ECLI:NL:RBAMS:2026:4332
Rechtbank Amsterdam
- Verstek
- Rechtspraak.nl
Toetsing oneerlijke bedingen in huurovereenkomst en proceskostenveroordeling
In deze bodemzaak vordert de eisende partij betaling van huurachterstand en nevenvorderingen van de gedaagde partij, die niet is verschenen en verstek is verleend. De huurovereenkomst tussen partijen is beëindigd per 6 oktober 2025. De kantonrechter toetst ambtshalve de overeenkomst aan Richtlijn 93/13/EG inzake oneerlijke bedingen, omdat het een overeenkomst betreft tussen een handelaar en een consument.
De huurprijs- en servicekostenbedingen worden als kernbedingen aangemerkt en zijn transparant, waardoor toetsing op oneerlijkheid achterwege blijft. De overige relevante bedingen, waaronder huurprijswijziging en wijziging voorschot servicekosten, worden niet oneerlijk bevonden. Het incassokostenbeding wordt eveneens niet als oneerlijk beoordeeld.
Het proceskostenbeding in artikel 17.2 wordt wel als oneerlijk beschouwd voor zover het betrekking heeft op proceskosten, omdat het meer kosten toerekent dan wettelijk is toegestaan. De kantonrechter volgt de jurisprudentie en laat de proceskostenveroordeling niet achterwege, maar stelt deze vast conform het liquidatietarief. Het boetebeding in artikel 17.4 wordt als oneerlijk beoordeeld omdat het een disproportionele boete oplegt aan de huurder, waardoor het buiten toepassing wordt gelaten.
De vordering tot betaling van de huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen, evenals de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van huurachterstand en incassokosten toe, verklaart het boetebeding en proceskostenbeding deels oneerlijk en veroordeelt gedaagde in proceskosten.