7.3.1.Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere brandstichtingen. Hij heeft, midden in de nacht en in de vroege ochtend, bij de woningen van de slachtoffers brandbare stoffen bij de voordeur gelegd, benzine tegen de (voor)deur gegooid of gegoten en vervolgens aangestoken of vervolgens brandend materiaal door de brievenbus de woning in gegooid. Brandstichting is een bijzonder destructief en gevaarzettend feit, waarbij gevaarlijke situaties voor goederen en personen kunnen ontstaan. Onbeheerd open vuur heeft vaak een onvoorspelbaar en grillig verloop en de rookontwikkeling die bij brand ontstaat is voor mensen vaak minstens zo gevaarlijk als het vuur. Bij de woning aan en in de woning aan [adres 2] ontstond zoveel rook, dat zowel de aanwezige tante van verdachte als zijn 15-jarige nichtje en 4-jarige neefje naar het ziekenhuis moesten wegens rookinhalatie en mogelijke koolmonoxidevergiftiging. Door bewust brand bij of in een woning te stichten, bovendien op tijdstippen waarop de kans groot is dat bewoners thuis zijn en liggen te slapen, heeft verdachte niet alleen risico’s doen ontstaan dat goederen onherstelbaar beschadigd zouden raken maar vooral ook in vrijwel alle gevallen de levens van de personen in de woningen in gevaar gebracht. Door deze brandstichtingen heeft verdachte bovendien bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden en tot maatschappelijke onrust in de samenleving.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan nare bedreigingen waarbij hij verschillende aanslagen en andersoortige geweldshandelingen heeft aangekondigd. Deze zijn als zeer beangstigend ervaren. Mede omdat een deel van de bedreigingen om brand te stichten daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd hebben deze een zeer indringende impact op de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid gehad, hetgeen de rechtbank ook is gebleken door de ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging ook rekening met de context waarbinnen de strafbare feiten zijn gepleegd. Zo heeft één van de brandstichtingen plaats gevonden bij en in de woning van zijn tante. Verdachte is een groot deel van zijn leven woonachtig geweest bij zijn tante, was daar altijd welkom en werd gezien als lid van het gezin. Door te dreigen en doelbewust brand te stichten in haar woning heeft verdachte het vertrouwen van zijn tante en overige familieleden ernstig beschaamd. Daarnaast heeft verdachte bij de twee woningen van de ouders van een voormalige vriend in totaal drie keer brand gesticht, nadat deze vriendschap was beëindigd. Verdachte heeft de brandstichtingen blijkbaar bewust gesticht als wraak of om hen ‘een lesje te leren’, omdat hij aannam dat zijn tante (en haar gezin) en die vriend hem afvielen en hij zich verraden voelde.
De rechtbank overweegt dat hier gaat om zeer ernstige feiten waarvan de gevolgen bij het niet tijdig signaleren van de brandstichtingen vele malen ernstiger kunnen zijn.
7.3.2.Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) betreffende verdachte van 24 maart 2026 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging en daarnaast in de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf liep.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het psychiatrisch pro Justitia rapport van 18 januari 2026 opgemaakt door drs. M.H. Diawara, psychiater en het psychologisch pro Justitia rapport van 13 januari 2026 opgemaakt door mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog.
psychiatrisch pro Justitia rapport
Uit het psychiatrisch rapport volgt, kort gezegd, onder meer het volgende.
Bij verdachte, een 27-jarige man met een uitgebreide jeugdhulpverlenings- en justitiële voorgeschiedenis, is sprake van een langdurig patroon van gedragsproblemen, met name op het gebied van agressieregulatie, impulscontrole en de omgang met conflicten. De problematiek is reeds zichtbaar sinds de vroege kindertijd, met escalaties op school, in de thuissituatie en later in sociale relaties.
In zijn ontwikkeling is sprake van externaliserende problematiek met antisociale gedragingen. Vanaf jonge leeftijd vertoont hij normoverschrijdend en impulsief gedrag (bedreiging, mishandeling, eigendomsdelicten), en toont hij weinig inlevingsvermogen in de impact van zijn handelen op anderen. De justitiële documentatie wijst op recidiverende gewelddadige incidenten, beperkte frustratietolerantie en geringe leerbaarheid uit eerdere sancties of hulpverlening. Zijn cannabisgebruik is frequent en lijkt deels functioneel- als vorm van spanning- of stemmingsregulatie. Hij heeft de neiging om eigen gedrag te bagatelliseren of te rechtvaardigen en legt oorzaken structureel buiten zichzelf. Verdachte toont een sterke gevoeligheid voor afwijzing, gekrenktheid en onrecht, die gepaard gaat met een neiging tot zelfrechtvaardiging en wraakgedachten. Achter zijn ogenschijnlijke onverschilligheid lijkt een basaal gevoel van onveiligheid, wantrouwen en angst voor afwijzing schuil te gaan.
In de verklaring van verdachte over de tenlastegelegde feiten is een patroon zichtbaar van achterdocht, verhoogde waakzaamheid en interpretatie van dreiging, waarbij gevoelens van vernedering of verraad worden vertaald in vergeldend gedrag. Hoewel zijn gedachtegang niet overtuigend psychotisch aandoet, lijkt er sprake van een kwetsbare realiteitstoetsing met verhoogd associatief denken onder stress, mede beïnvloed door cannabisgebruik.
De psychiater concludeert dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken met daarnaast een licht verstandelijke beperking. Ook is een stoornis in het cannabisgebruik vastgesteld. Hiervan was ten tijde van het ten laste gelegde ook sprake en het beïnvloedde hem in zijn gedragingen. De combinatie van antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken, hechtingsproblematiek, beperkte intellectuele capaciteiten en middelengebruik bij verdachte leidt tot verhoogde kwetsbaarheid voor affectieve ontregeling bij sociale krenking of dreiging, hetgeen zich uit in impulsieve, gewelddadige gedragingen zoals brandstichting en bedreiging. De stoornissen zijn hiermee in overwegende mate van invloed geweest op de gedragskeuzes ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Er wordt geadviseerd om verdachte alle tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Verdachte vertoont beperkte leerbaarheid uit eerdere sancties of hulpverlening, heeft moeite met het onderhouden van structuur en regelmaat, en externaliseert problemen consequent. Verdachte vertoont ook achterdochtige denkpatronen en heeft de neiging om neutrale situaties als bedreigend te interpreteren. Het risico op recidive wordt hoog ingeschat.
Gelet op de ernst van de problematiek en het recidiverisico is klinische behandeling
noodzakelijk, bij voorkeur binnen een forensisch psychiatrische kliniek (FPK). Vanuit de penitentiaire inrichting is bekend dat verdachte neigt grenzen op te zoeken, wat bij tijd en wijle leidt tot conflicten. Een FPK biedt het gepaste beveiligingsniveau om hiermee om te gaan. Geadviseerd wordt een langdurige forensisch-psychiatrische behandeling binnen een FPK.
Gelet op de ernst van het ten laste gelegde, het hoge risico op recidive en de onderliggende persoonlijkheidsproblematiek wordt een tbs-maatregel geadviseerd. In het verleden heeft verdachte zich herhaaldelijk onttrokken aan toezicht, wat op zichzelf pleit voor tbs met dwangverpleging. Tegelijkertijd laat verdachte in het huidige onderzoek enige probleeminzicht en hulpvraag zien. Hij erkent zijn agressie- en emotieregulatieproblemen, uit de wens zich te laten behandelen en streeft naar een meer prosociale toekomst in een andere omgeving.
Gezien zijn relatief jonge leeftijd kan een tbs met voorwaarden een passend kader zijn dat de noodzakelijke juridische stok achter de deur combineert met perspectief op gedragsverandering en maatschappelijke re-integratie.
Het advies luidt daarom om te kiezen voor het opleggen van een tbs met voorwaarden, mits verdachte bereid blijft tot medewerking en behandeling.
psychologisch pro Justitia rapport
Uit het psychologisch rapport volgt, kort gezegd, onder meer het volgende. Verdachte blaast zich bij een krenking in fysiek agressieve zin op om de ander te kleineren, teneinde zijn eigen minderwaardigheid niet op een bewust niveau te hoeven ervaren. Bij verdachte is dit een hardnekkig patroon, hetgeen op meerdere levensgebieden is terug te zien. De beperkte intellectuele capaciteiten brengen nog met zich mee dat hij beperkte rationele mogelijkheden heeft om een probleem of een conflict het hoofd te bieden en dat hij bij verhoogde innerlijke onrust de neiging heeft om impulsief en emotioneel te reageren.
De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken, een lichte stoornis in cannabisgebruik en een licht verstandelijke beperking. Gelet hierop is sprake van een dwingende doorwerking van de geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek op zijn gedrag ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Verdachte moet verstandelijk in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde feiten in te zien. Hij kan echter als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig voornoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt om de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
Er is sprake van een verhoogde kans op herhaling van gewelddadig gedrag, dat voor een belangrijk deel samen hangt met de geconstateerde psychische problematiek waarin sprake is van emotionele instabiliteit, verhoogde impulsiviteit, krenkbaarheid en een escalerende houding. Gevolg hiervan is dat sprake is van forse coping- en conflicthanteringsproblemen.
Gelet op het voorgaande concludeert de psycholoog dat vanuit forensisch oogpunt behandeling is aangewezen. Verdachte is goed aanspreekbaar, ervaart enige lijdensdruk en is in staat, wanneer hij enigszins narcisme sparend wordt behandeld, om mee te gaan met een behandelaanbod. De behandeling die hij heeft ondergaan bij De Waag wijst hier eveneens op. Om verdachte goed te kunnen laten profiteren van een behandeling moet deze dwingend opgelegd kunnen worden, zodat hij zich niet aan behandeling kan onttrekken. De behandeling dient zich te richten op de persoonlijkheidsstoornis. De problematiek is ernstig en ondanks de behandeling die hij bij De Waag heeft gevolgd, waar tevens copingproblemen zijn behandeld, bestaat de psychische problematiek nog steeds fors. In aanvang wordt geadviseerd om verdachte klinisch te behandelen in een FPK. In tweede instantie zou verdachte een ambulant vervolgtraject aangeboden kunnen worden, waarbij aandacht uitgaat naar een goede resocialisatie. De behandeling dient goed afgestemd te zijn op de intellectuele beperkingen van verdachte.
De kans dat verdachte niet in staat zal zijn om zich aan bijzondere voorwaarden te houden wordt als reëel ingeschat. Daarom wordt geadviseerd om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen zodat vanuit een dwingend tbs-kader gewerkt kan worden aan de bij verdachte aanwezige hulpvraag. Mocht verdachte zich niet aan de bij deze tbs-maatregel opgelegde voorwaarden houden kan aan hem alsnog een tbs-maatregel met dwangverpleging worden opgelegd.
reclasseringsrapport
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , werkzaam als reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering zich aansluit, onder verwijzing naar de hierboven reeds uiteengezette pro Justitia rapportages, bij het interventieadvies van de pro Justitia rapporteurs en positief adviseert over tbs met voorwaarden. De reclassering ziet voldoende mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken en het gedrag te veranderen. De reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen.
Ingeschat wordt dat het een langdurige behandeling betreft waarbij na behandeling in een FPK, behandeling in ambulante setting zal volgen. De reclassering adviseert om deze behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden en met de in het rapport opgesomde voorwaarden. Geadviseerd wordt om de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast wordt geadviseerd om aan verdachte een GVM op te leggen.
Verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan de op te leggen voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de reclasseringswerker in aanvulling op het advies verklaard dat verdachte is aangemeld bij FPK De Woenselse Poort in Eindhoven en dat daar een plek voor hem wordt gerealiseerd. Als op de dag van de aanvang van de tbs-maatregel die plek nog niet beschikbaar is zal een overbruggingsplek worden geregeld. Daarnaast is het mogelijk om het locatieverbod via elektronische monitoring ten uitvoer te leggen.
De rechtbank neemt de bevindingen, conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de adviezen van de deskundigen en verdachte sterk verminderd te achten, zoals door de verdediging bepleit, nu hiervoor onvoldoende aanknopingspunten zijn. De verdachte wordt dan ook verminderd toerekeningsvatbaar geacht ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten.
7.3.3.Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden is voldaan. De bewezen geachte feiten zijn misdrijven die worden genoemd in artikel 37a lid 1 sub 2 Sr en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, vereist het opleggen van deze maatregel. Verder volgt de rechtbank de psychiater en de psycholoog in de hierboven genoemde conclusies dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Om het grote gevaar voor recidive te kunnen beteugelen, om de problematiek van de verdachte zoveel mogelijk te beperken en ter optimale bescherming van de maatschappij zal de rechtbank aan verdachte de tbs-maatregel opleggen.
De rechtbank ziet in de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, en de hardnekkigheid daarvan, zoals deze uit de rapportages van de gedragsdeskundigen naar voren komt, reden om te twijfelen of de dwang die van een tbs met voorwaarden uitgaat voldoende is om tot de benodigde, langdurige, behandeling bij verdachte te komen. De leeftijd van verdachte en de huidige lange wachttijden voor de tbs maken dat de rechtbank verdachte het voordeel van die twijfel geeft en de adviezen van de deskundigen zal volgen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat op dit moment kan worden volstaan met het opleggen van een tbs met voorwaarden, met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het alcohol- en drugsverbod. De rechtbank laat de beoordeling of een dergelijk verbod vereist is over aan de behandelaars van de FPK waar verdachte geplaatst zal worden, het is aan de FPK om hieromtrent huisregels te bepalen.
Ongemaximeerde tbs
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat de bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaar indien op een later moment blijkt dat deze omgezet dient te worden in een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Dadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden
Conform de vordering van de officier van justitie zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Dat is gelet op de noodzaak van de behandeling en het gevaar voor recidive en daarmee het grote risico dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, ook gepast.
Voorlopige hechtenis
Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek of een overbruggingskliniek. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.