Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4267

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
13-050014-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel uit Tsjechië

De rechtbank Amsterdam heeft op 30 april 2026 uitspraak gedaan over de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Tsjechië. Het EAB is uitgevaardigd voor de overlevering van een persoon die een vrijheidsstraf van drie jaar en vijf maanden moet ondergaan, waarvan nog 248 dagen resteren.

Tijdens de zitting op 16 april 2026 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door een advocaat en een tolk. De rechtbank heeft de beslistermijn met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding bevolen met schorsing tot uitspraak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces in Tsjechië, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) niet van toepassing is.

De rechtbank heeft getoetst of het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, voldoet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid en concludeerde dat het feit in Nederland strafbaar is als wederrechtelijk dwingen door bedreiging met geweld. Er zijn geen andere weigeringsgronden of omstandigheden die aan overlevering in de weg staan. Daarom heeft de rechtbank de overlevering toegestaan.

De uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee rechters, en is in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open volgens de Overleveringswet.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Tsjechië toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-050014-26
Datum uitspraak: 30 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 februari 2024 door
Okresní Soud v Karviné (District Court in Karviná), Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Tsjecho-Slowakije) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
feitelijk verblijfadres: [verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, advocaat in Breda, en door een tolk in de Tsjechische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
  • een
  • een vonnis van
  • een
  • een
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 248 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 7 mei 2014.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Overlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd als de overlevering wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die straf of maatregel heeft geleid, behoudens de uitzonderingen als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW. In deze zaak is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van het vonnis vanthe District Court in Karvinávan 7 mei 2014, file ref. 10 T 99/2012-98
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van
20 maart 2026 volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van decourt order of the District Court in Třebíčvan 7 december 2016, file ref. 11 PP 348/2016-27 en decourt order of the District Court in Třebíčvan 19 april 2021, file ref. 11 PP 348/2016-135
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon bij beslissing van
the District Court in Třebíčvan 7 december 2016 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Bij beslissing van
the District Court in Třebíčvan 19 april 2021 is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen wegens het overtreden van de gestelde voorwaarden en niet wegens het plegen van een strafbaar feit.
De beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 19 april 2021 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de mate van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [4] Nu de herroeping niet het gevolg is geweest van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, hoeft de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro te toetsen dan de veroordeling waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 284 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
Okresní Soud v Karviné(
District Court in Karviná) (Tsjechië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en W.A.J.P. van den Reek, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.