Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4106

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/13/743894 / HA ZA 23-1141
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:95 BWArt. 6:96 BWArt. 6:97 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Financiële afwikkeling na onterechte contractbeëindiging bouw A-pier Schiphol

Schiphol en BN-TAV sloten in 2018 een contract voor de bouw van de A-pier. Tijdens de uitvoering ontstonden problemen, waarna Schiphol het contract in november 2021 voortijdig beëindigde. De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis van juli 2025 dat deze beëindiging onterecht was en Schiphol tekortgeschoten is in haar contractuele verplichtingen.

In dit vonnis stelt de rechtbank de methodiek vast voor de financiële afwikkeling tussen partijen. De rechtbank baseert zich op artikel 6:74 BW Pro, omdat het contract geen regeling bevat voor de situatie van onterechte beëindiging. De schade wordt vastgesteld door vergelijking van de werkelijke situatie met de hypothetische situatie waarin het contract ononderbroken zou zijn uitgevoerd.

Partijen verschillen van mening over de grondslag van de beëindiging en de afrekenmethode. Schiphol stelt dat het contract met wederzijds goedvinden is beëindigd of dat artikel 7:764 BW Pro van toepassing is, wat de rechtbank verwerpt. De rechtbank benadrukt dat de beëindiging onterecht was en dat Schiphol schadeplichtig is.

De financiële afwikkeling omvat de waarde van het uitgevoerde werk en meerwerk, rekening houdend met herstelkosten van gebreken, reeds gedane betalingen, en aanspraken na beëindiging zoals gederfde winst en prestatiebonussen. Vertragingen en retentiebedragen worden apart behandeld. Partijen krijgen gelegenheid om zich nader uit te laten over de uitleg van contractuele bepalingen en het verdere procesverloop.

Uitkomst: De rechtbank stelt de methodiek vast voor financiële afwikkeling op basis van artikel 6:74 BW na onterechte beëindiging van het bouwcontract door Schiphol.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/743894 / HA ZA 23-1141
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
1. de vennootschap onder firma
BN-TAV JOINT VENTURE V.O.F.,
gevestigd in Nieuwegein,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. I. de Groot,
en de door Schiphol ex artikel 118 Rv Pro. als derde partijen in reconventie opgeroepen:
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Ballast Nedam Bouw & Ontwikkeling Speciale Projecten B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
3. de vennootschap naar buitenlands recht
TAV Tepe Akfen Yatirim İnşaat Ve İşletme A.Ş,
gevestigd in Istanbul (Turkije),
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Ballast Nedam Bouw & Ontwikkeling Holding B.V.,
gevestigd in Nieuwegein,
advocaat: mr. I. de Groot,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SCHIPHOL NEDERLAND B.V.,
gevestigd in Haarlemmermeer,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. G.W. van der Bend.
De rechtbank noemt partijen hierna BN-TAV, BNSP, TAV, BN Holding en Schiphol. BNSP, TAV en BN-Holding worden samen ook aangeduid als de derde partijen.

1.De zaak tot zover in het kort

1.1.
Schiphol en BN-TAV hebben in 2018 een contract gesloten voor de bouw van de A-pier. Tijdens de bouw zijn verschillende problemen ontstaan. Schiphol heeft het contract in november 2021 tussentijds beëindigd voordat het werk af was. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 30 juli 2025 geoordeeld dat Schiphol het contract niet mocht beëindigen op de door Schiphol aangevoerde gronden. Schiphol is daarmee tekortgeschoten in haar verplichtingen uit hoofde van het contract.
1.2.
Ook heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 30 juli 2025 vermeld hoe de zaak verder gaat. Zoals daarin is aangekondigd, stelt de rechtbank in dit vonnis de methodiek vast op basis waarvan partijen financieel met elkaar moeten afrekenen. De rechtbank concludeert dat die methodiek is gebaseerd op artikel 6:74 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).

2.De verdere procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin vermelde stukken,
- het verzoek van Schiphol van 8 oktober 2025 om hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis,
- de reactie daarop van BN-TAV van 15 oktober 2025,
- de rolbeslissing van 26 november 2025 waarbij de rechtbank het verzoek afwijst,
- de eisvermeerdering van 7 januari 2026 van Schiphol met producties,
- het bezwaar van BN-TAV tegen de eisvermeerdering,
- de rolbeslissing van de rechtbank van 28 januari 2026 waarbij de eisvermeerdering is toegestaan,
- de aktes methodiek financiële afwikkeling van BN-TAV en Schiphol van 7 januari 2026,
- de antwoordaktes van BN-TAV en Schiphol van 4 februari 2026.
2.2.
De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag vonnis wijst.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vorderingen in conventie zijn ongewijzigd gebleven. Voor een samengevatte weergave van die vorderingen wordt verwezen naar 4.1 van het tussenvonnis.
in reconventie
3.2.
Schiphol vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat BN-TAV en de derde partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn wegens te veel door Schiphol betaalde kosten voor de door BN-TAV uitgevoerde werkzaamheden,
II. BN-TAV en de derde partijen hoofdelijk veroordeelt tot betaling wegens te veel door Schiphol betaalde kosten voor de door BN TAV uitgevoerde werkzaamheden, primair ter hoogte van € 59.994.237,39; subsidiair ter hoogte van € 48.878.958,69, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 29 juni 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
III. voor recht verklaart dat BN-TAV en de derde partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de door Schiphol geleden schade,
IV. BN-TAV en de derde partijen hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan Schiphol van € 130.541.311, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 5 juni 2024, dan wel 7 januari 2026, dan wel veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,
V. voor recht verklaart dat BN-TAV en de derde partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Schiphol geleden vertragingsschade,
VI. BN-TAV en de derde partijen hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Schiphol van een schadevergoeding voor de door Schiphol geleden vertragingsschade van € 24.149.000, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 29 november 2021, dan wel 5 juni 2024, dan wel 7 januari 2026, dan wel veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,
VII. voor zover de rechtbank het niet mogelijk acht een of meer van de voornoemde bedragen te kwantificeren, de zaak daarvoor naar de schadestaatprocedure verwijst,
VIII. BN-TAV en de derde partijen hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.De verdere beoordeling in conventie en reconventie

4.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat Schiphol in de gegeven omstandigheden het contract niet mocht beëindigen op grond van artikel 15.2 van het contract (wegens een tekortkoming). [1] Verder heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat de beëindiging door Schiphol niet als een opzegging op grond van artikel 15.5 (
for convenience) kan worden beschouwd. [2] Op grond van het contract had Schiphol in de gegeven omstandigheden dus geen tussentijdse opzeggings- of beëindigingsbevoegdheid. BN-TAV en Schiphol zijn het er evenwel over eens dat het contract feitelijk wel is geëindigd. Het contract lijkt er niet in te voorzien hoe in dit specifieke geval moet worden afgerekend. [3]
4.2.
Omdat BN-TAV en Schiphol zich nog onvoldoende hadden uitgelaten over de methodiek van financiële afwikkeling in de situatie dat de opdrachtgever het contract heeft beëindigd zonder dat de artikelen 15.2 en 15.5 van toepassing zijn, zijn zij in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen. Zij hebben daarvan gebruik gemaakt door aktes en antwoordaktes in te dienen.
4.3.
De rechtbank bespreekt hierna de standpunten van BN-TAV en Schiphol ten aanzien van de grondslag van de beëindiging van het contract, de methode voor financiële afwikkeling en de verschillende onderdelen die moeten worden betrokken bij de afrekening. Daarbij zal nog niet worden ingegaan op de cijfermatige uitwerking. Het debat over de cijfermatige uitwerking zal later (nader) worden gevoerd.
Standpunt BN-TAV
4.4.
Volgens BN-TAV dient Schiphol de schade die zij lijdt te vergoeden op grond van artikel 6:74 BW Pro, omdat sprake is van een tekortkoming in de nakoming aan de kant van Schiphol. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat Schiphol in strijd met haar verplichtingen uit hoofde van het contract heeft gehandeld door het contract te beëindigen onder verwijzing naar artikel 15.2, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor het inroepen van deze bepaling voldeed. Het contract bevat geen regeling voor de situatie waarin de opdrachtgever het contract ten onrechte beëindigt met een beroep op artikel 15.2. De schadeafwikkeling dient daarom op grond van het wettelijke regime uit Afdeling 10 van titel 1 van Boek 6 (artikelen 6:95 e.v. BW) plaats te vinden.
4.5.
Bij de vaststelling van de omvang van de schade van BN-TAV moet BN-TAV zoveel mogelijk in de toestand worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende omstandigheid (de ongerechtvaardigde beëindiging van het contract) zich niet zou hebben voorgedaan. De omvang van de schade kan worden vastgesteld door een vergelijking te maken van de financiële toestand van BN-TAV zoals deze in werkelijkheid is, met de toestand zoals die zou zijn geweest als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden – en volgens BN-TAV is dat de situatie waarin BN-TAV het contract dus zou hebben uitgediend (de zogenoemde 'hypothetische gevalsvergelijking'). Bij deze vergelijking moet – in de hypothetische situatie waar de wanprestatie wordt weggedacht – worden uitgegaan van een onberispelijke wederzijdse uitvoering van de contractuele verplichtingen door beide partijen. [4]
4.6.
De omstandigheid dat BN-TAV gevolg heeft gegeven aan de beëindiging van het contract door Schiphol en in dit kader de Amicable Handover Agreement met Schiphol heeft gesloten, betekent, anders dan Schiphol aanvoert, niet dat het contract 'met wederzijds goedvinden' is beëindigd. Evenmin heeft BN-TAV hiermee haar rechten prijsgegeven die voortvloeien uit de niet-gerechtvaardigde beëindiging van het contract door Schiphol.
Standpunt Schiphol
4.7.
Primair stelt Schiphol zich op het standpunt dat uit de vaststellingsovereenkomst van 26 november 2021, die destijds door partijen is aangeduid als Amicable Termination Agreement, volgt dat BN-TAV en Schiphol met wederzijds goedvinden het contract voor de toekomst hebben beëindigd. Hieruit vloeit voort dat zij geen aanspraken meer kunnen ontlenen aan de nog niet-uitgevoerde (toekomstige) onderdelen van het contract. Concreet gaat Schiphol daarom uit van afrekening van de reeds uitgevoerde werken op basis van de aanneemsom, van hetgeen Schiphol reeds heeft betaald en van vorderingen over en weer die hun grondslag hebben in de periode van vóór de beëindiging.
4.8.
Subsidiair stelt Schiphol zich op het standpunt dat – voor zover er een leemte is in het contract, de Amicable Termination Agreement en de bedoelingen van partijen – artikel 7:764 BW Pro en de afrekenmethode waarin die bepaling voorziet van toepassing zijn. In gevallen waarin ongerechtvaardigd is ontbonden of beëindigd op een contractuele grondslag, geldt zo een beëindiging als een opzegging op grond van artikel 7:764 BW Pro. De afrekenmethode volgens artikel 7:764 BW Pro wijkt niet af van de afwikkeling op de primaire grondslag, zodat één methodiek wordt gepresenteerd voor zowel de primaire als de subsidiaire grondslag.
4.9.
Volgens Schiphol is artikel 6:74 BW Pro niet geschikt als basis voor de afrekening. BN-TAV onderbouwt niet welke verbintenis Schiphol dan zou hebben geschonden. Schiphol wijst er ook op dat sommige vorderingen van BN-TAV op afzonderlijke grondslagen in het contract berusten, zoals die voor
variationsen vertragingen, die ook al voorlagen vóór de beëindiging van het contract. Die vorderingen kunnen dus hoe dan ook niet worden afgewikkeld met toepassing van de methodiek op basis van de vermeende tekortkoming van Schiphol. BN-TAV past artikel 6:74 BW Pro volgens Schiphol bovendien verkeerd toe. Bij een juiste toepassing dient BN-TAV in de (vermogens)toestand te worden geplaatst waarin zij – met een redelijke mate van waarschijnlijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van het geval – zou hebben verkeerd als de beëindiging achterwege was gebleven. De beëindiging is immers de veronderstelde schadeveroorzakende gebeurtenis, waar BN-TAV zich op zegt te baseren. Daarbij geldt niet dat moet worden uitgegaan van een "
onberispelijke wederzijdse uitvoering" van het contract. Dat geldt bij toepassing van artikel 6:277 BW Pro en niet in onderhavige situatie. Ook negeert BN-TAV daarmee de door haar gemaakte fouten vóór de beëindiging en de schade die Schiphol daardoor heeft geleden. Zelfs bij
onberispelijke nakomingzou dit moeten worden meegenomen.
4.10.
Een methodiek die is gebaseerd op artikel 6:74 BW Pro zou overigens tot eenzelfde uitkomst moeten leiden als de door Schiphol voorgestane methodiek. In beide gevallen moet immers met dezelfde elementen rekening worden gehouden. Ook onder het systeem van artikel 6:74 BW Pro moeten partijen in de positie worden gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd indien het contract niet zou zijn beëindigd, tot hier aldus Schiphol.
Grondslag van de beëindiging
Geen wederzijds goedvinden
4.11.
Het standpunt van Schiphol dat het contract met wederzijds goedvinden is geëindigd en BN-TAV daaraan geen aanspraken kan ontlenen, treft geen doel.
4.12.
In de Amicable Handover Agreement staat onder meer:
“1. Schiphol decided to terminate the Contract, and Ballast Nedam-TAV (…) agrees to give effect to the Employer's termination(…)
without prejudice to the Parties' position on the entitlement to terminate the Contract.
(…)
3. Schiphol shall prior to the Termination Date send the Contractor a termination notice pursuant to sub-Clause 15.2. Schiphol’s position is and remains that the termination has the effect pursuant to sub-clauses 15.2, 15.3 and 15.4 of the Contract. Ballast Nedam-TAV disputes Schiphol’s position in this regard.”
4.13.
Zoals de rechtbank in alinea 5.202 van het tussenvonnis heeft overwogen, zijn partijen het er over eens dat het contract feitelijk is geëindigd. Dat blijkt uit de Amicable Handover Agreement van 26 november 2021, waarin BN-TAV zich weliswaar heeft neergelegd bij het feitelijk eindigen van het contract maar zonder haar standpunt prijs te geven dat zij de rechtsgeldigheid van de door Schiphol ingeroepen beëindigingsgronden bestrijdt. Daarmee heeft BN-TAV de beëindiging onder protest aanvaard en zich daarbij al haar rechten voorbehouden.
Geen toepassing van artikel 7:764 BW Pro
4.14.
Schiphol heeft zich in deze procedure tot het tussenvonnis op het standpunt gesteld dat zij het contract (eenzijdig) had beëindigd op grond van artikel 15 en Pro dat partijen de toepasselijkheid van artikel 7:764 BW Pro hadden uitgesloten in het contract. Na het tussenvonnis heeft Schiphol het standpunt ingenomen dat de door de rechtbank als onterecht aangemerkte beëindiging van het contract op grond van artikel 15 moet Pro worden aangemerkt als een opzegging op grond van artikel 7:764 BW Pro, zodat op basis van die bepaling moet worden afgerekend.
4.15.
Artikel 7:764 lid 1 BW Pro bepaalt dat de opdrachtgever te allen tijde bevoegd is de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. In dit geval kan Schiphol echter geen beroep doen op dit artikel omdat partijen de toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten.
4.16.
Artikel 7:764 BW Pro is van regelend recht. Partijen zijn met artikel 15 van Pro het contract (waarover tussen professionele partijen uitvoerig is onderhandeld) afgeweken van artikel 7:764 lid 1 BW Pro door in artikel 15 van Pro het contract nadere voorwaarden te verbinden aan de uit de wet volgende algemene opzeggingsbevoegdheid van de opdrachtgever. In artikel 15 is Pro namelijk limitatief geregeld in welke gevallen de opdrachtgever het contract kan beëindigen en de daarbij te volgen procedure. Schiphol heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat partijen hebben bedoeld dat de ruime opzeggingsbevoegdheid van artikel 7:764 lid 1 BW Pro naast de contractuele regeling ook nog van toepassing is. Zij stelt alleen dat partijen het niet hebben weggecontracteerd. Dat is niet voldoende. Zo’n bedoeling ligt ook niet voor de hand, omdat de in artikel 15 van Pro het contract genoemde voorwaarden voor beëindiging dan in feite overbodig en zinledig zouden zijn.
Uitgangspunt: artikel 6:74 BW Pro
4.17.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat Schiphol het contract niet heeft mogen beëindigen op de door haar aangevoerde gronden en dat Schiphol daarmee is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit hoofde van het contract. Aangezien sprake is van een tekortkoming is Schiphol op grond van artikel 6:74 BW Pro verplicht de schade te vergoeden die BN-TAV lijdt als gevolg van de onterechte beëindiging.
4.18.
Dat artikel 6:74 BW Pro de grondslag is voor die schade betekent dat de omvang daarvan dient te worden bepaald aan de hand van de methodiek bepaald in afdeling 10 van boek 6 BW. Hierin zijn de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding geregeld.
4.19.
Ingevolge artikel 6:97 BW Pro begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld dan wordt zij geschat.
4.20.
De omvang van voornoemde schade wordt in dit geval bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit (de onterechte beëindiging van het contract door Schiphol) niet zou hebben plaatsgevonden. Naar zijn aard gaat het hier om schade als gevolg van en ná de beëindiging van het contract.
4.21.
Schiphol heeft er terecht op gewezen dat niet alle vorderingen van BN-TAV hun grondslag rechtstreeks vinden in de onterechte beëindiging van het contract. Zo zijn sommige onderdelen gebaseerd op het contract (zoals de aanspraak tot betaling voor uitgevoerd werk) of op andere door BN-TAV gestelde tekortkomingen (zie bijvoorbeeld de in randnummer 457 van de dagvaarding gestelde tekortkomingen). Uit het partijdebat en uit de door beide partijen gepresenteerde methodiek (en de elementen die zij daar beiden in hebben benoemd) blijkt dat zij in deze procedure wensen te komen tot een totale financiële afwikkeling, waarbij zowel op de omvang van de schade als voornoemde aanspraken wordt beslist.
Methodiek van financiële afwikkeling
4.22.
De rechtbank zal hierna ingaan op de door partijen genoemde onderdelen van de vorderingen en de methodiek voor financiële afwikkeling.
De vergoeding voor het verrichte werk en het meerwerk
4.23.
Partijen zijn het er over eens dat moet worden vastgesteld wat de waarde was van het werk op het moment van beëindiging van het contract. Om die waarde te bepalen, moet worden vastgesteld hoe ver het werk was gevorderd (bijvoorbeeld uitgedrukt in een percentage) ten tijde van de beëindiging. Afhankelijk daarvan heeft BN-TAV dan recht op een evenredig deel van de overeengekomen aanneemsom, inclusief de aanvulling voor Amendment 004. Ook materialen en installaties die vóór de beëindiging van het contract zijn aangeschaft maar nog niet in het werk waren verwerkt, moeten worden vergoed.
4.24.
Voor het meerwerk (door partijen aangeduid als
variations) zal moeten worden beoordeeld welke
variationspartijen zijn overeengekomen, voor welke prijs en in hoeverre die
variationszijn uitgevoerd. BN-TAV heeft dan recht op een evenredig deel van het overeengekomen bedrag voor de
variationsen op de verdere volgens het contract daarbij behorende vergoedingen. Als de
variationvolledig is uitgevoerd, is daarvoor dus de bedongen vergoeding volledig verschuldigd, bij een gedeeltelijk uitgevoerde
variationwordt een percentage gehanteerd.
4.25.
Bij de waarde van het uitgevoerde werk en meerwerk zal eveneens in aanmerking moeten worden genomen in hoeverre dat (meer)werk correct of gebrekkig is uitgevoerd. Indien onderdelen van het (meer)werk gebrekkig zijn, strekken de in verband daarmee gemoeide herstelkosten in mindering op het bedrag waarop BN-TAV recht heeft. Dit drukt immers op de waarde daarvan. Het gaat hierbij niet om de herstelkosten die Schiphol heeft moeten maken of zal moeten maken om die gebreken te herstellen, maar om de herstelkosten die BN-TAV zou hebben moeten maken om zelf de gebreken te (laten) herstellen. Reden hiervoor is dat Schiphol het contract ten onrechte heeft beëindigd waardoor BN-TAV niet meer de mogelijkheid heeft gehad eventuele gebreken zelf te (laten) herstellen.
4.26.
Ten slotte staat niet ter discussie dat in aanmerking moet worden genomen wat Schiphol al aan BN-TAV heeft betaald. Partijen lijken het erover eens te zijn dat dit € 249.701.672,61 is, waarin is begrepen de
on account paymentvan € 2 miljoen op grond van de vaststellingsovereenkomst van 26 november 2021.
4.27.
Daarna zal dan blijken of Schiphol per saldo nog iets moet betalen aan BN-TAV uit hoofde van tot aan de beëindiging van het contract uitgevoerd werk en meerwerk of dat Schiphol daarvoor per saldo al meer heeft betaald dan waar BN-TAV recht op had.
Aanspraken na (en door) de beëindiging
4.28.
Na afwikkeling van de financiële verplichtingen tot aan de beëindiging zal aan de orde komen welke aanspraken bestaan na (en door) de beëindiging, zoals door BN-TAV verwoord onder 55 tot en met 59 van haar akte.
4.29.
BN-TAV en Schiphol verschillen in het kader van de door BN-TAV gevorderde post OB (schade als gevolg van de ongerechtvaardigde beëindiging), de post PB (gemiste prestatiebonussen) en voor opgedragen maar niet uitgevoerd meerwerk van mening of BN-TAV recht heeft op vergoeding van gederfde winst.
4.30.
Artikel 6:96 lid 1 BW Pro bepaalt dat vermogensschade zowel geleden verlies als gederfde winst omvat. Op grond van de wet kan BN-TAV dus in beginsel aanspraak maken op gederfde winst als gevolg van de onterechte beëindiging van het contract.
4.31.
Schiphol heeft zich in haar aktes op het standpunt gesteld dat in artikel 17.6 van het contract iedere aanspraak op gederfde winst is uitgesloten. BN-TAV heeft betoogd dat Schiphol een verkeerde uitleg geeft aan artikel 17.6 van het contract, dan wel dat een beroep op die bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Partijen hebben nog niet kunnen reageren op de nieuwe elementen van die standpunten in elkaars antwoordaktes. De rechtbank geeft partijen daarom de gelegenheid zich hierover bij akte (maximaal vier pagina’s) uit te laten zoals in de beslissing staat vermeld. Na de regiezitting zal de rechtbank dan een beslissing nemen over de uitleg van artikel 17.6 van het contract.
4.32.
Bij de beoordeling van de mogelijke aanspraken van BN-TAV door de beëindiging van het contract zal ook worden ingegaan op de door BN-TAV gevorderde misgelopen prestatiebonussen of de misgelopen
kansop prestatiebonussen. Daarbij staat centraal of
door beëindigingvan het contract bepaalde Milestones niet meer konden worden behaald die zonder beëindiging wel konden worden behaald.
Vertragingsschade
4.33.
BN-TAV en Schiphol maken over en weer aanspraken op extra betalingen uit hoofde van de opgelopen vertraging. BN-TAV heeft een vordering ingediend voor de vertraging die tijdens het project is opgelopen (Extension of Time claims). Schiphol heeft op haar beurt aanspraak gemaakt op contractuele boetes voor de door BN-TAV veroorzaakte vertraging en de niet behaalde contractuele Milestones. Deze vorderingen zien op vertraging en betreffen geen schade ten gevolge van de ongerechtvaardigde beëindiging van het contract. In die zin staan ze los van de door BN-TAV gevorderde schadevergoeding. De rechtbank zal daarom de vertragingsclaims (over en weer) apart behandelen en als een los onderdeel beoordelen.
Retentiebedragen en bankgaranties
4.34.
BN-TAV stelt dat met de ongerechtvaardigde beëindiging van het contract door Schiphol de contractuele grondslag voor het inhouden van de retentiebedragen en het aanhouden van de bankgaranties is komen te vervallen. Schiphol moet de retentiebedragen daarom onverwijld aan haar uitkeren en de bankgaranties retourneren, aldus BN-TAV.
4.35.
Volgens Schiphol dienen de bankgaranties pas te worden geretourneerd ná de finale financiële afwikkeling. De retentiebedragen dienen in mindering te worden gebracht op door BN-TAV te betalen herstelkosten.
4.36.
De rechtbank ziet geen aanleiding hierover nu reeds inhoudelijk te beslissen. Hierop zal op een later moment in de procedure worden beslist.
Resumerend
4.37.
De rechtbank zal van het volgende uitgaan bij de beoordeling van de vorderingen en de financiële eindafwikkeling.
4.38.
In de eerste plaats dient te worden vastgesteld: de
werkelijke waarde van het uitgevoerde werk en de uitgevoerdevariationsop het moment dat het contract is beëindigd.
Voor de werkelijke waarde dient te worden vastgestelde welk percentage van het overeengekomen werk / de overeengekomen
varationsop dat moment waren verricht.
De
herstelkostendie BN-TAV zou hebben moeten maken om werk dat gebrekkig door BN-TAV is uitgevoerd te (laten) herstellen, heeft daarbij een drukkend effect op de hiervoor genoemde waarde. De uitkomst van deze werkelijke waarde van het uitgevoerd werk (inclusief variations) –
minus het bedrag dat door Schiphol aan BN-TAV is betaald– toont de aanspraken tot aan de beëindiging.
4.39.
Daarna zal worden beoordeeld of BN-TAV schade heeft geleden door de beëindiging van het contract, onder meer in de vorm van
gederfde winst en misgelopen prestatiebonussen. Daarbij gaat het om al het (meer)werk dat wel overeengekomen, maar nog niet door BN-TAV uitgevoerd was. De vraag of en in hoeverre dergelijke aanspraken contractueel zijn uitgesloten zal hierbij worden betrokken.
4.40.
Bij de beoordeling van de financiële afwikkeling zal voorts een beslissing worden genomen over:
  • de vertragingsclaims over en weer,
  • de retentiebedragen en
  • de bankgaranties.
De regiezitting op 26 mei 2026
4.41.
Tijdens de regiezitting zijn partijen in de gelegenheid om zich erover uit te laten hoe zij het verdere verloop van de procedure voor zich zien. Daarbij zal ook aan de orde komen:
of partijen reden zien voor (verdere) eiswijzigingen;
tot welk moment nog (verdere) eiswijzigingen kunnen worden toegestaan;
of het uit een oogpunt van hoor en wederhoor noodzakelijk is dat een nadere aktewisseling moet worden toegestaan, en zo ja, over welke onderwerpen en van welke omvang;
hoe de vorderingen in reconventie zich verhouden tot de vorderingen in conventie, gezien de in dit vonnis vastgestelde methode van financiële afwikkeling;
op welk moment een nadere, inhoudelijke mondelinge behandeling kan plaatsvinden en welke onderwerpen daar aan de orde kunnen komen.
4.42.
Partijen zullen tijdens de regiezitting ieder de gelegenheid krijgen gedurende ten hoogste vijftien minuten hun standpunten over het verdere verloop van de procedure toe te lichten.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en reconventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van
20 mei 2026voor akte uitlating door beide partijen (maximaal vier pagina’s) over wat staat vermeld in alinea 4.30,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door de rechters mr. L. Voetelink, mr. R.C.J. Hamming en mr. J.T. Kruis, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Meer specifiek: artikel 15.2 onder a, b, c(i) en g. Zie alinea 5.197 van het tussenvonnis.
2.Zie alinea 5.201 van het tussenvonnis.
3.Zie alinea 5.207 van het tussenvonnis.
4.HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, r.o. 4.2, NJ 2006/201; HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3402, r.o. 3.2.3, NJ 2011/43.