.
Op 15 juni 2018 heeft [gedaagde id hfdzk] namens Kors alle aandelen in de werkmaatschappijen van de Pervasco-groep verkocht aan [eiser id vrijw.zk] . De koopprijs bedroeg € 75.000,- in contanten en € 1 miljoen in de vorm van de kwijtschelding van een schuld. De koopprijs zou worden vermeerderd met een nabetaling ter hoogte van acht procent van het bedrijfsresultaat van de dochtervennootschappen over de jaren 2018, 2019 en 2020.
2.9.
Op 13 en 16 augustus 2018 zijn de aandelen in de dochtervennootschappen van de Pervasco-groep aan [eiser id vrijw.zk] overgedragen en is [gedaagde id hfdzk] benoemd als bestuurder van [eiser id vrijw.zk] .
2.10.
[gedaagde id hfdzk] heeft de Ondernemingskamer bij e-mail van 14 augustus 2018 van deze transactie op de hoogte gesteld, maar daarbij zijn persoonlijke belang van zestig procent in de koper ontkend:
“Ter voorkoming van misverstanden bericht ik u dat de kopers van de dochtervennootschappen van Kors B.V. hebben bedongen dat ik nog enige tijd optreed als bestuurder van de kopende vennootschap, teneinde de continuïteit van het bestuur te garanderen en een goede overdracht te waarborgen. Ik zal daarvoor een marktconforme managmentfee ontvangen, maar geen aandelen of winstrechten in de kopende partij.”
2.11.
Op 19 december 2018 heeft de Ondernemingskamer de aanstelling van [gedaagde id hfdzk] als bestuurder van de dochtervennootschappen beëindigd, omdat de aandelen daarin inmiddels aan [eiser id vrijw.zk] waren overgedragen.
2.12.
Op 9 januari 2020 vroeg de Ondernemingskamer aan [gedaagde id hfdzk] onder meer wie de aandeelhouders en ultimate beneficial owners van [eiser id vrijw.zk] waren en welk belang ieder van de aandeelhouders hield. Als antwoord stuurde [gedaagde id hfdzk] op 15 januari 2020 een schema waarop als aandeelhouders waren weergegeven: UPIG voor 20 procent, Haldoorn voor 22 procent, Volabo voor 22 procent, Wharf Canarei voor 20 procent, Sagittarius Capital Partners C.V. voor 11,5 procent, [naam 5] voor 2,5 procent en [naam 4] voor 2 procent. [gedaagde id hfdzk] of [naam 3] komt in het schema niet voor.
2.13.
Op 24 april 2020 heeft de Ondernemingskamer de getroffen voorzieningen beëindigd met ingang van 15 mei 2020, waarmee de aanstelling van [gedaagde id hfdzk] als bestuurder van Kors eindigde. Op 19 mei 2020 is [gedaagde id hfdzk] afgetreden als bestuurder van [eiser id vrijw.zk] .
2.14.
Op verzoek van [gedaagde id hfdzk] en Van Emden heeft de Ondernemingskamer bepaald dat zij € 100.000 mogen afzonderen uit het vermogen van Kors ter dekking van de redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer in eventuele aansprakelijkheidsprocedures. Dit bedrag is ondergebracht bij de Stichting Beheer Derdengelden De Koning Advocaten (hierna: de Stichting), waartoe op 29 april 2020 een depotovereenkomst is getekend.
2.15.
[gedaagde id hfdzk] heeft als bestuurder van [eiser id vrijw.zk] en daarna als adviseur van de dochtervennootschappen managementvergoedingen ontvangen. Deze zijn betaald aan twee van zijn vennootschappen: [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) en [naam 3] . [eiser id vrijw.zk] en Confiserie Napoleon Sales B.V. (een dochtervennootschap van – inmiddels – [eiser id vrijw.zk] , hierna: Napoleon Sales) hebben de volgende bedragen betaald:
2018
345.317
2019
282.299
2020
271.771
2021
279
2022
263.54
Totaal
1.441.927
Teruggave van de werkmaatschappijen
2.16.
Op 23 december 2022 hebben Kors en [eiser id vrijw.zk] een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan Kors via de Stichting Administratiekantoor Lindelaan 24,99% van de aandelen in [eiser id vrijw.zk] verkreeg. Kors en Van Emden waren er toen niet van op de hoogte dat [gedaagde id hfdzk] via [naam 3] 60% van de aandelen had gehouden en daarvan meer dan de helft behield. Deze aandelen zijn daarna overgedragen aan Shelby MFO B.V. en Burg Investments 3 B.V. Later bleek dat ook deze vennootschappen in handen waren van [gedaagde id hfdzk] .
2.17.
In de tweede helft van 2023 had Kors contact met het management van de dochtervennootschappen omdat er een gegadigde was om een bod uit te brengen op de aandelen in [eiser id vrijw.zk] . Uit die gesprekken bleek dat [gedaagde id hfdzk] vanaf de oprichting van [eiser id vrijw.zk] een feitelijke meerderheidspositie voor zichzelf had gecreëerd in [eiser id vrijw.zk] .
2.18.
Op 27 maart 2024 heeft Kors zich tegenover [eiser id vrijw.zk] op het standpunt gesteld dat de verkoop van 15 juni 2018 nietig is en dat daarmee de vaststellingsovereenkomst zinledig is, althans vernietigbaar wegens bedrog. [eiser id vrijw.zk] en haar aandeelhouders hebben op 28 mei 2024 gezamenlijk een procedure aanhangig gemaakt bij de Ondernemingskamer waarin zij de Ondernemingskamer verzochten in te grijpen in [eiser id vrijw.zk] . Op diezelfde dag heeft Kors de beschikking gekregen over de participatieovereenkomst van 11 augustus 2017, waaruit haar bleek dat [gedaagde id hfdzk] toen al van plan was een belang van zestig procent in de onderneming te verwerven.
2.19.
Op grond van een vaststellingsovereenkomst van 6 juni 2024 heeft [gedaagde id hfdzk] zijn (resterende) aandelen in [eiser id vrijw.zk] op 12 juni 2024 voor € 1 overgedragen aan Kors, waarna ook de andere aandeelhouders van [eiser id vrijw.zk] hun aandelen aan Kors hebben overgedragen. Inmiddels houdt Kors alle aandelen in [eiser id vrijw.zk] en daarmee indirect weer in de dochtervennootschappen.
2.20.
Kors heeft declaraties van haar advocaat overgelegd uit de periode van 17 februari 2020 tot en met 31 december 2024. Het totaal bedraagt € 714.359,64 exclusief btw.

3.Het geschil

3.1.
Kors vordert – na wijzigingen van eis –
in de hoofdzaaksamengevat:
˗ een verklaring voor recht dat [gedaagde id hfdzk] persoonlijk ernstig verwijtbaar c.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Kors, [eiser id vrijw.zk] en Napoleon Sales;
˗ [gedaagde id hfdzk] te veroordelen tot betaling aan Kors (mede als lasthebber van [eiser id vrijw.zk] en Napoleon Sales) van € 1.441.927,- met rente, € 714.359,64 met rente en € 50.000,- met rente,
˗ [gedaagde id hfdzk] te veroordelen om op straffe van een dwangsom binnen vijf dagen aan de Stichting mede te delen dat hij geen bezwaar heeft tegen uitbetaling van het door de Stichting in depot gehouden bedrag van € 50.000,- aan Kors en - voor het geval [gedaagde id hfdzk] deze mededeling niet onvoorwaardelijk binnen vijf dagen na het vonnis heeft gedaan - te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de mededeling van [gedaagde id hfdzk] ;
˗ [gedaagde id hfdzk] daarnaast te veroordelen om aan Kors (mede als lasthebber van [eiser id vrijw.zk] en Napoleon Sales) te betalen een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat, met rente;
˗ [gedaagde id hfdzk] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Volgens Kors heeft [gedaagde id hfdzk] onrechtmatig gehandeld jegens Kors, [eiser id vrijw.zk] en Napoleon Sales en bovendien persoonlijk ernstig verwijtbaar gehandeld jegens de vennootschappen waarvan hij bestuurder was. Op grond van lastgeving van [eiser id vrijw.zk] en Napoleon Sales vordert Kors vergoeding van de managementvergoedingen die deze vennootschappen vanaf 1 januari 2018 aan [gedaagde id hfdzk] hebben betaald. De andere gevorderde bedragen zijn de onder 2.20 genoemde juridische kosten die Kors door de leugens van [gedaagde id hfdzk] heeft moeten maken en het bedrag dat [gedaagde id hfdzk] uit het depot heeft gebruikt voor de procedures. Tot slot wil Kors dat [gedaagde id hfdzk] meewerkt aan terugbetaling van het restant van het depot.
3.3.
[gedaagde id hfdzk] voert verweer. Hij ontkent dat hij onrechtmatig of persoonlijk ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld in het licht van de zeer bijzondere omstandigheden waarmee hij destijds werd geconfronteerd. [gedaagde id hfdzk] voert aan dat Kors en [naam 1] door zijn handelen geen schade hebben geleden maar effectief veel rijker zijn geworden, omdat de onderneming zonder zijn ingrijpen failliet zou zijn gegaan. Verder beroept [gedaagde id hfdzk] zich op de hem verleende decharges en een bij zijn aanstelling gegeven vrijwaring.
3.4.
[eiser id vrijw.zk] heeft
in de vrijwaringszaak in conventiegevorderd om [gedaagde id hfdzk] te veroordelen om aan [eiser id vrijw.zk] te betalen datgene, waartoe [eiser id vrijw.zk] als gedaagde in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Daarna heeft [eiser id vrijw.zk] verzocht de vrijwaringszaak door te halen, omdat zij met Kors in de hoofdzaak een regeling had getroffen. Aan dit eenzijdige verzoek is - zo blijkt uit het roljournaal - geen gehoor gegeven. Omdat van een veroordeling van [eiser id vrijw.zk] in de hoofdzaak geen sprake meer kan zijn, heeft [eiser id vrijw.zk] - daarover zijn partijen het eens - geen belang meer bij haar vordering en zal de rechtbank de vordering van [eiser id vrijw.zk] in conventie afwijzen.
3.5.
[gedaagde id hfdzk] vordert
in reconventie in de vrijwaringszaak:
˗ [eiser id vrijw.zk] te veroordelen om aan [gedaagde id hfdzk] te betalen, datgene waartoe [eiser id vrijw.zk] is gehouden bij te dragen aan hetgeen waartoe [gedaagde id hfdzk] als gedaagde in de hoofdzaak tegen Kors mogelijk zal worden veroordeeld; en
˗ [eiser id vrijw.zk] te veroordelen in de kosten van deze procedure, zowel in conventie als in reconventie en in het incident, vermeerderd met rente.
3.6.
[gedaagde id hfdzk] legt hieraan het volgende ten grondslag. Als [gedaagde id hfdzk] onrechtmatig jegens Kors heeft gehandeld en gehouden is om aan Kors een schadevergoeding te betalen, dan is sprake van groepsaansprakelijkheid en zijn [eiser id vrijw.zk] en de andere oprichters van [eiser id vrijw.zk] volgens artikel 6:162 en Pro artikel 6:166 BW Pro naast [gedaagde id hfdzk] hoofdelijk en voor gelijke delen aansprakelijk voor die schade.
3.7.
[eiser id vrijw.zk] voert verweer. Kors vordert volgens haar betaling van bedragen die [gedaagde id hfdzk] aan [eiser id vrijw.zk] en de dochtervennootschappen heeft onttrokken en een vergoeding van de door Kors gemaakte proceskosten als gevolg van de leugens van [gedaagde id hfdzk] . Daarvan kan [eiser id vrijw.zk] geen verwijt worden gemaakt.
3.8.
[gedaagde id hfdzk] vordert
in het incident in de vrijwaringszaakom [eiser id vrijw.zk] te veroordelen om op straffe van een dwangsom een afschrift te verstrekken van:
˗ de (vaststellings)overeenkomst(en) die [eiser id vrijw.zk] heeft gesloten met Kors en de oprichters van [eiser id vrijw.zk] ;
˗ een waarderingsrapport dan wel verkoopmemorandum van KMPG.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ernstig verwijtbaar c.q. onrechtmatig handelen van [gedaagde id hfdzk]

4.1.
Niet ter discussie staat dat voor een door de Ondernemingskamer aangestelde bestuurder, zoals [gedaagde id hfdzk] , geen andere maatstaf geldt dan voor een ‘gewone’ bestuurder. Beoordeeld moet dus worden of [gedaagde id hfdzk] als bestuurder van Kors een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken. [2]
4.2.
[gedaagde id hfdzk] was tegenover Kors gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder. Hij moest zich bij de vervulling daarvan richten naar het belang van Kors en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:239 lid 5 BW Pro). Hij mocht als bestuurder van Kors niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over een transactie indien hij daarbij direct of indirect een persoonlijk belang had dat tegenstrijdig was met het belang van Kors (artikel 2:239 lid 6 BW Pro).
4.3.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde id hfdzk] bij het besluit tot verkoop van de dochtervennootschappen van Kors aan [eiser id vrijw.zk] een tegenstrijdig belang had. Op dat moment was al vastgelegd dat hij kort na de levering van de aandelen in de dochtervennootschappen via [naam 3] zestig procent van de aandelen in de koper zou gaan houden, terwijl hij bij dat besluit handelde als bestuurder van de verkoper. Gelet op de onverenigbare belangen van koper en verkoper kan in redelijkheid worden betwijfeld of [gedaagde id hfdzk] zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Kors. [gedaagde id hfdzk] had zich daarom dienen te onthouden van de besluitvorming binnen Kors over deze transactie op grond van artikel 2:239 lid 6 BW Pro. Door dat niet te doen heeft [gedaagde id hfdzk] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk vervuld jegens Kors, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het handelen in strijd met een wettelijke bepaling die de vennootschap beoogt te beschermen, is in dit verband een zwaarwegende omstandigheid. Daarmee heeft [gedaagde id hfdzk] als bestuurder eveneens onrechtmatig gehandeld jegens Kors.
4.4.
De ‘zeer bijzondere omstandigheden’ waarop [gedaagde id hfdzk] zich in dit verband beroept maken niet dat hem geen ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt. Ook al zou sprake zijn geweest van dreiging vanuit het criminele milieu, grote financiële problemen bij Kors en een onverkoopbare onderneming valt niet in te zien dat de door [gedaagde id hfdzk] gevolgde weg toelaatbaar is. Ook is niet relevant of de andere aandeelhouders in [eiser id vrijw.zk] wilden dat [gedaagde id hfdzk] een belang in [eiser id vrijw.zk] zou nemen, zoals hij heeft betoogd. Dat neemt de tegenstrijdigheid van zijn belang aan dat van Kors niet weg, nog los van het feit dat de andere aandeelhouders hetzelfde belang hadden als [gedaagde id hfdzk] . Evenmin is relevant of de andere aandeelhouders de voorwaarde stelden dat [gedaagde id hfdzk] als bestuurder voor twaalf maanden zou aanblijven met een optie voor nog twaalf maanden om de continuïteit van de onderneming te waarborgen. Ook dat neemt de tegenstrijdigheid van het belang niet weg. Bovendien is het daarvoor niet nodig om indirect (een meerderheid van de) aandelen in de koper te houden. Uit het feit dat [gedaagde id hfdzk] lange tijd heeft geprobeerd zijn belang in [eiser id vrijw.zk] verborgen te houden blijkt ook dat hij zich bewust is geweest van het feit dat hij iets deed wat niet juist was.
4.5.
De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde id hfdzk] dat Kors per saldo beter is geworden van zijn optreden. Het kan waar zijn dat Kors er voorafgaand aan de transactie met [eiser id vrijw.zk] slechter voorstond dan nu. Dat is dan het gevolg van de manier waarop [gedaagde id hfdzk] zijn taak als bestuurder heeft vervuld waarvoor hij was aangesteld, maar niet van de transactie met [eiser id vrijw.zk] . De rechtbank verwerpt tevens het verweer dat een betere verkoopopbrengst niet haalbaar was en dat er sprake is van eigen schuld aan de kant van Kors. Ook dat doet niet af aan de tegenstrijdigheid van het belang van [gedaagde id hfdzk] met dat van Kors, naar welk belang hij zich had te richten.
4.6.
Ten slotte verwerpt de rechtbank het beroep dat [gedaagde id hfdzk] heeft gedaan op de verleende decharges en de gegeven vrijwaring. In de algemene vergaderingen van aandeelhouders van Kors van 9 januari 2019 en 23 december 2019 is aan [gedaagde id hfdzk] decharge verleend voor het door hem gevoerde bestuur in de jaren 2017 en 2018. Een decharge geldt echter alleen voor informatie waarover de aandeelhouders in de algemene vergadering de beschikking hebben gekregen, die uit de jaarrekening blijkt of die anderszins aan de algemene vergadering bekend is gemaakt. Het tegenstrijdige belang van [gedaagde id hfdzk] bij de transactie met [eiser id vrijw.zk] valt daar niet onder.
4.7.
Op 31 mei 2017 hebben [gedaagde id hfdzk] en de heer [naam 6] , toen nog naast [gedaagde id hfdzk] bestuurder van Kors en de dochtervennootschappen, [gedaagde id hfdzk] namens deze vennootschappen gevrijwaard voor ‘alle mogelijke gevolgen, schade en aanspraken van derden in de ruimste zin’ en verklaard dat zij zelf [gedaagde id hfdzk] ‘nimmer zullen aanspreken, in of buiten rechte, ter zake van de uitoefening van uw taak als bestuurder in Kors B.V.’ De rechtbank vindt het beroep dat [gedaagde id hfdzk] doet op die twee brieven naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, nu hij zelf willens en wetens heeft gehandeld met een tegenstrijdig belang.
4.8.
De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht daarom toewijzen ten behoeve van Kors. Kors heeft verder niet duidelijk gemaakt waarom [gedaagde id hfdzk] - anders dan door het in rekening brengen van managementvergoedingen, waarover hierna meer - ook ernstig verwijtbaar of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser id vrijw.zk] en Napoleon Sales. Dat deel van de gevorderde verklaring voor recht zal de rechtbank daarom afwijzen.
De managementvergoedingen
4.9.
[gedaagde id hfdzk] was tot 19 december 2018 bestuurder van de dochtervennootschappen, tot 15 mei 2020 bestuurder van Kors en tot 19 mei 2020 bestuurder van [eiser id vrijw.zk] . Daarna was hij naar eigen zeggen tot en met het jaar 2022 nog werkzaam voor de dochtervennootschappen. In totaal is daarvoor sinds 1 januari 2018 een beloning betaald van € 1.441.927,-, waarvan € 707.540,- bij Napoleon Sales in rekening is gebracht. De beloningen zijn betaald aan [bedrijf] en [naam 3] .
4.10.
Op twee gronden vordert Kors terugbetaling van managementvergoedingen door [gedaagde id hfdzk] . De eerste grond is dat [gedaagde id hfdzk] zijn feitelijke meerderheidsbelang heeft gebruikt om zijn positie als bestuurder van [eiser id vrijw.zk] en de dochtervennootschappen (waaronder Napoleon Sales) te handhaven en zo betaling van de managementvergoedingen van € 25.000,- per maand af te dwingen. Onduidelijk is verder volgens Kors welke werkzaamheden [gedaagde id hfdzk] nog heeft verricht voor de ondernemingen toen hij geen bestuurder van [eiser id vrijw.zk] meer was. Kors noemt de beloning van [gedaagde id hfdzk] een uitvloeisel van zijn onrechtmatig handelen en stelt dat Kors - als zij aandeelhouder was gebleven - daarmee nooit zou hebben ingestemd. De reden dat terugbetaling wordt gevorderd vanaf 1 januari 2018 is dat toen duidelijk was dat [gedaagde id hfdzk] een meerderheidsbelang in de kopende partij zou krijgen.
4.11.
Op deze grond kan de rechtbank de vordering niet toewijzen. Kors heeft geen bijzonderheden gegeven over de totstandkoming van de overeenkomsten waarop de beloning van [gedaagde id hfdzk] was gebaseerd en dus ook niet over een tegenstrijdig belang dat [gedaagde id hfdzk] daarbij had. Op zichzelf is het toegestaan dat iemand een beloning ontvangt van een vennootschap waarin hij aandelen houdt en waarvan hij bestuurder is. Verder heeft het bestuur van [eiser id vrijw.zk] kennelijk ook na het aftreden van [gedaagde id hfdzk] als bestuurder van Kors en [eiser id vrijw.zk] hem een vergoeding toegekend voor zijn werkzaamheden voor de dochtervennootschappen. Dat [gedaagde id hfdzk] hiervoor geen reële werkzaamheden heeft verricht en deze vergoedingen heeft ‘afgedwongen’ heeft Kors tegenover de betwisting van [gedaagde id hfdzk] onvoldoende onderbouwd.
4.12.
Daar komt bij dat zonder [gedaagde id hfdzk] een andere bestuurder of medewerker had moeten worden aangesteld, die ook een beloning zou hebben ontvangen. Een managementvergoeding van € 25.000,- per maand is weliswaar hoog, maar niet zo hoog dat deze reeds daarom verwijtbaar of onrechtmatig is. Kors heeft verder niet betwist dat [gedaagde id hfdzk] de onderneming er in zijn periode als bestuurder weer bovenop heeft geholpen.
4.13.
De tweede aangevoerde grond is dat de managementvergoedingen onverschuldigd zijn betaald. De wijze waarop [gedaagde id hfdzk] zich het meerderheidsbelang heeft toegeëigend is volgens Kors in strijd met de goede zeden en dus nietig, zodat geen rechtsgeldige besluitvorming heeft plaatsgevonden om de vergoedingen toe te kennen. Ook op deze grond is de vordering niet toewijsbaar. De managementvergoedingen zijn niet betaald aan [gedaagde id hfdzk] , maar aan [bedrijf] en [naam 3] . Die vennootschappen zijn geen partij in deze procedure.
4.14.
De rechtbank zal de gevorderde terugbetaling van de managementvergoedingen daarom afwijzen.
De juridische kosten
4.15.
Van misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen kan sprake zijn als een partij die zich in een geding tegen een vordering van een eiser verdedigt haar verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kent of behoort te kennen. Bij het aannemen daarvan past terughoudendheid, omdat een verweerder het mede door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter heeft, hetgeen omvat dat hij zich in rechte mag verdedigen. [3]
4.16.
De rechtbank oordeelt in dit licht dat [gedaagde id hfdzk] onrechtmatig heeft gehandeld door bij de Ondernemingskamer en in deze procedure welbewust onjuiste feiten aan te voeren en geloofwaardig te maken, althans welbewust feiten achter te houden, die doorslaggevend waren voor de procespositie van Kors en voor de beslissing van de rechtbank. Dat heeft hij gedaan door zijn meerderheidsbelang in [eiser id vrijw.zk] te verhullen en te blijven verhullen.
4.17.
Blijkens de participatieovereenkomst van 11 augustus 2017 had [gedaagde id hfdzk] het vooropgezette plan om een belang van zestig procent in de door Kors gecontroleerde ondernemingen te verwerven. Na de transactie met [eiser id vrijw.zk] op 13 augustus 2018 heeft hij de Ondernemingskamer op 14 augustus 2018 en opnieuw op 15 januari 2020 welbewust onjuiste informatie gegeven over degenen die een belang in [eiser id vrijw.zk] hielden. Om dit, na kritische vragen van de Ondernemingskamer, geloofwaardig te maken heeft hij een verdeling van de aandelenbelangen in [eiser id vrijw.zk] gepresenteerd die in strijd was met de waarheid. Hiermee had hij geen ander doel dan zijn tegenstrijdig belang te verhullen en zichzelf onrechtmatig te bevoordelen ten koste van Kors. [gedaagde id hfdzk] heeft de onjuistheid van deze informatie pas erkend nadat Kors daar bij toeval in 2024 achter was gekomen.
4.18.
Ook heeft [gedaagde id hfdzk] de rechtbank welbewust onjuist voorgelicht. In de conclusie van antwoord van 11 oktober 2023 beschrijft [gedaagde id hfdzk] [eiser id vrijw.zk] als ‘een samenwerking van (vennootschappen van) privé investeerders’, die hij allemaal bij naam noemt zonder zijn eigen belang van zestig procent te vermelden. Wharf Canarei noemt hij zelfs ten onrechte als aandeelhouder. Als de rechtbank alleen was afgegaan op de onjuiste informatie van [gedaagde id hfdzk] is het aannemelijk dat de beslissing anders dan nu zou zijn uitgevallen.
4.19.
Tijdens de onderhandelingen met [eiser id vrijw.zk] over de vaststellingsovereenkomst in 2022, bij de uitvoering daarvan en in de procedures bij de Ondernemingskamer heeft [gedaagde id hfdzk] de Ondernemingskamer en Kors in de veronderstelling gelaten dat hij geen belang in [eiser id vrijw.zk] had. Kors was in 2022 niet akkoord gegaan met de vaststellingsovereenkomst als zij had geweten van het meerderheidsbelang van [gedaagde id hfdzk] . [gedaagde id hfdzk] wist dat deze informatie doorslaggevend was voor het bepalen van de positie van Kors, terwijl Kors geen reden had aan de juistheid ervan te twijfelen. De rechtbank beoordeelt dit eveneens als onrechtmatig.
4.20.
[gedaagde id hfdzk] werpt tegen dat Kors eerder kennis had van de werkelijke verhoudingen. Hij verwijst naar een whatsapp bericht van [naam 1] van 15 april 2022 met de tekst “En [gedaagde id hfdzk] dan weet ik nu sinds een paar weken, dat jij zelf mede eigenaar geworden bent”. De rechtbank vindt dit onvoldoende. Uit dit enkele bericht blijkt niet dat [naam 1] wist dat [gedaagde id hfdzk] de meerderheid van de aandelen in [eiser id vrijw.zk] had, laat staan wanneer hij deze aandelen had verworven. Bovendien kan de kennis van [naam 1] niet aan Kors worden toegerekend.
4.21.
Ook verwerpt de rechtbank het argument van [gedaagde id hfdzk] dat een onrechtmatige daad op zichzelf onvoldoende is om in de daadwerkelijke proceskosten te worden veroordeeld, omdat anders iedere onrechtmatige daad daartoe zou leiden. Het ernstig verwijtbare en onrechtmatige handelen van [gedaagde id hfdzk] bestaat uit het aangaan van een transactie met [eiser id vrijw.zk] terwijl hij daarbij een belang had dat tegenstrijdig was aan het belang van Kors waar hij als bestuurder door de Ondernemingskamer was aangesteld. Voor de juridische kosten is hij aansprakelijk omdat hij dit tegenstrijdig belang nadien heeft verhuld en is blijven verhullen voor Kors, de Ondernemingskamer en de rechtbank.
4.22.
Volgens [gedaagde id hfdzk] is het juist Kors zelf die procedure op procedure stapelt, onnodig beslagen legt en telkens procedures doorhaalt en dan weer opbrengt. Het zou haar eigen beslissing zijn geweest om een tweede procedure bij de Ondernemingskamer aanhangig te maken en om met twee partijen apart in mediation te gaan. De rechtbank verwerpt dit verweer. De opstelling van Kors is begrijpelijk gezien de informatie waarover zij op dat moment beschikte. Bovendien had zij toen allerminst de zekerheid dat zij haar juridische kosten op [gedaagde id hfdzk] zou kunnen verhalen. Door toedoen van [gedaagde id hfdzk] heeft het lang geduurd en moesten meerdere procedures worden gevoerd voordat Kors van de werkelijke situatie op de hoogte was.
4.23.
Kors zoekt voor de begroting van haar schade aansluiting bij de datum waarop zij is voorgelogen door [gedaagde id hfdzk] , te weten 15 januari 2020, de dag waarop [gedaagde id hfdzk] onjuist antwoord aan de Ondernemingskamer heeft gegeven over de aandeelhouders van [eiser id vrijw.zk] (zie 2.12). Vanaf die datum vordert zij vergoeding van alle kosten van juridisch advies, procesvoering en beslaglegging. [gedaagde id hfdzk] betwist de gevorderde kosten en voert aan dat geen deskundigen- of accountantsrapport is overgelegd dat de berekening of begroting van de schade kan bevestigen.
4.24.
De rechtbank volgt Kors in haar schadebegroting. Tot aan de teruggave van de dochtervennootschappen had Kors geen andere activiteiten en dus ook geen andere juridische kosten dan hierboven genoemd. De declaratie van 25 februari 2020 van € 48.078,43 exclusief omzetbelasting heeft echter betrekking op werkzaamheden van juli 2018 tot en met december 2019, die dus zijn verricht voor de door Kors gehanteerde peildatum van 15 januari 2020. Die declaratie zal de rechtbank in aftrek brengen, zodat € 666.281,21 wordt toegewezen.
Het depotbedrag
4.25.
Op 29 april 2020 hebben Kors, [gedaagde id hfdzk] , Van Emden en de Stichting een depotovereenkomst gesloten. Op grond daarvan heeft Kors € 100.000,- aan de Stichting betaald ten behoeve van Kors, [gedaagde id hfdzk] en Van Emden gezamenlijk. Het bedrag komt aan [gedaagde id hfdzk] en Van Emden toe indien en voor zover zij redelijke kosten van verweer moeten maken in verband met hun taakvervulling in de periode van tijdelijke aanstelling door de Ondernemingskamer. Het bedrag wordt terugbetaald aan Kors voor zover het na vijf jaar en drie maanden niet is aangesproken of wanneer alle partijen daarmee schriftelijk instemmen. Alle geschillen naar aanleiding van de depotovereenkomst moeten worden beslecht door de bevoegde rechter in Rotterdam.
4.26.
De achtergrond van de depotovereenkomst is dat de Ondernemingskamer [gedaagde id hfdzk] en Van Emden heeft toegestaan het bedrag van € 100.000,- af te zonderen om zich te verweren tegen aansprakelijkheidsprocedures. In de woorden van de Ondernemingskamer moeten de door haar aangestelde bestuurders ‘de besluiten kunnen nemen die zij in het belang van de rechtspersoon en de met haar verbonden onderneming nodig achten, zonder bevreesd te zijn dat zij later de kosten van verweer in geval van een aansprakelijkstelling zelf moeten dragen.’
4.27.
[gedaagde id hfdzk] heeft van het depotbedrag al € 50.000,- ontvangen voor het voeren van verweer in deze procedure. Kors heeft dat bedrag in deze procedure teruggevorderd en de Stichting op 19 augustus 2025 verzocht om uitkering van het resterende depotbedrag. Van Emden heeft daartegen geen bezwaar gemaakt, maar de Stichting heeft geweigerd om zonder toestemming van [gedaagde id hfdzk] uit te betalen.
4.28.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde id hfdzk] ten onrechte € 50.000,- uit het depot heeft ontvangen voor het voeren van verweer in deze procedure. Weliswaar heeft Kors haar vorderingen in deze procedure mede gebaseerd op de manier waarop [gedaagde id hfdzk] zijn taak als bestuurder heeft vervuld, maar deze taakvervulling was niet in het belang van de rechtspersoon maar in zijn eigen belang. In het licht van de hierboven geciteerde overweging van de Ondernemingskamer en het feit dat het moet gaan om redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer kan de depotovereenkomst niet zo worden uitgelegd dat [gedaagde id hfdzk] in dat kader gemaakte proceskosten ten laste van het depot mag brengen.
4.29.
De rechtbank oordeelt verder dat [gedaagde id hfdzk] gehouden is om mee te werken aan terugbetaling van het restant van het depotbedrag door de Stichting. Die vordering heeft Kors ingesteld in haar akte tot wijziging van eis van 17 december 2025. [gedaagde id hfdzk] maakt weliswaar bezwaar tegen die eiswijziging, maar de rechtbank verwerpt dat bezwaar. De eiswijziging is toegezonden een maand voor de tweede mondelinge behandeling en vloeit voort uit de al eerder ingestelde vordering tot terugbetaling van het door [gedaagde id hfdzk] al ontvangen bedrag van € 50.000,- uit het depot. [gedaagde id hfdzk] heeft daarom voldoende gelegenheid gehad om op de eiswijziging te reageren. Van strijd met een goede procesorde is geen sprake.
4.30.
De rechtbank verwerpt ook het bevoegdheidsverweer van [gedaagde id hfdzk] . Inderdaad is in de depotovereenkomst bepaald dat alle geschillen moeten worden voorgelegd aan de rechter in Rotterdam, maar de rechtbank vindt het beroep van [gedaagde id hfdzk] op die bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De onjuiste informatie van [gedaagde id hfdzk] heeft ervoor gezorgd dat deze procedure meer dan vier jaar heeft geduurd en voor Kors hoge kosten heeft meegebracht. Een nieuwe procedure bij de rechtbank Rotterdam zou Kors nog meer tijd en geld kosten, terwijl [gedaagde id hfdzk] daarbij geen enkel redelijk belang heeft.
4.31.
Inhoudelijk heeft [gedaagde id hfdzk] de aanspraak van Kors op terugbetaling van het restant van het depotbedrag niet weersproken, terwijl meer dan de genoemde vijf jaar en drie maanden zijn verstreken na de datum van de depotovereenkomst. [gedaagde id hfdzk] moet dus meewerken aan terugbetaling van het restant aan Kors.
4.32.
Om redenen van doelmatigheid zal de rechtbank alleen het tweede deel van de vordering van Kors toewijzen en bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de toestemming van [gedaagde id hfdzk] . Bij het eerste deel van de vordering heeft Kors daarom geen belang meer.
De schadevergoeding op te maken bij staat
4.33.
De rechtbank zal de vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat afwijzen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Kors gezegd dat zij die vordering niet meer baseert op de stelling dat [gedaagde id hfdzk] de dochtervennootschappen voor een te laag bedrag heeft verkocht. Kors heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het onrechtmatige handelen van [gedaagde id hfdzk] nog andere schade heeft geleden dan de schade waarvoor de rechtbank in dit vonnis al een vergoeding toewijst of afwijst.
4.34.
Wel heeft Kors gesteld dat [eiser id vrijw.zk] kosten heeft gemaakt voor de begeleiding door KPMG bij de verkoop van de dochtervennootschappen. Zij heeft echter niet uitgelegd waarom dit verkooptraject het gevolg is van het handelen van [gedaagde id hfdzk] . Verder heeft Kors alleen in algemene zin gesteld dat [eiser id vrijw.zk] advieskosten heeft gemaakt, maar dit op geen enkele wijze onderbouwd.
De vordering in reconventie in de vrijwaringszaak
4.35.
[gedaagde id hfdzk] heeft gevorderd dat [eiser id vrijw.zk] moet bijdragen als hij in de hoofdzaak tot betaling wordt veroordeeld. De grondslag van deze vordering is dat de andere voormalige aandeelhouders in/oprichters van [eiser id vrijw.zk] en [eiser id vrijw.zk] zelf dan eveneens onrechtmatig hebben gehandeld en moeten meedelen in de schadevergoeding die [gedaagde id hfdzk] aan Kors is verschuldigd, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van [gedaagde id hfdzk] . De oprichters zijn echter geen partij in de vrijwaringsprocedure. [gedaagde id hfdzk] heeft niet toegelicht waarom [eiser id vrijw.zk] onrechtmatig zou hebben gehandeld. Voor zover al van gedragingen in groepsverband sprake is geweest, gaat dat om gedragingen van [gedaagde id hfdzk] en zijn toenmalige medeaandeelhouders/oprichters van [eiser id vrijw.zk] . De rechtbank zal de vordering van [gedaagde id hfdzk] daarom afwijzen.
De incidentele vordering
4.36.
In het incident in reconventie in de vrijwaringsprocedure heeft [gedaagde id hfdzk] overlegging gevorderd van twee documenten. Hij beschikt inmiddels over één van die documenten, het rapport van KPMG, zodat hij bij overlegging daarvan geen belang meer heeft.
4.37.
Daarnaast heeft [gedaagde id hfdzk] overlegging gevorderd van de vaststellingsovereenkomst die [eiser id vrijw.zk] heeft gesloten met Kors en de oprichters van [eiser id vrijw.zk] . In lijn met andere rechtspraak [4] past de rechtbank op de vordering tot overlegging het procesrecht toe dat gold bij het uitbrengen van de dagvaarding in de vrijwaringszaak en niet het bewijsrecht dat gold bij het instellen van de eis in reconventie. Dat betekent dat [gedaagde id hfdzk] recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel als hij daarbij een rechtmatig belang heeft (artikel 843a Rv oud), en niet reeds als hij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv Pro).
4.38.
Voor het oordeel van de rechtbank maakt deze wijziging van het bewijsrecht overigens niet uit. [gedaagde id hfdzk] heeft niet duidelijk gemaakt waarom de vaststellingsovereenkomst, waarbij hij geen partij is, van belang zou kunnen zijn voor de vorderingen die de rechtbank in deze procedure beoordeelt. De rechtbank wijst de incidentele vordering daarom af.
Proceskosten in de hoofdzaak
4.39.
Hierboven heeft de rechtbank uiteengezet dat zij [gedaagde id hfdzk] veroordeelt om € 666.281,21 aan Kors te vergoeden voor alle declaraties van haar advocaat voor werkzaamheden in de jaren 2020 tot en met 2024. Daarin zijn ook opgenomen de griffierechten en deurwaarderskosten uit die periode.
4.40.
Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om [gedaagde id hfdzk] , die overwegend in het ongelijk is gesteld, in de hoofdzaak te veroordelen tot betaling van de proceskosten die Kors in 2025 en 2026 nog heeft gemaakt. Deze kosten worden overeenkomstig het liquidatietarief begroot op € 14.892,- (4 punten x tarief VII à € 3.723) aan salaris advocaat, vermeerderd met € 189,- aan nakosten en de verhoging als vermeld in de beslissing (totaal € 15.081,-).
Proceskosten in de vrijwaringszaak en het incident
4.41
In conventie zal [eiser id vrijw.zk] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [gedaagde id hfdzk] . Deze worden begroot op € 1.666,- aan griffierecht en € 0 aan salaris advocaat.
4.42
In reconventie en in het incident is [gedaagde id hfdzk] in het ongelijk gesteld en zal hij de proceskosten van [eiser id vrijw.zk] moeten betalen. Deze worden begroot op € 1.306,- (2 punten x tarief II à € 653,-) in reconventie en € 653,- (1 punt x tarief II) in het incident aan salaris advocaat.

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak:
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde id hfdzk] ernstig verwijtbaar c.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Kors,
5.2.
veroordeelt [gedaagde id hfdzk] om aan Kors te betalen een bedrag van € 666.281,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van de betaling van de desbetreffende facturen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde id hfdzk] om aan Kors te betalen een bedrag van € 50.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 30 december 2021,
5.4.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de schriftelijke instemming van [gedaagde id hfdzk] met betaling van het resterende depotbedrag aan Kors zoals bedoeld in artikel 4.1 van de depotovereenkomst van 29 april 2020,
5.5.
veroordeelt [gedaagde id hfdzk] in de proceskosten van Kors over 2025 en 2026, begroot op
€ 15.081,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde id hfdzk] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak:
in conventie
5.8.
wijst het gevorderde af,
5.9.
veroordeelt [eiser id vrijw.zk] in de proceskosten van [gedaagde id hfdzk] begroot op € 1.666,-,
5.10.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie en het incident
5.11.
wijst het gevorderde af,
5.12.
veroordeelt [gedaagde id hfdzk] in de proceskosten van [eiser id vrijw.zk] , in reconventie begroot op € 1.306,- en in het incident op € 653,-,
5.13.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen doormr. S.P. Pompe, mr. F.L. Bolkestein en mr. G.C. de Heer en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

2.HR 10 januari 1997,
3.HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, overweging 4.5 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, overweging 5.3.4.