Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4274

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
13-199712-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en toepassing artikel 12 en 6a Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 april 2026 een tussenuitspraak in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een persoon geboren in 1999. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een zes maanden durende vrijheidsstraf, aanvankelijk voorwaardelijk opgelegd en later omgezet in een onvoorwaardelijke straf.

De raadsman voerde aan dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte zou zijn geweest van het proces dat tot de tenuitvoerlegging leidde. De officier van justitie stelde dat de weigeringsgrond niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was en een adresinstructie had ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat hoewel het EAB ziet op een vonnis waarbij de verdachte niet persoonlijk aanwezig was, de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig was in het bereikbaar zijn voor officiële correspondentie. Daarom ziet de rechtbank af van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW Pro.

Daarnaast toetste de rechtbank de gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6a OLW. De opgeëiste persoon heeft aangetoond ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland te verblijven, maar de rechtbank beschikt nog niet over een verklaring van de IND over het behoud van het verblijfsrecht. Daarom wordt het onderzoek heropend en geschorst om deze verklaring op te vragen en de beslissingstermijn met 60 dagen verlengd.

Uitkomst: De rechtbank ziet af van weigering overlevering op grond van artikel 12 OLW en heropent het onderzoek om de IND-verklaring over verblijfstatus op te vragen, met verlenging van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-199712-25
Datum uitspraak: 30 april 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 april 2024 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999,
feitelijk verblijfadres:
[verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Local Court in Szczecinekvan 3 december 2018 met kenmerk II K 645/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. In onderdeel f) van het EAB staat vermeld dat bij beslissing van
the Local Court in Szczecinekvan 30 mei 2019 de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf is bevolen.
Het vonnis van 3 december 2018 betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de behandeling van het EAB aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de oproeping van de opgeëiste persoon voor de zitting die heeft geleid tot de beslissing van
the Local Court in Szczecinekvan 30 mei 2019. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon op de hoogte had kunnen of moeten zijn van het proces dat heeft geleid tot de beslissing van 30 mei 2019.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon heeft immers een adresinstructie gehad, is gewezen op de gevolgen van het niet naleven van de verplichting iedere adreswijziging door te geven en is opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Bovendien wist de opgeëiste persoon van de procedure die tot het vonnis van
the Local Court in Szczecinekvan 3 december 2018 heeft geleid, omdat hij met de officier van justitie tot overeenstemming is gekomen over de op te leggen straf. De beslissing tot tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf van 30 mei 2019 is genomen wegens het overtreden van voorwaarden en valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis vanthe Local Court in Szczecinekvan 3 december 2018 met kenmerk II K 645/18
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In de toelichting in onderdeel d.2) van het EAB en de aanvullende informatie van
the Local Court in Szczecinek II Criminal Departmentvan 7 april 2026 is vermeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de strafprocedure die tegen hem liep, aangezien hij tijdens het verhoor van 4 september 2018 met de officier van justitie tot overeenstemming is gekomen over de op te leggen straf. Verder is vermeld dat de opgeëiste persoon tijdens het verhoor een adres heeft opgegeven en dat de oproep voor de zitting die heeft geleid tot het vonnis ook daadwerkelijk naar het door hem opgegeven adres is verstuurd. De opgeëiste persoon heeft tijdens het verhoor een instructie ondertekend waaruit volgt dat de opgeëiste persoon is gehouden om iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten door te geven en is gewezen op de gevolgen van het niet naleven van deze verplichting.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.
Ten aanzien van de beslissing vanthe Local Court in Szczecinekvan 30 mei 2019
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the Local Court in Szczecinekvan 30 mei 2019 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 30 mei 2019 is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5] Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie van 7 april 2026 dat de tenuitvoerlegging is bevolen wegens het overtreden van een aantal voorwaarden die verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf en niet wegens het plegen van nieuwe strafbare feiten. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd, te weten het vonnis van 3 december 2018.

5.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
oplichting.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde loonstroken en de stukken van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) blijkt dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. [6] Verzocht is de overlevering te weigeren en de straf over te nemen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Er zijn geen stukken overgelegd over de verblijfplaats van de opgeëiste persoon. Hoewel er een huurcontract van de partner van de opgeëiste persoon is overgelegd, blijkt uit het dossier niet dat de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk daar heeft verbleven. Uit de overgelegde loonstroken blijkt niet op welk adres de opgeëiste persoon heeft verbleven en alleen de stukken van het UWV zijn onvoldoende om het verblijf in Nederland aan te tonen. Daarnaast is ook het aantal gewerkte uren in 2020 en 2025 zodanig weinig dat daaruit niet een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland kan worden afgeleid.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De opgeëiste persoon heeft tijdens het verhoor door de rechtbank op 26 februari 2026 en ter zitting verklaard dat hij in 2018 naar Nederland is gekomen en dat hij zich in Nederland niet heeft kunnen inschrijven op een adres, omdat hij huisvesting kreeg via de uitzendbureaus waar hij voor werkte. Het overzicht van het UWV dat de opgeëiste persoon aan de rechtbank heeft verstrekt, bevestigt dat hij vanaf 2018 voor meerdere uitzendbureaus heeft gewerkt. Uit een aantal loonspecificaties uit 2023 blijkt daarnaast dat op het loon van de opgeëiste persoon een bedrag is ingehouden voor huisvesting en dat hij op dat moment verbleef op een adres in [plaats 1] . Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat buitenlandse werknemers van uitzendbureaus zich vaak niet kunnen inschrijven wanneer hun huisvesting wordt geregeld door diezelfde uitzendbureaus. Uit het overzicht van het UWV, waarin onder meer het arbeidsverleden van de opgeëiste persoon is vermeld, blijkt verder dat de opgeëiste persoon van 2021 tot en met 2024 dusdanig veel uren heeft gewerkt voor verschillende uitzendbureaus dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon toen in Nederland heeft verbleven. Voor het verblijf in het jaar 2025 geldt dat de opgeëiste persoon verschillende jaaropgaven en loonspecificaties heeft overgelegd, waarop steeds het adres van zijn vriendin in [plaats 2] is vermeld. Tot slot stelt de rechtbank aan de hand van de overgelegde jaaropgaven, loonspecificaties en het overzicht van het UWV vast dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar voldoende inkomen heeft verworven en dus voldoet aan het vereiste dat hij reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank beschikt niet over een dergelijke verklaring van de IND, nu deze door de officier van justitie nog niet is opgevraagd wegens het door haar ingenomen standpunt ten aanzien van de eerste voorwaarde.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf op te laten vragen en aan het dossier te laten toevoegen. Daarnaast wordt de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om - voor het geval de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander - de Poolse autoriteiten te verzoeken om toestemming voor het overnemen van de in Polen opgelegde straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in Bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis toe te zenden.
Verlenging van de beslistermijn
Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Gelet op de gevolgen van het arrest
C.J.over het opvragen van het certificaat en het veroordelende vonnis en de omstandigheid dat de wetgever artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. Om die reden zal de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen zal verlengen en gelijktijdig de (geschorste) overleveringsdetentie verlengen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder overweging 6 genoemde stukken op te laten vragen en aan het dossier te laten toevoegen;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 24 juli 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW
BEPAALTdat de zaak, vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 24 juli 2026, uiterlijk op
9 juli 2026opnieuw op zitting moet worden gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.
6.De raadsman heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2407.