Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4156

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/13/785958 / HA RK 26-116
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid in leerplichtzaken

Verzoekers, verdachten in twee strafzaken over leerplicht, dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter wegens vermeende partijdigheid. Zij stelden dat de rechter te laat reageerde op hun verzoeken om volledige strafdossiers en getuigenoproepen, wat hun verdediging zou schaden.

De rechtbank oordeelde dat de rechter niet in de wraking berustte en dat rechterlijke tussenbeslissingen geen grond voor wraking kunnen vormen. De rechter had de officier van justitie gevraagd om standpunt over getuigenoproepen en had uiteindelijk toestemming gegeven. Verzoekers hadden de mogelijkheid om het dossier in te zien en ontvingen op 27 maart 2026 de relevante stukken.

De wrakingskamer stelde vast dat er geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid bestond. De vermeende late reacties en onvolledige dossierverstrekking waren onvoldoende om de onpartijdigheid van de rechter te betwijfelen. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Wrakingskamer
zaaknummer: C/13/785958 / HA RK 26/116
Beslissing van 22 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker 1] en
[verzoeker 2] ,
hierna te noemen: verzoekers
strekkende tot de wraking van
mr. H.M. Patijn
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:
  • de e-mail van 3 april 2026 waarin het wrakingsverzoek van verzoekers is opgenomen;
  • de schriftelijke reactie van de rechter.
De rechter berust niet in de wraking.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 15 april 2026. Verzoekers hebben bij e-mail van 10 april 2026 medegedeeld niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. Daarop heeft de rechter te kennen gegeven om die reden ook niet bij de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.

2.De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:
Verzoekers zijn verdachten in twee strafzaken over de leerplicht, die bij team kanton van deze rechtbank zijn geregistreerd onder parketnummers [nummer 1] en [nummer 2].
In deze zaken stond een zitting gepland op 13 april 2026.
Verzoekers hebben op 6 maart 2026 een verzoek gedaan om in hun zaken getuigen op te roepen voor de zitting van 13 april 2026. De officier van justitie heeft hen op 17 maart 2026 bericht dat zij het verzoek aan de rechter zal voorleggen. De rechter heeft op 19 maart 2026 de officier van justitie om haar standpunt ten aanzien van het verzoek gevraagd. Na ontvangst van de reactie van de officier van justitie op 20 maart 2026 heeft de rechter nog diezelfde dag met het verzoek ingestemd. De officier van justitie is daarna overgegaan tot het oproepen van de getuigen.
In maart 2026 zijn verzoekers door de officier van justitie in de gelegenheid gesteld hun strafdossier op specifieke data in het gebouw van het parket aan het IJ in te zien. Verzoekers hebben op 23 maart 2026 de rechter verzocht om een kopie van hun strafdossiers. In antwoord hierop heeft de strafgriffie van kanton op 27 maart 2026 het proces-verbaal van de leerplichtambtenaar en de uitdraai uit het justitieel documentatieregister aan verzoekers gestuurd. Direct na de ontvangst van deze stukken hebben verzoekers per e-mail de vraag gesteld of zij het volledige dossier hebben ontvangen en of getuigen zullen worden gehoord. Hierop is op 2 april 2026 gereageerd dat aan verzoekers alle stukken zijn verzonden afgezien van de door hen zelf gestuurde stukken. Ook is op 2 april 2026 aan verzoekers bericht dat het Openbaar Ministerie de door verzoekers voorgestelde getuigen zal oproepen voor de zitting van 13 april 2026. Hierop hebben verzoekers direct de vraag gesteld of de opgeroepen getuigen ook op die zitting aanwezig zullen zijn. Binnen acht minuten is geantwoord dat van tevoren niet vast staat of de opgeroepen getuigen daadwerkelijk zullen verschijnen.

3.Het wrakingsverzoek en de reactie daarop

3.1
Verzoekers leggen aan hun wrakingsverzoek - samengevat - ten grondslag dat de rechter zeer laat heeft gereageerd op de herhaaldelijk per e-mail verzonden verzoeken om de (volledige) strafdossiers aan hen te verstrekken. Dit, terwijl de e-mails wel gelezen zijn. Tot op heden hebben zij nog geen volledige strafdossiers ontvangen. Ook ten aanzien van het door hen gedane verzoek getuigen op te roepen is door de rechter te laat gereageerd. De rechter heeft niet de procedure gevolgd die geldt bij het oproepen van getuigen. Het is twijfelachtig dat zij heeft verklaard dat de getuigen door de officier van justitie zullen worden opgeroepen. Door deze handelswijze van de rechter wordt hun kans op een goede verdediging geschaad, aldus verzoekers.
3.2
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft - kort gezegd - gesteld dat de door verzoekers aangevoerde gronden geen (objectief gerechtvaardigde) schijn van partijdigheid opleveren, althans rechterlijke tussenbeslissingen zijn die geen grond voor wraking kunnen vormen.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
4.2
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking. Wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De rechters die over het wrakingsverzoek oordelen (de wrakingskamer) mogen niet oordelen over de juistheid van de (tussen)beslissing of over het verzuim om te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter in hoger beroep die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
4.3
Het wrakingsverzoek berust er in de kern op dat de rechter met onvoldoende voortvarendheid op de verzoeken van verzoekers heeft gereageerd en daaraan voorts niet volledig heeft voldaan, waardoor verzoekers in hun verdediging zijn geschaad.
4.4
Voor zover de rechter al verantwoordelijk is voor (tijdige) verstrekking van het strafdossier, is in dit geval geen sprake van een gebrek aan voortvarendheid bij de rechter waaruit vooringenomenheid zou volgen. Nog daargelaten dat de officier van justitie verzoekers de mogelijkheid heeft geboden de volledige strafdossiers in te zien, van welke mogelijkheid verzoekers kennelijk geen gebruik hebben gemaakt, zijn aan verzoekers naar aanleiding van hun verzoek van 23 maart 2026 op 27 maart 2026 de dossiers verstrekt. Hoewel daarbij niet de door verzoekers zelf ingediende stukken zijn gevoegd, en daarmee naar de letter wellicht niet het volledige strafdossier is verstrekt, volgt daaruit niet dat zij daarmee in hun verdediging zijn geschaad, laat staan dat de rechter vooringenomen zou zijn. Het ligt immers voor de hand dat verzoekers zelf over de door hen ingediende stukken beschikken. Dat zij op 2 april 2026 hierover uitsluitsel hebben ontvangen kan door verzoekers mogelijk als laat zijn ervaren, maar daaruit kan geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
4.5
Met betrekking tot het verzoek tot het oproepen van getuigen, heeft de rechter gesteld dat zij daarvoor al op 20 maart 2026 toestemming had verleend. Gelet op het verzoek van de officier van justitie daartoe van 17 maart 2026 kan niet worden geoordeeld dat de rechter niet voortvarend is geweest. Dat verzoekers over deze beslissing kennelijk niet zijn bericht valt te betreuren, maar ook daaruit kan geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
4.6.
Nog daargelaten dat niet gebleken is dat de rechter de procedure met betrekking tot het oproepen van getuigen niet heeft gevolgd, kan dit gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen ook geen grond voor wraking opleveren.
4.7
Het voorgaande betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond wordt afgewezen.

5.De beslissing

- De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. M.E.M. James-Pater en mr. T.L. Fernig-Rocour, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.