Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4246

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/13/785059 / KG ZA 26-208
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ABVArt. 2 ABVArt. 5 lid 3 WwftArt. 6:119 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot voortzetting bancaire relatie wegens integriteitsrisico's en onvoltooid cliëntenonderzoek

Eisers, bestaande uit een natuurlijk persoon en twee vennootschappen, vorderden in kort geding dat ABN AMRO de bancaire relatie met hen zou voortzetten totdat een bodemrechter een definitief oordeel zou geven. ABN AMRO had de relatie opgezegd op grond van artikel 35 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden en artikel 5 lid 3 van Pro de Wwft, omdat het cliëntenonderzoek niet kon worden afgerond vanwege vermoedens van betrokkenheid bij btw-carrouselfraude.

De rechtbank overwoog dat banken een contractuele bevoegdheid hebben om bancaire relaties op te zeggen, maar dat dit niet onbegrensd is en moet worden getoetst aan redelijkheid en billijkheid. De maatschappelijke positie van banken brengt mee dat zij een zorgplicht hebben en dat het belang van toegang tot het betalingsverkeer zwaar weegt. Tegelijkertijd moeten banken voldoen aan de Wwft en integriteitsrisico's voorkomen.

ABN AMRO had voldoende aannemelijk gemaakt dat er ernstige integriteitsrisico's waren, waaronder een onlogische transactieketen, hoge omzet bij een startende onderneming, en eerdere strafrechtelijke veroordelingen van de natuurlijke persoon die aan de vennootschappen verbonden is. Eisers konden de twijfels niet wegnemen. De rechtbank oordeelde dat er geen algemeen recht bestaat om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten en dat de vordering daarom moest worden afgewezen.

Eisers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot voortzetting van de bancaire relatie af en veroordeelt eisers in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/785059 / KG ZA 26-208 MdV/MV
Vonnis in kort geding van 30 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[eiseres 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3.
[eiseres 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 27 maart 2026,
advocaten: mr. R.J. van Baal en mr. V.J.K. Welten,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Abn Amro,
advocaat: mr. J.W. Achterberg.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 16 april 2026 hebben eisers de dagvaarding toegelicht. Abn Amro heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. Eisers hebben daarnaast ook een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van eiseres: [eiser 1] (tevens aandeelhouder en bestuurder van eiseressen sub 2 en 3) en zijn dochter met mr. Van Baal en mr. Welten;
aan de zijde van Abn Amro: mr. L. van der Vaart (legal counsel) met mr. Achterberg.
Na verder debat is vonnis bepaald op 30 april 2026.

2.De feiten

2.1.
Eiser sub 1 (hierna: [eiser 1] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van eiseres sub 2 (hierna: [eiseres 2] ) en indirect aandeelhouder en bestuurder van eiseres sub 3 (hierna: [eiseres 3] ). [eiseres 2] en [eiseres 3] zijn beide opgericht op 7 september 2023.
2.2.
Eisers houden alle drie een betaalrekening aan bij Abn Amro.
2.3.
Op 20 juni 2024 is Abn Amro gestart met een cliëntenonderzoek naar eisers. Nadien heeft Abn Amro verschillende brieven gestuurd waarin vragen zijn gesteld en heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen Abn Amro en eisers.
2.4.
Bij brief van 11 februari 2025 heeft Abn Amro de bancaire relatie met eisers opgezegd per 11 april 2025. Blijkens die brief zijn eisers eveneens opgenomen op de CAAML-lijst (Client Acceptance and Anti-Money Laundering, een interne lijst van Abn Amro) voor een periode van vijf jaar.
2.5.
Op verzoek van eisers heeft Abn Amro eisers een langere termijn gegund voor het indienen van een bezwaar. Dit bezwaar is ingediend op 18 mei 2025 en bij brief van 20 mei 2025 van Abn Amro afgewezen.
2.6.
Naar aanleiding van het toesturen van een conceptdagvaarding en het vragen om verhinderdata voor dit kort geding heeft Abn Amro toegezegd het dossier van eisers nog een keer tegen het licht te houden. Bij brief van 28 november 2025 heeft Abn Amro eisers – kort gezegd – bericht vast te houden aan de opzegging, dit keer tegen 28 januari 2026.
2.7.
Op 16 januari 2026 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de advocaat van eisers en Abn Amro. Hierin heeft Abn Amro toegezegd de bancaire relatie in stand te houden totdat in kort geding een vonnis is gewezen.

3.Het geschil

3.1.
Eises vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:Abn Amro te veroordelen op straffe van een dwangsom de bancaire relatie met eisers voort te zetten, totdat de rechtbank Amsterdam in een bodemzaak heeft beslist en te bepalen dat eisers die bodemzaak binnen zes weken na de datum van dit vonnis aanhangig moeten maken;
subsidiair:enige andere beslissing te nemen om het behoud van de bancaire relatie mogelijk te maken totdat de rechtbank Amsterdam in een bodemzaak heeft beslist;
met veroordeling van Abn Amro in de kosten van dit geding.
3.2.
Eisers leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. Abn Amro baseert haar bevoegdheid de bancaire relatie op te zeggen op artikel 35 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Tevens stelt zij verplicht te zijn tot opzegging op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro omdat Abn Amro niet in staat is gesteld het cliëntenonderzoek af te ronden. Eisers bestrijden dit. Zij hebben steeds alle vragen van Abn Amro beantwoord en Abn Amro heeft niet aangetoond dat sprake was van een verplichting tot opzegging. Daarnaast is de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar omdat eisers volledig afhankelijk zijn van het hebben van een bankrekening. Het is eisers niet gelukt om bij een andere bank een rekening te openen en de andere bankrekeningen die zij in het verleden hadden zijn eveneens opgezegd. Dit maakt dat een faillissement onafwendbaar is en dat ontslag dreigt voor de medewerkers van eisers. Deze gevolgen zijn dermate groot dat eisers van mening zijn dat een bodemrechter een principieel oordeel moet kunnen geven over een aantal constitutieve en declaratoire vorderingen van eisers. Een rechter in kort geding kan alleen een voorlopig oordeel geven. Daarnaast moet een bodemrechter een oordeel kunnen geven over de vraag of bepaalde artikelen uit de Algemene Bankvoorwaarden (bijvoorbeeld artikel 2 lid 2 en Pro artikel 3) onredelijk bezwarend zijn. Indien hangende de behandeling van de bodemzaak eisers niet ongehinderd van hun bankrekeningen gebruik zouden kunnen maken, dan zouden zij ook hun advocaat niet kunnen betalen, waardoor een effectieve toegang tot de rechter zou worden geblokkeerd.
3.3.
Abn Amro heeft verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Bij de beoordeling van een geschil als het onderhavige gelden de volgende algemene uitgangspunten.
(1) Op grond van artikel 35 ABV Pro heeft een bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd.
(2) De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (zie artikel 6:248 lid 2 BW Pro en HR 10 oktober 2014, ECLl:NL:HR:2014:2929).
(3) Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht (artikel 2 ABV Pro), waarbij het belang om deel te nemen aan het betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. In het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1652) is geoordeeld dat in beginsel op banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten, de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden. Daarbij weegt zwaar mee dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren.
(4) Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft Pro). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. Ook in het arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat banken een gerechtvaardigd belang kunnen hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dat dit belang eraan in de weg kan staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden.
(5) Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 ABV).
4.2.
In dit geval heeft Abn Amro aangevoerd dat zij zowel verplicht (artikel 5 lid 3 Wwft Pro) als bevoegd (artikel 35 ABV Pro) was om de bankrelatie met eisers op te zeggen. De feiten en omstandigheden die Abn Amro hiertoe in haar conclusie van antwoord heeft opgenomen zijn de volgende:
(1) Er is sprake van onacceptabele integriteitsrisico’s omdat Abn Amro indicaties heeft dat [eiseres 3] als ‘buffer’ fungeert in een btw-carrouselfraude. Er zijn meerdere ‘
red flags’ als genoemd in de publicaties van de Belastingdienst (producties 4 en 5 van Abn Amro) op [eiseres 3] van toepassing.
(2) De jaarlijkse omzet van [eiseres 3] is vele malen hoger dan de bij haar oprichting verwachte omzet. In de periode van april tot december 2024 is ongeveer 10 miljoen euro bijgeschreven op haar rekening en dit is een zeer ongebruikelijk bedrag bij een startende kleine onderneming.
(3) Niet duidelijk is wat [eiseres 3] toevoegt in de handelsketen; de transactieketen is irrationeel en onlogisch.
(4) [eiseres 3] is actief in de handel in consumentenelektronica, een integriteitsgevoelige sector, waarin relatief veel fraude voorkomt.
(5) [eiseres 3] doet slechts zaken met enkele partijen en met name met partijen die Abn Amro kent uit andere onderzoeken. Het gaat dan om partijen waarvan Abn Amro ook vermoedens had van betrokkenheid bij btw-carrouselfraude, waaronder de vennootschap van de dochter van [eiser 1] . De relatie met deze laatstgenoemde vennootschap heeft Abn Amro al eerder opgezegd.
(6) Uit de transacties die Abn Amro heeft waargenomen kan geen reguliere bedrijfsvoering worden afgeleid. Er zijn bijvoorbeeld geen transacties waargenomen met betrekking tot verzekeringen, transportkosten, nutskosten en huurbetalingen.
(7) Op 24 juni en 31 juli 2025 heeft de Belastingdienst beslag gelegd op de betaalrekening van [eiseres 3] , hetgeen volgens Abn Amro wederom wijst op betrokkenheid bij btw-carrouselfraude.
4.3.
Abn Amro heeft (mede) in haar conclusie van antwoord voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij verschillende gelegenheden vragen heeft gesteld over hetgeen hiervoor onder 4.2 is opgenomen en dat eisers de twijfels van Abn Amro niet hebben kunnen wegnemen. De antwoorden van eisers waren hiervoor te summier en onvoldoende onderbouwd, waardoor Abn Amro het klantenonderzoek niet kon afronden en zij dus verplicht was de bankrelatie op te zeggen. In de dagvaarding van eisers is niets gezegd over de redenen waarom Abn Amro tot opzegging is gekomen, hetgeen op gespannen voet staat met artikel 21 Rv Pro. Evenmin is in de dagvaarding een poging ondernomen om de twijfels van Abn Amro weg te nemen. Ook op de mondelinge behandeling van dit kort geding zijn eisers niet inhoudelijk ingegaan op de bezwaren van Abn Amro, terwijl Abn Amro voorafgaand aan die mondelinge behandeling een conclusie van antwoord in het geding had gebracht waarin de redenen voor opzegging uitgebreid zijn toegelicht. Dit alles maakt dat de vorderingen van eisers voor afwijzing gereed liggen.
4.4.
Het oordeel van de voorzieningenrechter dat de bankrelatie niet in stand hoeft te blijven kan niet los worden gezien van de door Abn Amro in haar conclusie van antwoord geschetste achtergrond. In die conclusie is immers opgenomen dat [eiser 1] in 2014 door de rechtbank Noord-Holland is veroordeeld tot 342 dagen celstraf voor zijn rol als leider van een criminele organisatie die voor tonnen bancaire fraude pleegde (zie productie 8 van Abn Amro). In 2017 is [eiser 1] strafrechtelijk vervolgd voor faillissementsfraude, zo volgt uit openbare faillissementsverslagen (zie productie 9 van Abn Amro). Op 22 december 2023 (kort nadat [eiseres 2] en [eiseres 3] door [eiser 1] zijn opgericht) is [eiser 1] door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een celstraf van 4,5 jaar voor het witwassen van tientallen miljoenen euro’s en deelname aan een criminele organisatie. Daarnaast levert – aldus de conclusie van antwoord – onderzoek in het Handelsregister en de eigen administratie van Abn Amro eveneens een zeer zorgwekkend beeld op. De naam van [eiser 1] duikt op bij negen ondernemingen die bij Abn Amro bankierden. Acht van deze negen ondernemingen zijn gefailleerd en veel bij deze ondernemingen betrokken personen zijn door Abn Amro op de zogenaamde CAAML-lijst geplaatst.
4.5.
Abn Amro heeft terecht aangevoerd dat hoewel deze verdenkingen en strafrechtelijke veroordelingen niet de reden vormden voor opzegging van de bankrelatie met eisers, deze feiten en omstandigheden wel meebrengen dat juist van eisers volledige openheid wordt verlangd en dat van hen mocht worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspanden om de zorgen van Abn Amro weg te nemen. Het betreft immers delicten waarvoor [eiser 1] is vervolgd en veroordeeld, die de integriteit van het financiële stelsel in de kern raken en die de Wwft beoogt te voorkomen.
4.6.
Nu voldoende aannemelijk is dat Abn Amro verplicht was de bankrelatie op te zeggen en een en ander niet inhoudelijk is weersproken door eisers is er geen enkele reden om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Daartoe bestaat ook geen algemeen recht, zoals eisers lijken te stellen. Overigens kan niet worden uitgesloten dat dit standpunt, zoals Abn Amro heeft aangevoerd, is bedoeld om tijd te rekken. De bodemzaak is immers nog niet gestart, terwijl de eerste opzeggingsbrief dateert van 11 februari 2025 (zie 2.4).
4.7.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Abn Amro worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt eisers in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt eisers tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
Coll: EvK