Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4326

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
12053161 CV EXPL 26-529
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningRichtlijn 93/13/EEGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13/EEGArt. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens achterstallige huur met toetsing oneerlijke bedingen

In deze zaak stond een huurovereenkomst tussen een verhuurder en een bewindvoerder van een huurder centraal. De verhuurder vorderde betaling van achterstallige huur, wettelijke rente en kosten, en verzocht om ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van de woonruimte.

De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of bepalingen in de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in het licht van Richtlijn 93/13/EEG. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding werden als kernbedingen aangemerkt en uitgesloten van toetsing. De bepalingen over huurprijswijziging en wijziging voorschot servicekosten werden niet als oneerlijk beoordeeld.

Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden, dat de huurder verplicht tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en meer proceskosten dan wettelijk toegestaan, werd echter als oneerlijk beoordeeld en buiten toepassing gelaten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen. De proceskosten werden toegewezen conform het liquidatietarief.

De kantonrechter ontbond de huurovereenkomst, veroordeelde de bewindvoerder tot ontruiming binnen twee weken en tot betaling van achterstallige huur, rente en proceskosten. De vordering tot rente over rente werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, ontruiming bevolen en betaling van achterstallige huur en kosten toegewezen, met buiten toepassing laten van een oneerlijk beding over incassokosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12053161 CV EXPL 26-529
vonnis van: 2 april 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap [eiser] B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats]
eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
t e g e n
de besloten vennootschap
De Keijzer Bewindvoering B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde] , nader ook te noemen: de bewindvoerder.
kantoorhoudende in de gemeente Vijfheerenlanden
gedaagde partij
procederend in persoon

Verloop van de procedure

- dagvaarding van 6 januari 2026.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij geen conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening

1. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij in de dagvaarding voldoende heeft gesteld en toegelicht dat zij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
3. Eisende partij heeft de tussen haar en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht.
4. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
5. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5.1 (Huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en de artikelen 16 (Huurprijswijziging) en 17.13 (Wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijke bevonden.
6. Tot slot is artikel 25.2 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst.
Dit artikel luidt als volgt:
25.2
In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechtelijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.
7. Eisende partij heeft in de dagvaarding kort gezegd het standpunt ingenomen dat artikel 25.2 slechts van toepassing is ‘voor zover’ de WIK en het BIK niet van toepassing zijn. Artikel 25.2 beoogt, aldus eisende partij, geen afwijking op de wet te zijn, maar slechts een aanvulling.
8. Daaromtrent overweegt de kantonrechter als volgt. Eisende partij stelt terecht dat in artikel 25.2 algemene bepalingen wordt verwezen naar wettelijke regels (het Besluit), maar dat neemt niet weg dat gedaagde als consument in beginsel verplicht is om bij niet nakoming van de huurovereenkomst
allein dat verband door eisende partij gemaakte kosten te voldoen. De lezing van artikel 25.2 die eiseres voorstaat, die inhoudt dat artikel 25.2 alleen van toepassing is als de wet niet van toepassing is en zodoende alleen een aanvulling op de wet vormt, volgt onvoldoende duidelijk uit de tekst van artikel 25.2. Het beding over buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk en zal buiten toepassing worden gelaten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
9. Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden is daarnaast ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
De vordering
10. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de rente nog is overwogen.
11. De gevorderde rente over rente (al dan niet opgenomen in de opgegeven hoofdsom) wordt afgewezen nu ter zake onvoldoende is gesteld.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de tussen [gedaagde] en eisende partij bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres] ;
veroordeelt de bewindvoerder om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt de bewindvoerder om tegen bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen:
a) € 24.199,67 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 december 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf 31 december 2025 tot de voldoening;
b) € 284,34 ter zake van wettelijke rente, berekend tot en met 30 december 2025;
c) € 1.235,52 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand
waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 127,08 aan explootkosten, € 543,00 aan salaris gemachtigde, € 1.504,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.