Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4234

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
12114917 EA VERZ 26-234
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 BWArt. 7:628 BWArt. 7:662 BWEG-richtlijn 77/187EG-richtlijn 98/50
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overgang van onderneming en loonbetaling na overname supermarkt

De werknemer trad in 2015 in dienst bij de oorspronkelijke eigenaar van een supermarkt. In december 2025 werd de supermarkt verkocht aan een andere vennootschap, waarbij een overeenkomst werd gesloten over de overname van inventaris, goodwill en voorraad, maar niet expliciet personeel. De werknemer ontving na 24 december 2025 geen loon meer en betwistte het einde van zijn arbeidsovereenkomst, omdat hij de vaststellingsovereenkomst niet had ondertekend.

De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet door vaststellingsovereenkomst was geëindigd, omdat geen aanvaarding was gebleken. Vervolgens werd vastgesteld dat sprake was van overgang van onderneming, omdat de nieuwe eigenaar de supermarkt feitelijk voortzette met dezelfde bedrijfsmiddelen en slechts een korte onderbreking van activiteiten was geweest.

De werknemer was daardoor van rechtswege bij de nieuwe eigenaar in dienst gekomen en had recht op loonbetaling vanaf 24 december 2025. De wettelijke verhoging werd gematigd tot 10%. De nieuwe eigenaar werd veroordeeld tot loonbetaling, het overleggen van salarisspecificaties en proceskosten, terwijl de werknemer in proceskosten ten opzichte van de oude eigenaar werd veroordeeld.

Uitkomst: De werknemer is van rechtswege bij de nieuwe eigenaar in dienst gekomen en heeft recht op loonbetaling vanaf 24 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12114917 \ EA VERZ 26-234
Beschikking van 17 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.T. Willemsen,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder 1] ,
gemachtigde: mr. H.A. van Dalsen.
2. de vennootschap onder firma
[verweerder 2],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verwerende partij,
3.
[verweerder 3],
domicilie kiezende te [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
4.
[verweerder 4],
domicilie kiezende te [woonplaats 3] ,
verwerende partij,
5.
[verweerder 5],
domicilie kiezende te [woonplaats 4] ,
verwerende partij
hierna samen te noemen: [verweerder 2] ,
gemachtigde: mr. D.C. Coppens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van 24 februari 2026,
- het verweerschrift met producties van [verweerder 1] ,
- het verweerschrift met een productie van [verweerder 2] ,
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op 31 maart 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. Deze is gelijktijdig behandeld met het door [verzoeker] tegen dezelfde partijen aanhangig gemaakte kort geding met zaaknummer 12119647 KK EXPL 26-145. [verzoeker] is verschenen en werd bijgestaan door mr. Willemsen. Voor [verzoeker] was een tolk Farsi, S.M. Amini , aanwezig. Namens [verweerder 1] zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. Van Dalsen. Namens [verweerder 2] zijn verschenen [verweerder 3] en [verweerder 5] , vennoten, en [naam 3] , bijgestaan door mr. Coppens, die ook [verweerder 4] vertegenwoordigde. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten nader toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van spreekaantekeningen. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is op 1 november 2015 in dienst getreden bij [verweerder 1] . Hij heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verzoeker] is werkzaam als Algemeen Medewerker en zijn laatstverdiende salaris bedraagt € 2.569,54 bruto per maand exclusief vakantiegeld op basis van een 30-urige werkweek.
2.2.
[verweerder 1] exploiteerde een supermarkt aan [adres] .
2.3.
In december 2025 hebben de eigenaren van [verweerder 1] aan [verzoeker] meegedeeld dat zij de supermarkt hebben verkocht. Op dat moment had [verweerder 1] vier werknemers in dienst.
2.4.
Op 14 december 2025 hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] (waarvan gedaagden 3, 4 en 5 de vennoten zijn) een ‘Overeenkomst overname onderneming’ gesloten. In die overeenkomst, waarin [verweerder 1] ‘vertrekkend huurder’ en [verweerder 2] ‘opvolgend huurder’ worden genoemd, staat, voor zover van belang het volgende:

(…)
2. Dat vertrekkend huurder bereid is, na ontvangst van het hieronder genoemde bedrag, zijn huurrechten c.q. -verplichtingen met verhuurder per 24 december 2025 te beëindigen, opdat opvolgend huurder nieuwe huurrechten kan aangaan met als ingangsdatum 24 december 2025;
3. Dat opvolgend huurder bereid is als compensatie voor de goodwill en de door vertrekkend verhuurder gedane investeringen, vertrekkend huurder een overnamesom te betalen ter grootte van € 250.000,-- (€ 100.000,-- inventaris en € 150.000,-- goodwill). De winkel wordt overgenomen in de huidige staat, zoals uit de foto’s achterin in deze overeenkomst blijkt.
(…)
5. Buiten de koopsom wordt de aanwezige voorraad in de winkel gezamenlijk geteld, geregistreerd en ondertekend en verkoper zal een factuur verstrekken aan koper tegen inkoopwaarde van de voorraad met een betalingstermijn van 30 dagen. Over de voorraad wordt btw in rekening gebracht.
(…)
1.3
Opvolgend huurder neemt geen enkel (personeel’s) contract, abonnement, verzekeringspolis over van vertrekkend verhuurder. (…)
2.5.
Vanaf 24 december 2025 heeft [verzoeker] geen loon meer ontvangen. Kort daarna ontving [verzoeker] van [verweerder 1] een eindspecificatie waarin onder meer de transitievergoeding ter hoogte van € 9.387,13 bruto aan hem werd uitbetaald.
2.6.
Op 4 januari 2026 heeft [verzoeker] geluncht met de eigenaren van [verweerder 1] . Hij heeft toen een bedrag van € 1.000,00 netto ontvangen. Op of omstreeks 7 januari 2026 heeft [verweerder 1] een door haar getekende vaststellingsovereenkomst, die was gedateerd op 24 december 2025, aan [verzoeker] toegestuurd. [verzoeker] heeft die overeenkomst niet getekend.
2.7.
Bij e-mail van 2 februari 2026 (van zijn gemachtigde) heeft [verzoeker] aan [verweerder 1] verzocht zijn loon vanaf 25 december 2025 te betalen. Vervolgens is er overleg geweest tussen de gemachtigden van [verzoeker] en [verweerder 1] , maar dat heeft niet tot een oplossing geleid.
2.8.
[verzoeker] heeft (via zijn gemachtigde) ook [verweerder 2] verzocht om doorbetaling van zijn loon, maar daarop is geen reactie gekomen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt:
primair:
I. voor zover de arbeidsovereenkomst is opgezegd, de opzegging te vernietigen,
II. World Wide Supermarkt en [verweerder 2] hoofdelijk te veroordelen tot (door)betaling van het achterstallig salaris vanaf 24 december 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
III. [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het onder II verzochte bedrag,
IV. [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk te veroordelen tot het overleggen van deugdelijke salarisspecificaties vanaf 24 december 2025 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, op straffe van een dwangsom,
subsidiair:
V. [verweerder 1] en [verweerder 2] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, de wettelijke transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding, onder overlegging van deugdelijke specificaties op straffe van een dwangsom,
primair en subsidiair:
VI. [verweerder 1] en [verweerder 2] te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
[verzoeker] heeft, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd. Er is geen overeenstemming bereikt over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Wegens het ontbreken van overeenstemming en een schriftelijke beëindigingsovereenkomst kan van een beëindiging met wederzijds goedvinden geen sprake zijn. Er is sprake van overgang van onderneming. De arbeidsovereenkomst duurt daarom nog voort.
3.3.
[verweerder 1] heeft, voor zover voor de beoordeling van belang, als volgt verweer gevoerd. De supermarkt is op 24 december 2025 verkocht aan [verweerder 2] . [verzoeker] heeft meegedeeld niet voor de nieuwe eigenaren te willen werken, omdat zij Egyptenaren zijn. Hij hoefde geen vaststellingsovereenkomst en zou zelf een nieuwe baan zoeken. Op 4 januari 2026 gaf [verzoeker] aan toch een vaststellingsovereenkomst te willen. Aan [verzoeker] is vervolgens een vaststellingsovereenkomst voorgelegd. Uit de houding en het gedrag van [verzoeker] en het behouden van de transitievergoeding kan worden afgeleid dat hij met de inhoud van de overeenkomst akkoord was en instemde met een einde dienstverband.
Voor zover de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd is sprake van overgang van onderneming op grond waarvan [verzoeker] van rechtswege bij [verweerder 2] in dienst is gekomen. [verweerder 2] is daarom gehouden het loon na 24 december 2025 aan [verzoeker] te betalen.
3.4.
[verweerder 2] heeft, voor zover voor de beoordeling van belang, als volgt verweer gevoerd. Er is geen sprake van overgang van onderneming. [verweerder 2] heeft alleen de huurrechten overgenomen van [verweerder 1] en heeft de supermarkt zoals die werd geëxploiteerd niet voortgezet. De activiteiten zijn verlegd van een supermarkt naar een bakkerij en delicatessenwinkel met een andere naam. Voor zover wel sprake is van een overgang van onderneming dan is [verzoeker] niet bij [verweerder 2] in dienst gekomen, omdat hij dat kennelijk niet wilde.

4.De beoordeling

4.1.
De eerste vraag die zal worden beantwoord is of de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder 1] door middel van een vaststellingsovereenkomst is geëindigd.
4.2.
Op grond van artikel 6:217 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en aanvaarding daarvan. [verweerder 1] heeft op of omstreeks 7 januari 2026 een vaststellingsovereenkomst gestuurd naar [verzoeker] . Niet gebleken is dat er daarna nog enig contact, laat staan overleg is geweest tussen partijen over die overeenkomst. Dat had voor de hand gelegen nu in de vaststellingsovereenkomst als einddatum 24 december 2025 stond vermeld en de opzegtermijn dus niet in acht werd genomen. Op het moment dat [verweerder 1] de vaststellingsovereenkomst aan [verzoeker] stuurde, had zij de transitievergoeding reeds aan [verzoeker] betaald. Dat hij die vergoeding heeft behouden, brengt nog geen aanvaarding van de vaststellingsovereenkomst met zich mee. Niet is vast komen te staan dat [verzoeker] de vaststellingsovereenkomst heeft aanvaard. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder 1] niet door middel van een vaststellingsovereenkomst is geëindigd. Dat anderszins sprake is van ‘opzegging’ van de arbeidsovereenkomst, is eveneens niet gebleken.
4.3.
Bovenstaande betekent dat het primair onder I verzochte zal worden afgewezen.
4.4.
Dan is de vraag of tussen [verweerder 1] en [verweerder 2] sprake is van overgang van onderneming.
4.5.
Op grond van artikel 7:662 BW Pro – dat uitvoering geeft aan de EG-richtlijnen 77/187, 98/50 en 2001/23 inzake het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen ervan – is sprake van een overgang van onderneming bij de overgang, ten gevolge van overeenkomst, fusie of splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt.
4.6.
Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang, beslissend is of de identiteit van de onderneming (economische eenheid) behouden blijft. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU verwijst het begrip ‘eenheid’ naar een georganiseerd geheel van personen en elementen, waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend en blijkt het behoud van identiteit daarnaast met name uit het daadwerkelijk voortzetten of hervatten van dezelfde of soortgelijke activiteiten door de nieuwe ondernemer. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, de vraag of materiële activa worden overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van overdracht, de vraag of vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen, of de klantenkring al dan niet wordt overgedragen, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van de activiteiten. Of de identiteit van de betrokken eenheid na de overgang bewaard is gebleven, kan met name blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsmiddelen.
4.7.
[verweerder 1] en [verweerder 2] hebben een ‘Overeenkomst overname onderneming’ gesloten. Dat [verweerder 2] alleen de huurrechten heeft overgenomen van [verweerder 1] volgt niet uit die overeenkomst. In artikel 2 van Pro die overeenkomst staat immers dat [verweerder 1] haar huurovereenkomst met de verhuurder zal beëindigen, zodat [verweerder 2] een nieuwe huurovereenkomst kan sluiten met de verhuurder. Bovendien hebben partijen in de overeenkomst ook afspraken gemaakt over de betaling van inventaris, goodwill en voorraad. Van overname van alleen huurrechten is dus geen sprake.
4.8.
Een supermarkt behoort tot de kapitaalintensieve sector, vanwege de hoge investeringen in (de huur/koop van) vastgoed, inrichting, koelinstallaties, stellingen en kassa-systemen. Bij de beoordeling van identiteitsbehoud komt daarom veel gewicht toe aan de vraag of [verweerder 1] materiële activa heeft overgedragen aan [verweerder 2] . Vast staat, zo volgt uit de overeenkomst, dat dat het geval is. De supermarkt is overgenomen in de huidige staat en [verweerder 2] heeft tegen betaling de winkelinventaris en de voorraden overgenomen.
4.9.
Weliswaar is geen personeel mee overgegaan van [verweerder 1] naar [verweerder 2] , maar aan deze omstandigheid wordt weinig gewicht toegekend. Uit de stellingen van [verweerder 1] volgt dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst alle werknemers de mogelijkheid is geboden om bij [verweerder 2] in dienst te treden, maar dat alle werknemers hebben meegedeeld dit niet te willen. Hieruit wordt afgeleid dat het een persoonlijke keuze is geweest van de werknemers om niet mee over te gaan.
4.10.
De onderbreking van de activiteiten van de supermarkt is van korte duur geweest. [verweerder 2] heeft de supermarkt op 24 december 2025 overgenomen en [verweerder 3] heeft ter zitting meegedeeld dat de supermarkt op of omstreeks 3 januari 2026 weer is geopend. Dit betekent dat de supermarkt slechts anderhalve week dicht is geweest.
4.11.
[verzoeker] heeft in zijn pleitnotitie een foto – gemaakt op de avond voor de mondelinge behandeling – opgenomen van een deel van de gevel van de supermarkt. Te zien is dat aan de gevel een uithangbord is bevestigd waarop nog steeds de naam [verweerder 1] staat. Verder is te zien een (klein) deel van het assortiment, kenmerkend voor een supermarkt. [verweerder 3] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het nog steeds een supermarkt is, maar dat [verweerder 2] er een bakkerij en delicatessenwinkel van wil maken. [verweerder 2] heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Dit had wel op haar weg gelegen, te meer nu zij in haar handelsnaam de naam supermarkt draagt en in het handelsregister van de Kamer van Koophandel haar activiteiten staan omschreven als ‘
Voorbereidend tot het starten van een supermarkt in [plaats] .’.
4.12.
Gelet op bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van identiteitsbehoud, omdat de exploitatie van de supermarkt van [verweerder 1] feitelijk is voortgezet door [verweerder 2] en dus dat sprake is van een overgang van onderneming. Dit betekent dat [verzoeker] op 24 december 2025 van rechtswege in dienst is gekomen bij [verweerder 2] en dat op haar – en niet op [verweerder 1] – een loon(door)betalingsverplichting rust.
4.13.
[verzoeker] heeft ontkend dat hij tegen de eigenaren van [verweerder 1] heeft gezegd dat hij niet voor [verweerder 2] wilde werken, omdat de nieuwe eigenaren Egyptenaren waren. Wat daar ook van zei, voor zover [verzoeker] dit al heeft gezegd, was deze mededeling gericht aan [verweerder 1] en niet aan [verweerder 2] , en staat dit er niet aan in de weg dat hij van rechtswege in dienst is gekomen bij [verweerder 2] .
4.14.
Voor zover [verweerder 2] en/of [verweerder 1] heeft betoogd dat [verzoeker] met deze vermeende opmerking zelf zijn overeenkomst heeft opgezegd, wordt geoordeeld dat dit niet het geval is.
4.15.
Voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst door een werknemer is een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist, die gericht is op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat is een strenge maatstaf, die ertoe dient om een werknemer te behoeden voor de grote gevolgen die een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan hebben, met name het verlies van de mogelijkheid om een beroep te doen op ontslagbescherming, en het verlies van inkomen en aanspraken op een (werkloosheids)uitkering. Een werkgever mag daarom niet snel aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht is op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Onder omstandigheden kan de werkgever ook een onderzoeksplicht hebben om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen, en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten. Aan deze strenge maatstaf is niet voldaan.
4.16.
Artikel 7:628 BW Pro bepaalt dat de werkgever verplicht is het vastgestelde loon te voldoen als de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.
4.17.
De hoofdregel is dus dat de werkgever het loon ook moet voldoen als de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht. Dat is alleen anders als de werknemer de arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor zijn risico moet komen.
4.18.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij drie keer is langs geweest bij [verweerder 2] en gevraagd heeft of hij zijn werkzaamheden kon verrichten. [verweerder 2] heeft dit betwist. Geoordeeld wordt dat de onduidelijkheid die is ontstaan na de overgang van onderneming ingevolgde de risicoverdeling in artikel 7:628 BW Pro voor rekening komt van [verweerder 2] en [verzoeker] aanspraak kan maken op loon vanaf 24 december 2025.
4.19.
Bovenstaande betekent dat de primaire vordering onder II zal worden toegewezen jegens [verweerder 2] .
4.20.
De gevorderde wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%. De wettelijke verhoging dient als prikkel voor de werkgever om tijdig tot betaling van het salaris over te gaan. De kantonrechter ziet, gelet op de tussen partijen bestaande discussie over de gebondenheid aan de arbeidsovereenkomst, aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen.
4.21.
Uit bovenstaande volgt dat het verzoek van [verzoeker] tot het overleggen van deugdelijke salarisspecificaties jegens [verweerder 2] zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.
4.22.
Omdat het primaire verzoek van [verzoeker] wordt toegewezen, behoeven zijn subsidiaire verzoeken geen beoordeling.
4.23.
[verweerder 2] zal in de proceskosten van [verzoeker] worden veroordeeld, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
4.24.
[verzoeker] is door de kantonrechter verzocht om [verweerder 2] en haar vennooten bij exploot op te roepen voor de mondelinge behandeling, hetgeen hij heeft gedaan. Aan [verzoeker] is een toevoeging verleend. Daarom komen in deze zaak de explootkosten ten laste van het rijk. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling aan de griffier van de ten laste van het rijk gekomen exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk.
4.25.
[verzoeker] zal in de proceskosten van [verweerder 1] worden veroordeeld, omdat hij jegens die partij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [verweerder 1] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
4.26.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder 2] en haar vennoten hoofdelijk tot (door)betaling van het salaris van € 2.569,54 bruto per maand vermeerderd met 8% vakantiegeld vanaf 24 december 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
5.2.
veroordeelt [verweerder 2] en haar vennoten hoofdelijk tot betaling van de wettelijke verhoging van 10% over het onder 5.1. toegewezen salaris,
5.3.
veroordeelt [verweerder 2] en haar vennoten hoofdelijk om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] deugdelijke salarisspecificaties te overleggen vanaf 24 december 2025 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoen, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt,
5.4.
veroordeelt [verweerder 2] en haar vennoten hoofdelijk in de proceskosten gevallen aan de zijde van [verzoeker] en tot op heden begroot op € 1.102,00 en te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten gevallen aan de zijde van [verweerder 1] en tot op heden begroot op € 1.009,00 en te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Kruisdijk, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
57170