De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het gerechtshof van Parijs voor de overlevering van een persoon geboren in 1950 met de Nederlandse nationaliteit. Na meerdere zittingen en verlengingen van de beslistermijn werd vastgesteld dat het arrest onherroepelijk was en dat de straf overgenomen kon worden door Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 6a van de Overleveringswet (OLW), omdat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland mogelijk is. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon verzocht om schorsing van het bevel tot gevangenhouding vanwege ernstige medische omstandigheden en een aanstaande operatie.
Hoewel de officier van justitie zich tegen schorsing verzette, achtte de rechtbank de combinatie van hoge leeftijd en medische situatie uitzonderlijke omstandigheden die schorsing rechtvaardigen. De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren, de straf in Nederland te laten uitvoeren en de gevangenhouding te schorsen tot aan de tenuitvoerlegging van de straf, onder dezelfde voorwaarden als eerder.