Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4230

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
11999167 WM VERZ 25-21079
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:15 AwbArt. 4:17 AwbArtikel 13a lid 2 WahvWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen administratieve sanctie wegens niet volgen voorsorteerstrook gegrond verklaard

Betrokkene werd een administratieve sanctie opgelegd wegens het niet volgen van de richting van een voorsorteerstrook op een kruising. Betrokkene ontkende de gedraging en voerde aan dat de auto op dat moment werd bestuurd door zijn zus en haar partner, die netjes reden vanwege filevorming. De verbalisant was in burger en kon geen staandehouding verrichten.

De rechtbank oordeelde dat de gedraging onvoldoende was komen vast te staan, mede omdat verweerder geen aanvullend proces-verbaal had overgelegd en betrokkene het verweer consistent ontkende. Hierdoor kreeg betrokkene het voordeel van de twijfel en werd de boete vernietigd.

Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene, waarbij rekening werd gehouden met de aard van de zaak en samenhang met een soortgelijke zaak. Verweerder voerde overmacht aan vanwege een ICT-hack bij het Openbaar Ministerie, maar de rechtbank verwierp dit beroep op overmacht omdat de situatie binnen de risicosfeer van verweerder viel.

De rechtbank stelde een dwangsom vast wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroepschrift, berekend over 41 dagen. Het beroep werd gegrond verklaard, de beschikking vernietigd, en betrokkene kreeg zowel een proceskostenvergoeding als een dwangsom toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de boete vernietigd en een proceskostenvergoeding en dwangsom toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. B. Brokkaar
zaaknummer: 11999167 WM VERZ 25-21079
beslissing van: 14 april 2026
func.: 43837
Beslissing inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[betrokkene]

[adres]
(verder: betrokkene)

voor wie beroep is ingesteld door mr. M. Lagas van Appjection B.V.

(verder: gemachtigde)
welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 3 november 2025 en is gericht tegen de beslissing van 22 september 2025 van de
officier van justitie(verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989.

CJIB-nummer: [nummer 1]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 26 augustus 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 14 april 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Namens gemachtigde is de heer [gemachtigde] bij de zitting verschenen.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft primair verzocht om aanhouding van de behandeling van de onderhavige zaak. Subsidiair heeft verweerder geconcludeerd dat het beroep gedeeltelijk gegrond is.
Ten slotte is door de kantonrechter aan het einde van de zitting schriftelijk uitspraak gedaan.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met het motorvoertuig, met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, op een kruising niet de richting is gevolgd die het voorsorteervak aangaf. Deze gedraging is geconstateerd op 13 augustus 2024 om 15:31 uur op de [straatnaam 1] ter hoogte van de kruising met [straatnaam 2] te [plaats] .
2. Het beroep is tijdig ingesteld.
3. Namens betrokkene wordt tegen de beslissing van verweerder aangevoerd dat ten tijde van de vermeende gedraging de zus van betrokkene ( [naam 1] ) en haar partner ( [naam 2] ) de auto met voornoemd kenteken hadden geleend. Ze waren onderweg naar familie en zijn absoluut niet door rood gereden. De bestuurder stelt dat er een automobilist en een fietser op de weg stil stonden en met elkaar in discussie waren, waardoor er een file ontstond. In eerste instantie was de bestuurder van het onderhavige voertuig achter de stilstaande auto en fietser gaan staan, maar toen het steeds drukker achter hun werd, was de bestuurder genoodzaakt er omheen te rijden om vervolgens rechtsaf te kunnen slaan. De bestuurder van het onderhavige voertuig stelt dat dit heel netjes is gegaan. De bestuurder stelt dat zij tien meter verderop stil hebben gestaan voor het stoplicht en daarna rechtsaf zijn gegaan. De agent moet het verkeerd hebben gezien. De bestuurder vraagt tevens zich af waarom er geen staandehouding is verricht.
Gemachtigde voert aan dat in de onderhavige zaak niet is gehoord, omdat gemachtigde een ingebrekestelling heeft verstuurd, waarin de officier van justitie is gemaand om binnen twee weken te beslissen. Het is een vaste werkwijze van de CVOM om niet te horen als een ingebrekestelling wordt ingebracht. De CVOM lijkt dit te doen om te voorkomen dat zij een dwangsom verbeuren. Gelet op het voorgaande is sprake van schending van het verbod op ‘détournement de pouvoir’ en sprake van een structurele schending van de hoorplicht. Daarom verzoekt gemachtigde de kantonrechter om de sanctie te matigen met 25 procent.
In het beroepschrift heeft gemachtigde ook naar voren gebracht het niet eens te zijn met de beslissing van de officier van justitie om geen dwangsom toe te kennen.
Namens betrokkene wordt tevens verzocht om een proceskostenvergoeding.
4. Op de zitting heeft gemachtigde het punt ten aanzien van de dwangsom nader toegelicht. De officier van justitie doet een beroep op ‘overmacht’ (in de zin van artikel 4:15 lid 2 aanhef Pro en onder c Awb), maar dat het Openbaar Ministerie te maken heeft gehad met ICT-perikelen kan een eventueel beroep van verweerder op overmacht niet rechtvaardigen, aldus gemachtigde. Het Openbaar Ministerie was een maand voor het afkoppelen van het internet op de hoogte van de kwetsbaarheid van het systeem of had dit kunnen zijn. Van een onvoorziene omstandigheid is derhalve geen sprake. Het Openbaar Ministerie heeft kennelijk de keuze gemaakt om de Mulderprocedure geheel te digitaliseren en is daarbij volledig afhankelijk van het internet. Deze kwetsbaarheid heeft het Openbaar Ministerie voor zichzelf gecreëerd, en zou niet voor rekening van betrokkene mogen komen.
Ter zitting brengt gemachtigde een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2026 in, waarin de kantonrechter in een soortgelijke situatie heeft beslist dat geen sprake is van een overmachtssituatie, zodat een beroep op artikel 4:15 lid 2 aanhef Pro en onder c Awb niet gerechtvaardigd is en de officier van justitie een dwangsom verbeurt.
5. Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat de gedraging op grond van de verklaring van de verbalisant voldoende kan worden vastgesteld en dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.
Wel dient volgens verweerder de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroepschrift vernietigd te worden vanwege schending van de hoorplicht.
Dit leidt tot een matiging van de boete.
Wat betreft het argument dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd, brengt verweerder ter zitting - in het kort - naar voren dat sprake was een overmachtssituatie. Er was namelijk inbreuk gepleegd op het computersysteem van het Openbaar Ministerie (OM), waardoor de interne systemen van het OM niet of beperkt beschikbaar waren in de periode van 18 juli 2025 tot en met 10 september 2025. Op het moment dat de systemen weer naar behoren werkten moest een enorme achterstand weggewerkt worden.
Door de situatie van overmacht was er geen reële mogelijkheid voor de officier van justitie om eerder een beslissing te nemen op het beroepschrift. Verweerder stelt daarom dat de beslistermijn met de periode van overmacht is verlengd.
Nu in een soortgelijke zaak een hoger beroep loopt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzoekt verweerder primair de kantonrechter om de onderhavige zaak aan te houden om de uitspraak van het hof met betrekking tot de vraag of hier sprake is van een overmachtssituatie af te wachten.
6. Het volgende wordt overwogen.
7. De verbalisant verklaart in het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht:
“Ik zag dat het voertuig op het kruispunt niet de richting volgde die de voorsorteerstrook aangaf.
Ik zag dat het voertuig kwam vanuit de richting [locatie] en reed in de richting van [straatnaam 1] juncto [straatnaam 2] .
Ik zag dat het voertuig reed op de voorsorteerstrook met de pijl die wees in de richting rechtsaf.
Ik zag dat het voertuig op het kruispunt reed in de richting rechtdoor. Ik heb Wel bijzonderheden waargenomen. Er was sprake van file vorming. De betrokkene had al een stevige rijstijl vanaf de contactweg. Reed te hard en sorteert op het laatste moment en blokkeerde hierbij een rijstrook”.
De bestuurder is niet staande gehouden. De verbalisant verklaart hier het volgende over:
“Reden geen staandehouding: Verbalisant was in burger gekleed en stond vast in file vorming met een particuliere lease auto zonder lichtbalk”.
8. In Wahv-zaken biedt een verklaring van een opsporingsambtenaar in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de aan betrokkene verweten gedraging is verricht. Dit is anders indien betrokkene voor zijn of haar zaak specifieke feiten en/of omstandigheden aanvoert die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van een of meer onderdelen van de opgemaakte verklaring in het zaakoverzicht dan wel dat uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
9. Gelet op het feit dat namens betrokkene van meet af aan de aan hem verweten gedraging is ontkend en uitvoerig verweer is gevoerd door de zus van betrokkene en haar partner, had het op de weg van verweerder gelegen om een aanvullend proces-verbaal in het geding te brengen, ook omdat er niet is staande gehouden. Nu een aanvullende verklaring van de verbalisant ontbreekt, is naar het oordeel van de kantonrechter teveel twijfel blijven bestaan en kan de aan betrokkene verweten gedraging niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Betrokkene krijgt daarom het voordeel van de twijfel. De boete dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

10. Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu de inleidende beschikking wordt vernietigd, is er aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.
11. De vergoeding van kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair per proceshandeling vastgelegd. Gemachtigde heeft de volgende vergoedbare proceshandelingen verricht:
- het indienen van een administratief beroep bij verweerder;
- het indienen van beroep bij de kantonrechter;
- en het verschijnen tijdens de zitting van de kantonrechter.
12. In navolging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1843, zal de kantonrechter voor het schriftelijk aanvullen van de beroepsgronden in de administratieve beroepsfase geen proceskostenvergoeding toekennen. In het voornoemde arrest heeft het hof overwogen dat in de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht de proceshandelingen zijn opgesomd waarvoor een proceskostenvergoeding kan worden toegekend en het indienen van een geschrift met nadere gronden dat in de plaats komt van een hoorzitting is daarin niet als proceshandeling genoemd. Er bestaat ook geen grond om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht hiervoor een vergoeding toe te kennen nu het indienen van nadere gronden in een extra schriftelijke ronde in de kern niet anders is dan het formuleren van de beroepsgronden in een beroepschrift, waarvoor wel een vergoeding kan worden toegekend.
13. Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan ieder van deze proceshandelingen 1 punt te worden toegekend. De waarde van 1 punt bedraagt met ingang van 1 januari 2026 in de fase van het bezwaar en administratief beroep € 666,00 en in de fase van het beroep en hoger beroep € 934,00.
14. Gelet op het voorgaande worden in deze zaak voor de door gemachtigde verrichte proceshandeling in de fase van het administratief beroep 1 punt ad € 666,00 toegekend en voor de verrichte proceshandelingen in de fase van het beroep bij de kantonrechter 2 punten ad € 934,00. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985).
15. De kantonrechter neemt tevens in overweging dat gemachtigde namens dezelfde betrokkene in twee zaken, die beiden op de zitting van 14 april 2026 zijn behandeld, een beroepsprocedure heeft gevoerd. Het betreft de zaken met CJIB-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] . Gelet op dat deze zaken op dezelfde dag ter zitting zijn behandeld en gelet op de inhoudelijke overeenkomsten van beide zaken zal de kantonrechter deze zaken aanmerken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Er is immers sprake van een vrijwel gelijkluidend verweer van dezelfde betrokkene in deze twee zaken. Het gaat om twee vermeende gedragingen op dezelfde pleeglocatie en dezelfde pleegdatum en -tijdstip. De inleidende beschikkingen zijn op dezelfde dag aan betrokkene verstuurd en de beroepschriften zijn ingediend door dezelfde gemachtigde en behandeld op dezelfde zitting. Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 316,75 ((1x666+ 2x934) x 0,5 (weging) x 0,25 (Wahv factor) x factor 1 (in verband met samenhang)). Dit betekent dat in de onderhavige zaak € 158,38 wordt toegekend aan proceskostenvergoeding.

Ten aanzien van de dwangsom:

16. Gemachtigde stelt dat de officier van justitie in de onderhavige zaak een dwangsom verbeurt vanwege het uitblijven van een tijdige beslissing op het administratief beroepschrift. Verweerder daarentegen doet een beroep op overmacht ingevolge artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb dat de termijn voor het nemen van een besluit opschort zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is dat besluit te nemen.
17. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de regelgeving over een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit volgt dat overmacht zich niet snel voordoet. Het gaat om de onmogelijkheid van een bestuursorgaan een besluit te nemen door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten zijn toedoen en risicosfeer. Het bestuursorgaan moet geen verwijt treffen dat het heeft nagelaten vooraf redelijke inspanningen te verrichten.
18. De omstandigheid dat het OM zich zag geconfronteerd met een ICT-hack, waardoor de interne systemen van het OM niet of beperkt beschikbaar waren in de periode van 18 juli 2025 tot en met 10 september leidt niet tot het aannemen van een dergelijke overmachtssituatie. Niet is gebleken dat de ontstane situatie volledig buiten toedoen en buiten de risicosfeer van verweerder was gelegen. Het beroep op overmacht en daarmee het beroep op artikel 4:15, tweede lid, onder aanhef en c van de Awb wordt dan ook niet gehonoreerd.
19. Gelet op de gegevens in het dossier liep de beslistermijn voor verweerder ten aanzien van het administratief beroepschrift op 8 april 2025 af. Op 29 juli 2025 is de door gemachtigde ingediende ingebrekestelling, vanwege het uitblijven van een beslissing, door verweerder ontvangen. Dit betekent dat de wettelijke termijn waarbinnen na ontvangst van de ingebrekestelling op 29 juli 2025 op het administratief beroepschrift had moeten worden besloten op 12 augustus 2025 was verlopen.
20. Artikel 4:17 van Pro de Awb bepaalt dat indien een beschikking op een aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen een bedrag van € 23,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen een bedrag van € 35,00 per dag en voor de overige dagen een bedrag van € 45,00 per dag. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop de gestelde twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
21. Uit het zaakoverzicht blijkt dat verweerder pas op 22 september 2025 een beslissing heeft genomen op het administratief beroepschrift. Dit leidt tot de vaststelling van een dwangsom over de periode van 41 dagen, van 12 augustus 2025 tot en met 21 september 2025, waarmee een bedrag is gemoeid van € 1.397,00 (14 dagen x € 23,00 + 14 dagen x
€ 35,00 + 13 dagen x € 45,00), te vermeerderen met wettelijke rente. De kantonrechter zal deze dwangsom vaststellen.
22. Daarom wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:

  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking;
  • bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd;
- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een proceskostenvergoeding toe van
€ 158,38;
- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een dwangsom toe van € 1.397,00 te vermeerderen met de wettelijke rente.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u
binnen zes wekenna de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam , afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk,
tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.