Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4357

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
13/178481-25, 13/011979-24 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meerdere brandstichtingen en bedreigingen met tbs-maatregel en gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor zes feiten, waaronder meerdere brandstichtingen en bedreigingen jegens verschillende benadeelde partijen in Amsterdam. De feiten zijn bewezen verklaard op basis van bekentenissen, aangiften, forensisch onderzoek en digitale bewijsmiddelen. Eén brandstichting is deels vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van levensgevaar.

Verdachte heeft de feiten bekend en is verminderd toerekeningsvatbaar verklaard vanwege een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, een lichte verstandelijke beperking en cannabisgebruik. De rechtbank heeft een tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd, mede vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van langdurige behandeling in een forensisch psychiatrisch centrum.

Daarnaast is een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd met aftrek van voorarrest, een contactverbod van vijf jaar met zes maanden vervangende hechtenis bij overtreding, en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM). De rechtbank heeft ook beslag gelegd op diverse goederen en deze verbeurd verklaard. Schadevergoedingen aan de benadeelde partijen zijn toegekend, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

De voorlopige hechtenis wordt geschorst onder voorwaarden zodra verdachte wordt opgenomen in de kliniek. De rechtbank acht de opgelegde straffen en maatregelen passend bij de ernst van de feiten, de omstandigheden en de persoon van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, tbs-maatregel met voorwaarden, contactverbod en gedragsbeïnvloedende maatregel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/178481-25
Parketnummer vordering tul: 13/011979-24
Datum uitspraak: 14 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.C.M. Sprenger, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
  • brandstichting aan de woning van [benadeelde partij 1] op 6 juni 2025 (
  • bedreiging van [benadeelde partij 1] en haar familie in de periode van 17 mei 2025 tot en met 4 juni 2025 (
  • brandstichting aan de woning van [benadeelde partij 2] op 6 juni 2025 (
  • bedreiging van [benadeelde partij 3] in de periode van 10 maart 2025 tot en met 20 mei 2025 (
  • brandstichting aan de woning van [benadeelde partij 4] op 20 september 2024 (
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de bewijsmiddelen in het dossier, gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft de tenlastegelegde feiten bekend en de raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de brandstichtingen en bedreigingen zoals tenlastegelegd en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft de feiten voor wat betreft de feitelijkheden bekend en de raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt op grond van artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de per feit afzonderlijk gebruikte bewijsmiddelen, zoals hieronder weergegeven.
3.3.1.
Ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten
- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 maart 2026.
Daarnaast, weergegeven per feit:
3.3.2.
Ten aanzien van feit 1
  • Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] (met bijlage) met nummer PL1300-2025138704-3 van 6 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 028 t/m 040;
  • Een proces-verbaal van bevindingen (met bijlage) met nummer 250606-262-653 van 6 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina’s 006 t/m 013;
  • Een proces-verbaal van forensisch onderzoek van de woning aan [adres 2] met nummer PL1300-2025138704-04 van 11 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pagina’s 014 t/m 027.
3.3.3.
Ten aanzien van feit 2
  • Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] (met bijlage) met nummer PL1300-2025138704-3 van 6 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 028 t/m 040;
  • Een proces-verbaal van onderzoek internet met nummer 2025138704-21043926 van 6 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] , doorgenummerde pagina’s 041 t/m 045;
  • Een proces-verbaal van bevindingen uitlezen telefoon met nummer 2025138704 van 25 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7] ,
3.3.4.
Ten aanzien van feit 3
  • Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 2] (met bijlage) met nummer 250606-284-372 van 6 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 8] , doorgenummerde pagina’s A4001 t/m A4008;
  • Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 250606-284-551 van 6 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 10] en [opsporingsambtenaar 8] , doorgenummerde pagina’s A4009 t/m A4010.
3.3.5.
Ten aanzien van feit 4
  • Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 3] (met bijlage) met nummer PL1300-2025124524-4 van 22 mei 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 11] , doorgenummerde pagina’s A3001 t/m A3010;
  • Een proces-verbaal van onderzoek internet met nummer 2025138704-21043926 van 6 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] , doorgenummerde pagina’s 041 t/m 045.
3.3.6.
Ten aanzien van feit 5
  • Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 4] met nummer PL1300-2024224418-5 van 30 september 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 12] , doorgenummerde pagina’s A1001 t/m A1003;
  • Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024224418-6 van 25 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 13] ,
De rechtbank overweegt met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 5 als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende kan worden vastgesteld dat door het met betrekking tot feit 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde handelen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was en zal hem dan ook van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.
3.3.7.
Ten aanzien van feit 6
  • Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 4] (met bijlage) met nummer PL1300-2025087442-4 van 13 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 14] , doorgenummerde pagina’s A2001 t/m A2015;
  • Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025087442-2 van 12 april 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 15] , [opsporingsambtenaar 16] en [opsporingsambtenaar 17] , doorgenummerde pagina’s A2016 t/m A2018.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
rubriek 3vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1
op 6 juni 2025 te Amsterdam, opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van [benadeelde partij 1] aan [adres 2] door brandbare stoffen tot ontbranding te brengen bij en door de brievenbus en voordeur en verandadeuren, ten gevolge waarvan de brievenbus en voornoemde deuren gedeeltelijk zijn verbrand en rookontwikkeling is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen in die woning, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen te duchten was;
ten aanzien van feit 2
in de periode van 17 mei 2025 tot en met 4 juni 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 1] en haar zoons [zoon 1] en [zoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [zoon 1] en [zoon 2] en [benadeelde partij 1] berichten te sturen met de volgende tekst: “Jij en je moeder gaan eraf. Wbj pussy” en “Ga je prikken net je matie [persoon] ” en “Kom ik jou niet tegen in de buurt ga ik je mams prikken” en “Regel je moeder haar begrafenis vast. Houd AT5 in de gaten maandag. Die knivvie gaat in je nek”, en “Vanaf nu ben je op. Je am gaat worden gesplashed. Ik ga je splashen, net zoals [persoon] het kreeg. Je gaat naast je stiefpa dagga”, en “Neem maar vast afscheid van je zoon”;
ten aanzien van feit 3
op 6 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van [benadeelde partij 2] aan [adres 3] , door bij de voordeur en in de brievenbus van voornoemde woning brandbare stoffen tot ontbranding te brengen, ten gevolge waarvan de brievenbus en voornoemde deuren gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen in die woning, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen, te duchten was;
ten aanzien van feit 4
in de periode van 10 maart 2025 tot en met 20 mei 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting, door die [benadeelde partij 3] berichten te sturen met de volgende tekst: “Aanslag deeltwee op je voordeur on da wayyyy” en “Deel 3 is onderweg pussy”;
ten aanzien van feit 5
op 20 september 2024 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van [benadeelde partij 4] aan [adres 4] , door bij de voordeur van voornoemde woning brandbare stoffen tot ontbranding te brengen, ten gevolge waarvan brand en rookontwikkeling is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen in die woning te duchten was;
ten aanzien van feit 6
op 12 april 2025 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van [benadeelde partij 4] aan [adres 4] door bij de voordeur van voornoemde woning brandbare stoffen tot ontbranding te brengen ten gevolge waarvan brand en rookontwikkeling is ontstaan terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen in die woning, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige personen te duchten was.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden wordt opgelegd. Ten aanzien van het op te leggen locatieverbod heeft de officier van justitie gevorderd dat het toezicht hiervan middels elektronische monitoring plaats zal vinden.
Daarnaast dient aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: GVM) en een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een contactverbod in de zin van artikel 38v Sr (hierna: contactverbod) voor de duur van 5 jaren te worden opgelegd.
De tbs-maatregel en het contactverbod dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Indien het vonnis nog niet onherroepelijk is en de voorlopige hechtenis gelijk is aan de opgelegde straf, dient de voorlopige hechtenis te worden geschorst onder dezelfde voorwaarden als de voorwaarden die aan de tbs zijn verbonden.
Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaardelijke veroordeling zal worden ten uitvoer gelegd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gewezen op de PJ-rapportage van de psychoog, die daarin aangeeft dat bij verdachte sprake is van een dwingende doorwerking van de geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek op diens gedrag ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Gelet hierop betoogt de raadsman dat de bewezen verklaarde feiten in sterk verminderde zin aan verdachte dienen te worden toegerekend en verzoekt hiermee in matigende zin rekening te houden. Gelet op het voorgaande en de bij verdachte vastgestelde stoornis dient te worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest. Ten aanzien van de voorwaarden die zijn geadviseerd bij de tbs-maatregel heeft de raadsman verzocht hierbij geen elektronische monitoring te bevelen en het alcohol- en drugsverbod niet op te nemen.
Voorts zijn de GVM en het contactverbod gelet op de eventueel op te leggen gevangenisstraf en tbs-maatregel niet passend. Het contactverbod is een te ingrijpende en beperkende maatregel.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen straf- en maatregeloplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
7.3.1.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere brandstichtingen. Hij heeft, midden in de nacht en in de vroege ochtend, bij de woningen van de slachtoffers brandbare stoffen bij de voordeur gelegd, benzine tegen de (voor)deur gegooid of gegoten en vervolgens aangestoken of vervolgens brandend materiaal door de brievenbus de woning in gegooid. Brandstichting is een bijzonder destructief en gevaarzettend feit, waarbij gevaarlijke situaties voor goederen en personen kunnen ontstaan. Onbeheerd open vuur heeft vaak een onvoorspelbaar en grillig verloop en de rookontwikkeling die bij brand ontstaat is voor mensen vaak minstens zo gevaarlijk als het vuur. Bij de woning aan en in de woning aan [adres 2] ontstond zoveel rook, dat zowel de aanwezige tante van verdachte als zijn 15-jarige nichtje en 4-jarige neefje naar het ziekenhuis moesten wegens rookinhalatie en mogelijke koolmonoxidevergiftiging. Door bewust brand bij of in een woning te stichten, bovendien op tijdstippen waarop de kans groot is dat bewoners thuis zijn en liggen te slapen, heeft verdachte niet alleen risico’s doen ontstaan dat goederen onherstelbaar beschadigd zouden raken maar vooral ook in vrijwel alle gevallen de levens van de personen in de woningen in gevaar gebracht. Door deze brandstichtingen heeft verdachte bovendien bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden en tot maatschappelijke onrust in de samenleving.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan nare bedreigingen waarbij hij verschillende aanslagen en andersoortige geweldshandelingen heeft aangekondigd. Deze zijn als zeer beangstigend ervaren. Mede omdat een deel van de bedreigingen om brand te stichten daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd hebben deze een zeer indringende impact op de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid gehad, hetgeen de rechtbank ook is gebleken door de ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging ook rekening met de context waarbinnen de strafbare feiten zijn gepleegd. Zo heeft één van de brandstichtingen plaats gevonden bij en in de woning van zijn tante. Verdachte is een groot deel van zijn leven woonachtig geweest bij zijn tante, was daar altijd welkom en werd gezien als lid van het gezin. Door te dreigen en doelbewust brand te stichten in haar woning heeft verdachte het vertrouwen van zijn tante en overige familieleden ernstig beschaamd. Daarnaast heeft verdachte bij de twee woningen van de ouders van een voormalige vriend in totaal drie keer brand gesticht, nadat deze vriendschap was beëindigd. Verdachte heeft de brandstichtingen blijkbaar bewust gesticht als wraak of om hen ‘een lesje te leren’, omdat hij aannam dat zijn tante (en haar gezin) en die vriend hem afvielen en hij zich verraden voelde.
De rechtbank overweegt dat hier gaat om zeer ernstige feiten waarvan de gevolgen bij het niet tijdig signaleren van de brandstichtingen vele malen ernstiger kunnen zijn.
7.3.2.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) betreffende verdachte van 24 maart 2026 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging en daarnaast in de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf liep.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het psychiatrisch pro Justitia rapport van 18 januari 2026 opgemaakt door drs. M.H. Diawara, psychiater en het psychologisch pro Justitia rapport van 13 januari 2026 opgemaakt door mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog.
psychiatrisch pro Justitia rapport
Uit het psychiatrisch rapport volgt, kort gezegd, onder meer het volgende.
Bij verdachte, een 27-jarige man met een uitgebreide jeugdhulpverlenings- en justitiële voorgeschiedenis, is sprake van een langdurig patroon van gedragsproblemen, met name op het gebied van agressieregulatie, impulscontrole en de omgang met conflicten. De problematiek is reeds zichtbaar sinds de vroege kindertijd, met escalaties op school, in de thuissituatie en later in sociale relaties.
In zijn ontwikkeling is sprake van externaliserende problematiek met antisociale gedragingen. Vanaf jonge leeftijd vertoont hij normoverschrijdend en impulsief gedrag (bedreiging, mishandeling, eigendomsdelicten), en toont hij weinig inlevingsvermogen in de impact van zijn handelen op anderen. De justitiële documentatie wijst op recidiverende gewelddadige incidenten, beperkte frustratietolerantie en geringe leerbaarheid uit eerdere sancties of hulpverlening. Zijn cannabisgebruik is frequent en lijkt deels functioneel- als vorm van spanning- of stemmingsregulatie. Hij heeft de neiging om eigen gedrag te bagatelliseren of te rechtvaardigen en legt oorzaken structureel buiten zichzelf. Verdachte toont een sterke gevoeligheid voor afwijzing, gekrenktheid en onrecht, die gepaard gaat met een neiging tot zelfrechtvaardiging en wraakgedachten. Achter zijn ogenschijnlijke onverschilligheid lijkt een basaal gevoel van onveiligheid, wantrouwen en angst voor afwijzing schuil te gaan.
In de verklaring van verdachte over de tenlastegelegde feiten is een patroon zichtbaar van achterdocht, verhoogde waakzaamheid en interpretatie van dreiging, waarbij gevoelens van vernedering of verraad worden vertaald in vergeldend gedrag. Hoewel zijn gedachtegang niet overtuigend psychotisch aandoet, lijkt er sprake van een kwetsbare realiteitstoetsing met verhoogd associatief denken onder stress, mede beïnvloed door cannabisgebruik.
De psychiater concludeert dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken met daarnaast een licht verstandelijke beperking. Ook is een stoornis in het cannabisgebruik vastgesteld. Hiervan was ten tijde van het ten laste gelegde ook sprake en het beïnvloedde hem in zijn gedragingen. De combinatie van antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken, hechtingsproblematiek, beperkte intellectuele capaciteiten en middelengebruik bij verdachte leidt tot verhoogde kwetsbaarheid voor affectieve ontregeling bij sociale krenking of dreiging, hetgeen zich uit in impulsieve, gewelddadige gedragingen zoals brandstichting en bedreiging. De stoornissen zijn hiermee in overwegende mate van invloed geweest op de gedragskeuzes ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Er wordt geadviseerd om verdachte alle tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Verdachte vertoont beperkte leerbaarheid uit eerdere sancties of hulpverlening, heeft moeite met het onderhouden van structuur en regelmaat, en externaliseert problemen consequent. Verdachte vertoont ook achterdochtige denkpatronen en heeft de neiging om neutrale situaties als bedreigend te interpreteren. Het risico op recidive wordt hoog ingeschat.
Gelet op de ernst van de problematiek en het recidiverisico is klinische behandeling
noodzakelijk, bij voorkeur binnen een forensisch psychiatrische kliniek (FPK). Vanuit de penitentiaire inrichting is bekend dat verdachte neigt grenzen op te zoeken, wat bij tijd en wijle leidt tot conflicten. Een FPK biedt het gepaste beveiligingsniveau om hiermee om te gaan. Geadviseerd wordt een langdurige forensisch-psychiatrische behandeling binnen een FPK.
Gelet op de ernst van het ten laste gelegde, het hoge risico op recidive en de onderliggende persoonlijkheidsproblematiek wordt een tbs-maatregel geadviseerd. In het verleden heeft verdachte zich herhaaldelijk onttrokken aan toezicht, wat op zichzelf pleit voor tbs met dwangverpleging. Tegelijkertijd laat verdachte in het huidige onderzoek enige probleeminzicht en hulpvraag zien. Hij erkent zijn agressie- en emotieregulatieproblemen, uit de wens zich te laten behandelen en streeft naar een meer prosociale toekomst in een andere omgeving.
Gezien zijn relatief jonge leeftijd kan een tbs met voorwaarden een passend kader zijn dat de noodzakelijke juridische stok achter de deur combineert met perspectief op gedragsverandering en maatschappelijke re-integratie.
Het advies luidt daarom om te kiezen voor het opleggen van een tbs met voorwaarden, mits verdachte bereid blijft tot medewerking en behandeling.
psychologisch pro Justitia rapport
Uit het psychologisch rapport volgt, kort gezegd, onder meer het volgende. Verdachte blaast zich bij een krenking in fysiek agressieve zin op om de ander te kleineren, teneinde zijn eigen minderwaardigheid niet op een bewust niveau te hoeven ervaren. Bij verdachte is dit een hardnekkig patroon, hetgeen op meerdere levensgebieden is terug te zien. De beperkte intellectuele capaciteiten brengen nog met zich mee dat hij beperkte rationele mogelijkheden heeft om een probleem of een conflict het hoofd te bieden en dat hij bij verhoogde innerlijke onrust de neiging heeft om impulsief en emotioneel te reageren.
De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken, een lichte stoornis in cannabisgebruik en een licht verstandelijke beperking. Gelet hierop is sprake van een dwingende doorwerking van de geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek op zijn gedrag ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Verdachte moet verstandelijk in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde feiten in te zien. Hij kan echter als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig voornoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt om de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
Er is sprake van een verhoogde kans op herhaling van gewelddadig gedrag, dat voor een belangrijk deel samen hangt met de geconstateerde psychische problematiek waarin sprake is van emotionele instabiliteit, verhoogde impulsiviteit, krenkbaarheid en een escalerende houding. Gevolg hiervan is dat sprake is van forse coping- en conflicthanteringsproblemen.
Gelet op het voorgaande concludeert de psycholoog dat vanuit forensisch oogpunt behandeling is aangewezen. Verdachte is goed aanspreekbaar, ervaart enige lijdensdruk en is in staat, wanneer hij enigszins narcisme sparend wordt behandeld, om mee te gaan met een behandelaanbod. De behandeling die hij heeft ondergaan bij De Waag wijst hier eveneens op. Om verdachte goed te kunnen laten profiteren van een behandeling moet deze dwingend opgelegd kunnen worden, zodat hij zich niet aan behandeling kan onttrekken. De behandeling dient zich te richten op de persoonlijkheidsstoornis. De problematiek is ernstig en ondanks de behandeling die hij bij De Waag heeft gevolgd, waar tevens copingproblemen zijn behandeld, bestaat de psychische problematiek nog steeds fors. In aanvang wordt geadviseerd om verdachte klinisch te behandelen in een FPK. In tweede instantie zou verdachte een ambulant vervolgtraject aangeboden kunnen worden, waarbij aandacht uitgaat naar een goede resocialisatie. De behandeling dient goed afgestemd te zijn op de intellectuele beperkingen van verdachte.
De kans dat verdachte niet in staat zal zijn om zich aan bijzondere voorwaarden te houden wordt als reëel ingeschat. Daarom wordt geadviseerd om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen zodat vanuit een dwingend tbs-kader gewerkt kan worden aan de bij verdachte aanwezige hulpvraag. Mocht verdachte zich niet aan de bij deze tbs-maatregel opgelegde voorwaarden houden kan aan hem alsnog een tbs-maatregel met dwangverpleging worden opgelegd.
reclasseringsrapport
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , werkzaam als reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering zich aansluit, onder verwijzing naar de hierboven reeds uiteengezette pro Justitia rapportages, bij het interventieadvies van de pro Justitia rapporteurs en positief adviseert over tbs met voorwaarden. De reclassering ziet voldoende mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken en het gedrag te veranderen. De reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen.
Ingeschat wordt dat het een langdurige behandeling betreft waarbij na behandeling in een FPK, behandeling in ambulante setting zal volgen. De reclassering adviseert om deze behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden en met de in het rapport opgesomde voorwaarden. Geadviseerd wordt om de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast wordt geadviseerd om aan verdachte een GVM op te leggen.
Verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan de op te leggen voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de reclasseringswerker in aanvulling op het advies verklaard dat verdachte is aangemeld bij FPK De Woenselse Poort in Eindhoven en dat daar een plek voor hem wordt gerealiseerd. Als op de dag van de aanvang van de tbs-maatregel die plek nog niet beschikbaar is zal een overbruggingsplek worden geregeld. Daarnaast is het mogelijk om het locatieverbod via elektronische monitoring ten uitvoer te leggen.
De rechtbank neemt de bevindingen, conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de adviezen van de deskundigen en verdachte sterk verminderd te achten, zoals door de verdediging bepleit, nu hiervoor onvoldoende aanknopingspunten zijn. De verdachte wordt dan ook verminderd toerekeningsvatbaar geacht ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten.
7.3.3.
Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden is voldaan. De bewezen geachte feiten zijn misdrijven die worden genoemd in artikel 37a lid 1 sub 2 Sr en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, vereist het opleggen van deze maatregel. Verder volgt de rechtbank de psychiater en de psycholoog in de hierboven genoemde conclusies dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Om het grote gevaar voor recidive te kunnen beteugelen, om de problematiek van de verdachte zoveel mogelijk te beperken en ter optimale bescherming van de maatschappij zal de rechtbank aan verdachte de tbs-maatregel opleggen.
De rechtbank ziet in de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, en de hardnekkigheid daarvan, zoals deze uit de rapportages van de gedragsdeskundigen naar voren komt, reden om te twijfelen of de dwang die van een tbs met voorwaarden uitgaat voldoende is om tot de benodigde, langdurige, behandeling bij verdachte te komen. De leeftijd van verdachte en de huidige lange wachttijden voor de tbs maken dat de rechtbank verdachte het voordeel van die twijfel geeft en de adviezen van de deskundigen zal volgen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat op dit moment kan worden volstaan met het opleggen van een tbs met voorwaarden, met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het alcohol- en drugsverbod. De rechtbank laat de beoordeling of een dergelijk verbod vereist is over aan de behandelaars van de FPK waar verdachte geplaatst zal worden, het is aan de FPK om hieromtrent huisregels te bepalen.
Ongemaximeerde tbs
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat de bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaar indien op een later moment blijkt dat deze omgezet dient te worden in een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden
Conform de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Dat is gelet op de noodzaak van de behandeling en het gevaar voor recidive en daarmee het grote risico dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, ook gepast.
Voorlopige hechtenis
Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek of een overbruggingskliniek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
7.3.4.
Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM)
Op basis van de pro Justitia rapporten, het reclasseringsrapport en het strafblad is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. De rapporteurs spreken over de noodzaak van een intensieve en langdurige behandeling van verdachte. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de tbs-maatregel langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, mocht daartoe een noodzaak blijken. De rechtbank constateert verder dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een GVM-maatregel is voldaan. De rechtbank zal daarom, naast de tbs-maatregel met voorwaarden, in navolging van het advies van de reclassering, ook de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.
7.3.5.
Contactverbod
De rechtbank legt ook aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr een contactverbod op met [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 2] . Dit contactverbod houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met voornoemde personen.
De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk, zodat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens voornoemde personen wordt ingeperkt.
Dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregel
Gelet op het door de reclassering gestelde gevaar voor herhaling, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan en dat hij zich belastend zal gedragen jegens voornoemde personen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7.3.6.
Ten aanzien van de gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat naast de opgelegde maatregel, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de bewezenverklaarde strafbare feiten en omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, zoals hiervoor reeds bij de ernst van de feiten zijn vermeld. Verdachte liep bovendien in de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.
Voor de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met wat in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd en houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd en dat het in het belang van de behandeling van verdachte is dat niet te lang wordt gewacht met de aanvang van de tbs met voorwaarden.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 20 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/011979-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 25 april 2024 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van de omstandigheid dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Daarnaast bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, nu aan verdachte een tbs-maatregel en een gevangenisstraf wordt opgelegd en de rechtbank toewijzing van de vordering in dat licht niet zinvol acht.

9.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 1 STK bromfiets (G6668226 (FTJ-57-T));
  • 1 STK telefoon (G6668224, iPhone zwart));
  • 1 STK telefoon (G6668229, iPhone 7 roze));
  • 1 STK jerrycan (G6668218, gele dop));
  • 1 STK fles (G6666160, AA-flesje)).
9.1.
Standpunten
De officier van justitie heeft gevorderd dat de jerrycan en de AA-fles worden onttrokken aan het verkeer. De zwarte iPhone dient verbeurd verklaard te worden aangezien verdachte deze heeft gebruikt bij de bedreigingen. De iPhone 7 roze kan worden teruggeven aan verdachte. Ten aanzien van de scooter heeft de officier van justitie aangegeven dat hierop conservatoir beslag ligt en heeft verder geen standpunt ingenomen.
De raadsman heeft ten aanzien van het beslag aangevoerd dat de jerrycan en de AA-fles verbeurd verklaard dienen te worden, met de officier van justitie vindt de raadsman dat de iPhone teruggegeven kan worden aan verdachte. Voor het overige heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.
9.2.
Het oordeel van de rechtbank
De onder verdachte in beslaggenomen bromfiets, de zwarte iPhone, de jerrycan en de AA-fles behoren hem toe. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze goederen heeft gepleegd. Zij zijn dan ook vatbaar voor verbeurdverklaring. Voornoemde goederen zal de rechtbank dan ook verbeurd verklaren.
De iPhone 7 roze kan worden geretourneerd aan de rechthebbende, te weten verdachte.

10.De vorderingen van de benadeelde partijen

10.1.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende zijn onderbouwd en heeft verzocht deze geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] voor wat betreft het materieel deel van de schade niet betwist en acht deze toewijsbaar. Voor wat betreft de overige vorderingen heeft de raadsman verzocht het toe te wijzen bedrag dat ziet op de immateriële schade te matigen en heeft daarbij aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal voor smartengeldbedragen.
10.2.
Het oordeel van de rechtbank
10.2.1.
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij vordert in totaal € 6.084,50 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade (€ 84,50) en immateriële schade (€ 6.000,-).
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
Daarnaast staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat door het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade aan de benadeelde partij heeft toegebracht. Als gevolg van de brandstichting heeft de benadeelde partij rook ingeademd waardoor zij naar het ziekenhuis moest om daar extra zuurstof toegediend te krijgen. Het feit vond plaats in de vroege ochtend bij haar woning terwijl zij alleen met haar jonge kinderen in de woning aanwezig was. Dat de benadeelde partij hierdoor immateriële schade heeft opgelopen staat dan ook vast. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.
Op grond van voornoemde door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade vergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 3.500,-.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak zou moeten worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
10.2.2.
[benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 5]
De benadeelde partij vorderen ieder afzonderlijk € 6.000,- aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat bij de benadeelde partijen door het onder feit 1 en feit 2 rechtstreeks immateriële schade is ontstaan. Zij hebben door de brandstichting rook ingeademd waardoor zij naar het ziekenhuis moesten. Het incident heeft in de vroege ochtend plaatsgevonden en werd gepleegd door verdachte die tot kort daarvoor als onderdeel van het gezin werd gezien. Bovendien heeft verdachte het gezin bedreigd. Dat de benadeelde partijen hierdoor immateriële schade hebben opgelopen staat dan ook vast.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.
Op grond van voornoemde door de benadeelde partijen gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade vergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 3.500,-.
De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. De behandeling van dit deel van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak zou moeten worden aangehouden. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
10.2.3.
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij vordert in totaal € 7.315,- aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade (€ 3.815,-) en immateriële schade (€ 3.500,-).
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (6 juni 2025).
Daarnaast staat naar het oordeel van de rechtbank ook vast dat aan de benadeelde partij door het onder feit 4 bewezenverklaarde immateriële schade is toegebracht. Verdachte heeft brand in de woning van de benadeelde partij gesticht, waardoor de benadeelde partij samen met zijn zoon de brand in zijn woning heeft moeten blussen. Dat hierdoor immateriële schade is ontstaat staat dan ook vast.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.
Op grond van voornoemde door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, komt de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
10.2.4.
[benadeelde partij 3]
De benadeelde partij vordert € 3.500,- aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade (€ 3.500,-).
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij immateriële schade is toegebracht door het onder feit 3 en feit 4 bewezenverklaarde. De benadeelde partij verbleef op het moment van de brandstichting in de woning van zijn vader. Hij heeft midden in de nacht samen met zijn vader deze brand moeten blussen. Daarnaast is hij bedreigd door verdachte dat er nog een aanslag zou komen, die vervolgens werkelijkheid is geworden in de vorm van een tweede brandstichting bij de woning van zijn moeder. Dat hierdoor immateriële schade is ontstaan staat dan ook vast.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.
Op grond van voornoemde door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, komt de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
10.2.5.
[benadeelde partij 4]
De benadeelde partij vordert € 3.500,- aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade (€ 3.500,-).
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij immateriële schade is toegebracht door het onder feit 5 en feit 6 bewezenverklaarde. Tweemaal heeft verdachte brand gesticht bij de woning van de benadeelde partij, terwijl de benadeelde partij alleen thuis was en in paniek de hulp van haar zoon moest inschakelen. Dat hierdoor immateriële schade is ontstaan staat dan ook vast.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.
Op grond van voornoemde door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, komt de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
10.2.6.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De toegewezen bedragen van alle benadeelde partijen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis tot het moment van de algehele voldoening.
Ook legt de rechtbank aan verdachte, als waarborg voor betaling van de schadevergoeding aan de benadeelde partijen, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Daarbij bepaalt de rechtbank dat gijzeling kan worden toegepast indien verdachte niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 38, 38a, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1, feit 3 en feit 6
telkens:opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is
ten aanzien van feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gerecht, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 4
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
ten aanzien van feit 5
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte
[verdachte]daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast dat verdachte
ter beschikking zal worden gestelden stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1.
Geen strafbaar feit plegen
Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt in dat:
- verdachte zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
- verdachte een of meer vingerafdrukken laat nemen en dat hij een geldig identiteitsbewijs laat zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.
- verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
- verdachte de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
- verdachte meewerkt aan huisbezoeken.
- verdachte de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
- verdachte zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
- verdachte meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4.
Niet naar het buitenland
Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5.
Opneming in een zorginstelling
Verdachte laat zich opnemen en behandelen in een forensische zorginstelling met verblijfsintensiteit E en beveiligingsniveau hoog (DE3), te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zodra een behandelplek beschikbaar is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
De behandeling is gericht op agressiehantering, impulscontrole, inzicht in persoonlijkheidsdynamiek en het ontwikkelen van prosociale vaardigheden. Ook praktische ondersteuning op het gebied van wonen, financiën en daginvulling zal onderdeel van het traject zijn.
Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6.
Ambulante behandeling
Verdachte laat zich behandelen door een ambulante behandelinstelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt, alsmede de controle hierop.
7.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
8.
Contactverbod
Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met:
- [benadeelde partij 5] , geboren [geboortedag 2] 2009
- [benadeelde partij 1] , geboren [geboortedag 3] 1978
- [benadeelde partij 6] , geboren [geboortedag 4] 2020
- [benadeelde partij 3] , geboren [geboortedag 5] 1999
- [benadeelde partij 4] , geboren [geboortedag 6] 1971
- [benadeelde partij 2] , geboren [geboortedag 7] 1967
9.
Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
Verdachte bevindt zich niet in Amsterdam Zuidoost, meer specifiek in dat deel van Amsterdam dat gelegen is tussen de A10, de A2, de A9 en de A1. Dit betreft (een gedeelte van) de Bijlmermeer, Duivendrecht en Diemen.
10.
Aflossing schulden
Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
11.
Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris.
Legt aan verdachte op de
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelals bedoeld in artikel 38z Sr.
Legt aan verdachte op een
vrijheidsbeperkende maatregelals bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een
contactverbodvoor de duur van 5 jaren met:
  • [benadeelde partij 5] , geboren [geboortedag 2] 2009
  • [benadeelde partij 1] , geboren [geboortedag 3] 1978
  • [benadeelde partij 6] , geboren [geboortedag 4] 2020
  • [benadeelde partij 3] , geboren [geboortedag 5] 1999
  • [benadeelde partij 4] , geboren [geboortedag 6] 1971
  • [benadeelde partij 2] , geboren [geboortedag 7] 1967
zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Beveelt dat indien niet aan de vrijheidsbeperkende maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat niet is voldaan met een maximum van 6 maanden.
Beveelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Ten aanzien van het beslag
Verklaart verbeurd:
  • 1 STK bromfiets (G6668226 (FTJ-57-T));
  • 1 STK telefoon (G6668224, iPhone zwart));
  • 1 STK jerrycan (G6668218, gele dop));
  • 1 STK fles (G6666160, AA-flesje)).
Gelast de teruggave aan verdachte van:
1 STK telefoon (G6668229, iPhone 7 roze));
Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/011979-24 af.
Ten aanzien van de benadeelde partijen
[benadeelde partij 1]
[benadeelde partij 6]
[benadeelde partij 5]
[benadeelde partij 2]
[benadeelde partij 3]
[benadeelde partij 4]
Ad a. [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van
€ 84,50 (zegge: vierentachtig euro en vijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de € 3.584,50 (zegge: drieduizend vijfhonderdvierentachtig euro en vijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ad b. [benadeelde partij 6]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] toe tot een bedrag van € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 6] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 6] aan de Staat € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ad c. [benadeelde partij 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] toe tot een bedrag van
€ 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 5] aan de Staat
€ 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ad d. [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van
€ 3.815,- (zegge: drieduizend achthonderdvijftien euro) aan vergoeding van materiële schade en € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat
€ 7.315,- (zegge: zevenduizend driehonderdvijftien euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 61 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ad e. [benadeelde partij 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van
€ 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat
€ 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ad f. [benadeelde partij 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Schorst de voorlopige hechtenisvan verdachte met ingang van het moment dat verdachte in het kader van de klinische behandeling zoals omschreven in voorwaarde 5 zal worden opgenomen in de kliniek, dan wel op een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor (op pagina 25 en volgende van dit vonnis) onder 1 tot en met 13 genoemde voorwaarden verbonden alsmede de voorwaarden dat:
  • de verdachte, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;
  • de verdachte, in het geval hij wegens een feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot een andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,
mr. A.M. Grüschke en mr. M. Bakhuis rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2026.
[…]
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.