Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4293

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
13/193453-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstallen en heling gericht op kwetsbare ouderen met voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor vier feiten van diefstal en heling, gepleegd in de periode mei tot juni 2025. De delicten betroffen onder meer diefstal van goederen en geld bij alleenstaande hoogbejaarde vrouwen, waarbij verdachte misbruik maakte van hun kwetsbare positie. Ook werd geld opgenomen met gestolen pinpassen.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte op doordachte wijze haar slachtoffers koos en hun vertrouwen schaadde. Verdachte heeft een strafblad met eerdere vermogensdelicten en kampt met verslavings- en psychosociale problemen, waarvoor een reclasseringsadvies tot opname in een forensisch psychiatrische afdeling werd gegeven.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 730 dagen op, waarvan 416 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder opname in een zorginstelling en contactverboden met de slachtoffers. Diverse schadevergoedingen aan benadeelden werden toegewezen, terwijl enkele vorderingen werden afgewezen wegens gebrek aan direct schadebewijs.

De straf en voorwaarden zijn mede gericht op gedragsverandering en het voorkomen van recidive, met nadruk op hulpverlening en toezicht door de reclassering. De uitspraak is gedaan op 16 april 2026 en is onherroepelijk verklaard om tijdige opname in de zorginstelling mogelijk te maken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 730 dagen gevangenisstraf waarvan 416 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/193453-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
en aldaar gedetineerd in de [detentieadres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit (verkort) vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. A.A. Boersma, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1:diefstal van verschillende goederen van [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] in de periode van 2 mei 2025 tot en met 14 juni 2025;
Feit 2:diefstal met geweld van pakjes sigaretten van [benadeelde partij 4] op 15 juni 2025;
Feit 3 primair:diefstal uit een woning van een Samsung telefoon en een bankpas van [benadeelde partij 5] op 4 mei 2025;
Subsidiair:heling van deze goederen;
Feit 4:diefstal door middel van een valse sleutel van meerdere geldbedragen van [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 6] in de periode van 4 mei 2025 tot en met 14 juni 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
Feit 1:
in de periode van 2 mei 2025 tot en met 14 juni 2025 op meerdere tijdstippen te Amsterdam, telkens
- een portemonnee met daarin contant geld dat geheel aan [benadeelde partij 1] en
- een tas met daarin 60 euro contant geld en een ING bankpas die geheel aan [benadeelde partij 3],
toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 2:
op 15 juni 2025 te Amsterdam meerdere pakjes sigaretten die geheel aan [benadeelde partij 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 3:
op 4 mei 2025 te Amsterdam een ING bankpas op naam van [benadeelde partij 5] voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Feit 4:
in de periode van 4 mei 2025 tot en met 14 juni 2025 op meerdere tijdstippen te Amsterdam telkens geldbedragen die geheel aan
- [benadeelde partij 5] (een geldbedrag van 40 euro en/of 5 euro) en
- [benadeelde partij 3] (een geldbedrag van 45 euro) en
- [benadeelde partij 2] (een geldbedrag van 1,62 euro) en
- [benadeelde partij 6],
toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van een bankpas op naam van voornoemde personen waar zij, verdachte, niet toe gerechtigd was.

4.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 730 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 416 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Op die manier kan verdachte direct vanuit detentie opgenomen worden in de Forensisch Psychiatrische Afdeling [plaatsnaam] op 4 mei 2026. Daarbij moeten ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Deze dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank ter zitting verzocht om aansluiting te zoeken bij de vordering van de officier van justitie. De raadsman heeft ook verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ook als dat eigenlijk niet kan, gelet op het bepaalde in artikel 14e Sr. in het licht van een partiële vrijspraak van de geweldscomponent in feit 2. De raadsman heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:3778).
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan in totaal vier feiten. Zij heeft verschillende goederen gestolen, al dan niet door middel van een babbeltruc, waarbij steeds alleenstaande (hoog)bejaarde vrouwen het slachtoffer waren. Ook heeft zij geld opgenomen met een pinpas die zij bij die babbeltrucs heeft gestolen en met gestolen pinpassen die haar door een ander zijn gegeven. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte haar slachtoffers op doordachte wijze heeft uitgekozen en dat zij misbruik heeft gemaakt van hun kwetsbare positie, gelet op hun hoge leeftijd en fysieke beperkingen. Daarbij heeft zij alleen oog gehad voor haar eigen (financiële) gewin en zich niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers. Naast de financiële schade die verdachte hen heeft toegebracht, heeft zij ook hun vertrouwen in de medemens ernstig geschaad en gevoelens van angst bij hen teweeggebracht. De rechtbank rekent deze feiten de verdachte ernstig aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 24 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte meerdere keren eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het reclasseringsadvies van 14 januari 2026 betreffende verdachte, opgesteld door [reclasseringsmedewerker]. De reclassering signaleert een delictpatroon op het gebied van vermogensdelicten dat het gevolg is van onderliggende verslavingsproblematiek, alsmede persoonlijke en psychosociale problemen. De reclassering heeft een fors plan van aanpak opgesteld om toe te werken naar gedragsverandering. De reclassering adviseert dan ook een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een zorginstelling. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Op 4 mei 2026 kan verdachte geplaatst worden bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA) [plaatsnaam]. Zij heeft benadrukt dat zij aansluitend aan detentie naar FPA [plaatsnaam] wil om zo het risico op terugval te verkleinen.
Strafoplegging
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het van groot belang is dat verdachte de hulp krijgt die zij nodig heeft en dat zij – aansluitend aan detentie – op 4 mei 2026 opgenomen wordt in de FPA [plaatsnaam]. De rechtbank zal daarom een straf opleggen conform de eis van de officier van justitie, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 730 dagen waarvan 416 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. Daarbij worden ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opgelegd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank kan de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht niet dadelijk uitvoerbaar verklaren omdat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank heeft gezien dat verdachte graag gebruik wil maken van de hulpverlening en dat zij gemotiveerd is om daaraan mee te werken. De rechtbank doet daarom vervroegd uitspraak, zodat het vonnis vóór de opnamedatum van 4 mei 2026 onherroepelijk kan zijn en verdachte per 4 mei 2026 gebruik kan maken van de voor haar gereserveerde plek bij FPA [plaatsnaam].

8.De vorderingen van de benadeelde partijen

8.1
Het oordeel van de rechtbank
8.1.1
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.500,- aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft verzocht deze vordering toe te wijzen. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd op 2 mei 2025.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
8.1.2
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 6]
De benadeelde partij [benadeelde partij 6] vordert € 500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Zowel de officier van justitie als de raadsman vinden dat niet vastgesteld kan worden dat aan de benadeelde partij rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, namelijk de diefstal met valse sleutel. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De raadsman heeft de rechtbank om die reden verzocht de vordering af te wijzen.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu niet vastgesteld kan worden dat aan haar rechtstreekse schade is toegebracht als gevolg van het bewezenverklaarde feit.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
8.1.3
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 260,- aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft verzocht om de vergoeding van materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 180,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Voor zover de vordering ziet op immateriële schade, moet deze worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-.
De raadsman heeft wat betreft de materiële schade verzocht om de post van € 80,- niet toe te wijzen. Voor het overige materiële deel van de vordering heeft de raadsman zich gerefereerd. Voor zover de vordering ziet op immateriële schade, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 180,- (zijnde de waarde van 15 pakjes Marlboro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2025. Voor het overige materiële deel wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, omdat de post ‘cashgeld uit eerdere binnendringen’ geen rechtstreekse schade is die is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot vergoeding van immateriële schade, omdat de rechtbank – in het licht van de gegeven onderbouwing – niet kan vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
8.1.4
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 168,95 aan vergoeding van materiële schade en € 720,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft verzocht om deze vordering volledig toe te wijzen. De raadsman heeft verzocht om voor wat betreft het materiële deel de volgende posten af te wijzen: de kosten voor de ID-kaart, de OV-chipkaart en de nieuwe portemonnee. De overige materiële schadeposten kunnen worden toegewezen. Voor wat betreft het immateriële deel heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feiten 1 en 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 168,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd op 14 juni 2025. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat in de door verdachte gestolen tas van de benadeelde partij ook een ID-kaart, OV-chipkaart en portemonnee hebben gezeten. Dat deze goederen niet specifiek in de aangifte zijn benoemd, doet daar niet aan af.
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot vergoeding van immateriële schade omdat de rechtbank – in het licht van de gegeven onderbouwing – niet kan vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
diefstal, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2:
diefstal;
Ten aanzien van feit 3 subsidiair:
schuldheling;
Ten aanzien van feit 4:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
730 (zevenhonderddertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
416 (vierhonderdzestien) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering:
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen met veroordeelde voor de eerste afspraak;
- Opneming in een zorginstelling:
dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd voor de duur van een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname):
veroordeelde laat zich, indien nodig, behandelen door zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- Verbod verdovende middelen:
dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kan zijn urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Bij een terugval maakt veroordeelde samen met de reclassering een plan om met passende interventies het middelengebruik te stoppen;
- Meewerken aan middelencontrole:
dat veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
- Meewerken aan schuldhulpverlening:
dat veroordeelde meewerkt aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden;
- Contactverbod:
dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
o
[benadeelde partij 1], geboren op [geboortedag 2] 1935;
o
[benadeelde partij 3], geboren op [geboortedag 3] 1950;
o
[benadeelde partij 4], geboren op [geboortedag 4] 1927;
o
[benadeelde partij 5], geboren op [geboortedag 5] 1942;
o
[benadeelde partij 2];
o
[benadeelde partij 6], geboren op [geboortedag 6] 1943.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 1]toe tot een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart
[benadeelde partij 6]niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 4]toe tot een bedrag van € 180,- (zegge: honderdtachtig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart
[benadeelde partij 4]voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 180,- (zegge: honderdtachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 3]toe tot een bedrag van € 168,95 (zegge: honderdachtenzestig euro en vijfennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart
[benadeelde partij 3]voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat van € 168,95 (zegge: honderdachtenzestig euro en vijfennegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mr. P.K. Oosterling-van der Maarel en mr. J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.
[…]