Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4100

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/13/773838 / HA ZA 25-1376
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet-doorbetaling loonheffing door bestuurder van B.V.

Kramer EMEA B.V. had een overeenkomst met TOSS in Holland B.V. voor salarisadministratiediensten, waarbij TOSS loonheffingen namens Kramer aan de Belastingdienst moest afdragen. Vanaf juli 2024 heeft TOSS dit niet volledig gedaan, wat Kramer in november/december 2024 ontdekte via naheffingsaanslagen en aanmaningen. Kramer stelde [gedaagde 2], indirect bestuurder van TOSS en DEEFS, aansprakelijk wegens bestuurdersaansprakelijkheid en onrechtmatige daad.

De rechtbank oordeelde dat Kramer onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van misbruik van het identiteitsverschil tussen TOSS en DEEFS. Wel was [gedaagde 2] als bestuurder aansprakelijk omdat hij vanaf 9 december 2024 op de hoogte was van de niet-doorbetaling en naliet dit te herstellen, waardoor Kramer schade leed. De schade werd vastgesteld op €118.229,- inclusief rente en kosten.

De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af en veroordeelde [gedaagde 2] tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente, beslag- en proceskosten. De tegenvordering van [gedaagde 2] tot opheffing van beslag werd afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De bestuurder wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €118.229,- schadevergoeding, rente, beslag- en proceskosten wegens niet-doorbetaling loonheffing.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773838 / HA ZA 25-1376
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
KRAMER EMEA B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
eiseres,
gedaagde van de tegenvordering (in reconventie),
advocaat: mr. L. Rietveld,
tegen

1.DEEFS PROFESSIONALS S B.V.,

gevestigd in Amsterdam,
2. [gedaagde 2] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagden,
eisers van de tegenvordering (in reconventie),
advocaat: mr. G.A. Krol.
De rechtbank noemt partijen hierna Kramer, DEEFS en [gedaagde 2] .

1.De procedure

1.1.
In het dossier zitten:
- de dagvaarding van 31 juli 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 10 december 2025, waarin de rechtbank heeft bepaald dat er een mondelinge behandeling zal plaatsvinden,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.

2.De feiten

2.1.
Tussen Kramer en TOSS in Holland B.V. (hierna: TOSS) bestond een overeenkomst op grond waarvan TOSS tegen betaling salarisadministratiediensten aan Kramer leverde. TOSS was onder meer verantwoordelijk voor loonverwerking en belastingafdrachten.
2.2.
[gedaagde 2] is de indirect enig bestuurder van meerdere besloten vennootschappen, waaronder DEEFS en TOSS. [gedaagde 2] is namelijk enig bestuurder van [bedrijf] , die op haar beurt enig bestuurder is van TOSS in Holland Holding B.V, die weer bestuurder is van TOSS. Tevens is [gedaagde 2] enig bestuurder van Zursali B.V., die op haar beurt enig bestuurder is van DEEFS.
2.3.
De organisatiestructuur zag er zo uit:
[afbeelding]
2.4.
Op grond van de overeenkomst diende TOSS de bedragen die Kramer aan haar overmaakte voor loonheffing namens Kramer één op één aan de Belastingdienst over te maken. TOSS heeft dat vanaf juli 2024 (deels) nagelaten. Kramer is daarvan op de hoogte geraakt in november/december 2024 doordat zij naheffingsaanslagen, aanmaningen en dwangbevelen van de Belastingdienst ontving. Op 9 december 2024 heeft zij dit kenbaar gemaakt aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft voor de achterstand in loonheffingsbetalingen van Kramer een afbetalingsregeling gesloten met de Belastingdienst. Tussen december 2024 en april 2025 heeft TOSS bedragen overgemaakt naar de Belastingdienst, daarna is zij gestopt met het naleven van de afbetalingsregeling. Ook heeft TOSS de loonheffingsbedragen van Kramer niet één-op-één doorbetaald aan de Belastingdienst. Kramer heeft verschillende keren om opheldering en nakoming gevraagd, maar dat leidde niet tot een oplossing.
2.5.
Op 4 april 2025 heeft Kramer een sommatiebrief aan TOSS gestuurd. Daarin heeft zij vanwege de tekortkoming ook de overeenkomst met TOSS ontbonden.
2.6.
Kramer heeft op 8 april 2025, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van TOSS conservatoir beslag gelegd onder ABN Amro Bank N.V.
2.7.
Kramer heeft verder een kort geding procedure gevoerd tegen TOSS en [gedaagde 2] . De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis van 21 mei 2025 TOSS veroordeeld om € 377.069,- voor loonheffing, rente en kosten aan Kramer (terug) te betalen. TOSS is daarbij veroordeeld in de proceskosten van Kramer. De vordering in kort geding tegen [gedaagde 2] is afgewezen.
2.8.
TOSS is op 3 juni 2025 in staat van faillissement verklaard. Het kortgeding vonnis was toen al betekend maar de vordering was nog niet geïncasseerd door Kramer.
2.9.
Kramer heeft op 1 en 2 juli 2025 conservatoir beslag gelegd op vermogensbestanddelen van DEEFS en [gedaagde 2] . DEEFS is op 14 augustus 2025 geliquideerd.

3.Het geschil

De vordering van Kramer
3.1.
Samengevat vordert Kramer dat de rechtbank DEEFS en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot het betalen van:
a. € 377.951,- aan schadevergoeding terzake niet aan de Belastingdienst doorbetaalde loonheffing;
b. € 8.265,40 aan proceskosten van de kort gedingprocedure tegen TOSS;
c. € 21.133,27 aan beslagkosten;
d. buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten;
e. een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.
Kramer verzoekt de rechtbank hierbij te bepalen dat het vonnis ook moet worden uitgevoerd als hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
Kramer stelt dat TOSS in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen is tekortgeschoten. Kramer heeft gedurende de looptijd van de samenwerking gelden aan TOSS overgemaakt. TOSS had die gelden onverkort en zonder vertraging ten titel van loonheffing aan de Belastingdienst moeten afdragen conform hun overeenkomst. TOSS heeft dat echter niet gedaan. [gedaagde 2] , DEEFS en TOSS hebben misbruik gemaakt van de constructie van het concern en het identiteitsverschil tussen de tot dat concern behorende DEEFS en TOSS. [gedaagde 2] heeft een onrechtmatige daad gepleegd door misbruik te maken van het identiteitsverschil tussen DEEFS en TOSS. Kramer verwijt DEEFS dezelfde onrechtmatige daad te hebben verricht.
3.3.
Daarnaast baseert Kramer haar vordering jegens [gedaagde 2] op bestuurdersaansprakelijk-heid. Kramer heeft recht op schadevergoeding en op vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor de gelegde beslagen ten laste van TOSS, [gedaagde 2] en DEEFS. De schade die Kramer heeft geleden is gelijk aan het niet door TOSS doorbetaalde bedrag aan de Belastingdienst, zijnde € 377.951, inclusief de rente en kosten die de Belastingdienst in rekening heeft gebracht. Verder zijn [gedaagde 2] en DEEFS aansprakelijk voor de betaling van de proceskosten van het kort geding (inclusief nakosten) van € 8.265,40, waarin TOSS door de voorzieningenrechter is veroordeeld in het vonnis van 21 mei 2025.
3.4.
DEEFS en [gedaagde 2] voeren verweer, waarop de rechtbank hierna ingaat.
De tegenvordering van [gedaagde 2]
3.5.
Samengevat vordert [gedaagde 2] dat de rechtbank Kramer veroordeelt, op straffe van een dwangsom, om het door Kramer gelegde beslag op [gedaagde 2] zijn aandeel in het appartement aan [adres] (hierna: de woning) op te heffen.
3.6.
Kramer voert verweer, waarop de rechtbank hierna ingaat.

4.De beoordeling van de vordering van Kramer

Geen sprake van misbruik van identiteitsverschil
4.1.
Kramer stelt dat de eerste ingestelde onrechtmatige daadvordering op DEEFS en [gedaagde 2] voortvloeit uit het feit dat sprake is van misbruik van identiteitsverschil tussen TOSS en DEEFS. Weliswaar zijn TOSS en DEEFS formeel twee los van elkaar staande rechtspersonen, maar zij worden feitelijk door één en dezelfde persoon ( [gedaagde 2] ) beheerst om gebruik te maken van het identiteitsverschil met het oogmerk verhaal door Kramer te frustreren. Kramer had een contractuele relatie met TOSS. Vanaf het begin van de overeenkomst verliep het contact dat Kramer had met TOSS ook via DEEFS. Kramer was in de veronderstelling dat zij zaken deed met één en dezelfde organisatie en één en dezelfde economische entiteit. DEEFS en TOSS opereerden naar buiten toe op die manier. Uit de manier waarop [gedaagde 2] , DEEFS en TOSS de verschillende identiteiten hebben gebruikt blijkt dat zij dat alleen deden met het oogmerk om Kramer als crediteur te benadelen door het verduisteren van gelden van TOSS naar DEEFS en mogelijk andere groepsmaatschappijen. Als zodanig hebben [gedaagde 2] en DEEFS onrechtmatig jegens Kramer gehandeld. Verder heeft [gedaagde 2] verhaal op TOSS geblokkeerd door te bewerkstelligen dat TOSS in staat van faillissement is verklaard, met als enige doel het ontwijken van (terug)betaling aan Kramer. Dit is misbruik van het identiteitsverschil tussen TOSS en DEEFS. Het maken van een dergelijk misbruik is een onrechtmatige daad die verplicht tot het vergoeden van de schade die Kramer heeft geleden en nu lijdt. Op grond van vaste jurisprudentie is niet alleen [gedaagde 2] (als bestuurder die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de rechtspersonen tot medewerking aan het onrechtmatig handelen heeft gebracht) aansprakelijk voor de daardoor geleden schade maar rust deze schadevergoedingsverplichting ook op DEEFS, aldus Kramer.
4.2.
DEEFS en [gedaagde 2] betwisten gemotiveerd de stellingen van Kramer. Zij voeren aan dat Kramer niet heeft onderbouwd dat [gedaagde 2] misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen de rechtspersonen TOSS en DEEFS. De overeenkomst is altijd uitgevoerd door TOSS. TOSS stuurde de facturen en Kramer betaalde op de bankrekening van TOSS. TOSS betaalde de salarissen van de medewerkers van Kramer, deed de loonbelastingaangiften en betaalde loonheffingsbedragen door aan de Belastingdienst.
DEEFS en [gedaagde 2] betwisten verder dat Kramer schade heeft geleden door het beweerde misbruik van identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen. TOSS heeft tot het laatst toe op de ontstane achterstand bij de Belastingdienst ingelost. In de periode van 18 maart 2024 tot en met 24 maart 2025 heeft TOSS een bedrag van € 296.960 aan belastingen voor Kramer betaald. DEEFS heeft in dit verband geen handelingen verricht en heeft zich op geen enkele manier bevoordeeld. Kramer heeft op geen enkele manier onderbouwd dat misbruik is gemaakt van de verschillende identiteiten met als oogmerk om Kramer als crediteur te benadelen door het verduisteren van gelden van TOSS naar DEEFS of andere groepsmaatschappijen, aldus DEEFS en [gedaagde 2] .
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat
alssprake is van misbruik van identiteitsverschil een beroep op de eigen rechtspersoonlijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, of dat dan sprake kan zijn van een onrechtmatige daad. In het Rainbow-arrest [1] overweegt de Hoge Raad:
“Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat (…) door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen - het volledig wegdenken van het identiteitsverschil - de meest aangewezen vorm van redres is.”
4.4.
De rechtbank kan niet vaststellen dat [gedaagde 2] misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen TOSS en DEEFS. Omdat Kramer zich beroept op het rechtsgevolg van het gepretendeerde misbruik, moet zij haar stelling onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting van DEEFS en [gedaagde 2] heeft Kramer niet aannemelijk gemaakt dat DEEFS en [gedaagde 2] de bedoeling hadden om de incasso van de vordering van Kramer onmogelijk te maken door geld van TOSS ‘door te sluizen’ naar DEEFS en het faillissement van TOSS uit te lokken. Daarvoor zijn geen aanwijzingen. Zo blijkt nergens uit dat TOSS (onverplicht) bedragen heeft overgemaakt naar DEEFS. Ook uit de eerste faillissementsverslagen blijkt niet van dergelijke financiële onregelmatigheden. De omstandigheid dat TOSS de loonheffingsbedragen niet één-op-één heeft doorbetaald aan de Belastingdienst maar heeft gebruikt voor andere doeleinden, zoals huurtermijnen, maakt niet dat DEEFS en [gedaagde 2] misbruik hebben gemaakt van het identiteitsverschil tussen TOSS en DEEFS. De vordering van Kramer gebaseerd op misbruik van identiteitsverschil wordt daarom afgewezen.
Wel bestuurdersaansprakelijkheid
4.5.
Kramer stelt dat [gedaagde 2] als bestuurder van TOSS persoonlijk aansprakelijk is voor de door Kramer geleden schade omdat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat TOSS haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen, waarvan [gedaagde 2] een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Kramer verwijt [gedaagde 2] dat TOSS de van Kramer ontvangen aanzienlijke bedragen die geoormerkt waren en uitsluitend bedoeld waren voor afdracht van loonheffingen aan de Belastingdienst niet één-op-één heeft doorbetaald aan de Belastingdienst maar heeft gebruik voor andere doeleinden. De gelden zijn gebruikt voor belangen van [gedaagde 2] zelf. [gedaagde 2] heeft bovendien niet zelf aan Kramer gemeld dat de geoormerkte loonheffingsbedragen niet integraal werden doorbetaald en nadat Kramer dit ontdekte heeft [gedaagde 2] telkens aan Kramer beloofd dat het in orde zou worden gebracht. Ook nadien zijn echter de loonheffingen niet deugdelijk één-op-één doorbetaald. [gedaagde 2] was als bestuurder van TOSS verantwoordelijk voor een behoorlijke taakvervulling en heeft die veronachtzaamd. Van [gedaagde 2] mocht als bestuurder worden verwacht dat hij alle noodzakelijke inspanningen zou verrichten om te waarborgen dat TOSS haar verplichtingen jegens Kramer zou nakomen. Dat heeft hij niet gedaan en daarom is hij als bestuurder aansprakelijk, aldus Kramer.
4.6.
[gedaagde 2] is het hiermee niet eens. Hij heeft wel degelijk zijn best gedaan om ervoor te zorgen dat TOSS aan haar verplichtingen voldeed. Door omstandigheden die hem niet kunnen worden aangerekend is dat niet gelukt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij hierover het volgende verklaard. Ondanks dat voor alle medewerkers van TOSS duidelijk was dat de loonheffingsbedragen één-op-één doorbetaald moesten worden is dat bij Kramer (anders dan bij alle andere klanten) niet gebeurd. Dat is te wijten aan de onzorgvuldigheid van twee medewerkers die daarvoor verantwoordelijk waren. Nadat [gedaagde 2] de e-mail van Kramer van 9 december 2024 had ontvangen, heeft hij deze medewerkers gevraagd om het probleem op te lossen. Eerst leek het goed te gaan maar na een aantal maanden bleek van niet. [gedaagde 2] heeft persoonlijk de afbetalingsbetalingsregeling met de Belastingdienst getroffen ten aanzien van de achterstand in loonheffingsbetalingen van Kramer. [gedaagde 2] heeft verder verklaard dat het door Kramer betaalde geld dat niet is doorbetaald aan de Belastingdienst niet aan hem ten goede is gekomen. Het is besteed aan andere lopende kosten, zoals huur aan TOSS in Holland Holding B.V, die de huur betaalde aan de eigenaar/verhuurder. Verder is het besteed aan door TOSS verschuldigde omzetbelasting en/of loonbelasting van andere klanten (die maakten het niet altijd op tijd over dus dan schoot TOSS het voor). Op enig moment lukte het niet meer om aan de verplichtingen te voldoen. De leningen tijdens de corona-epidemie hebben geleid tot een belastingschuld van TOSS van 2,5 miljoen euro, welke moest worden afgelost. In december 2024 was de financiële situatie van TOSS slecht. De omzet liep sinds anderhalf jaar al terug; jaarcontracten liepen af en er kwamen minder nieuwe klanten dan voorheen. Het faillissement bleek hierdoor niet te vermijden, aldus [gedaagde 2] .
4.7.
De rechtbank overweegt dat wanneer een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan echter behalve de vennootschap ook een bestuurder van die vennootschap aansprakelijk zijn voor de schade. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de rechtspersoon en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.
4.8.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap grond kan zijn voor aansprakelijkheid van de (indirect) bestuurder die heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. [2]
4.9.
Ook geldt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is (zoals [gedaagde 2] ). De bestuurdersaansprakelijkheid werkt dus door tot aan de bestuurder die een natuurlijk persoon is.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor bestuurdersaansprakelijkheid is voldaan. Dit zijn daarvoor de redenen.
4.11.
[gedaagde 2] was als indirect bestuurder verantwoordelijk voor de aansturing van medewerkers van TOSS. Dat betekent echter niet dat hij als bestuurder aansprakelijk is voor iedere fout van een medewerker. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 2] vóór 9 december 2024 wist dat loonheffingsbedragen van Kramer niet aan de Belastingdienst waren doorbetaald. Vanaf 9 december 2024 was [gedaagde 2] wél op de hoogte van het feit dat TOSS niet voldeed aan haar contractuele verplichtingen jegens Kramer door de van Kramer ontvangen loonheffingsbedragen niet volledig en direct door te betalen aan de Belastingdienst. Ook was hij op de hoogte van de extra kosten (rente en boete) die de Belastingdienst daarvoor bij Kramer in rekening bracht. Weliswaar heeft hij toen een betalingsregeling afgesproken met de Belastingdienst, maar hij heeft er niet voor gezorgd dat deze regeling geheel werd nagekomen. Ook heeft hij er niet voor gezorgd dat de betalingen van Kramer vanaf 9 december 2024 wél één-op-één doorbetaald werden aan de Belastingdienst. Integendeel, [gedaagde 2] heeft bewerkstelligd of in ieder geval toegelaten dat de betalingen van Kramer ook na 9 december 2024 nog werden gebruikt voor andere doeleinden, zoals betaling van huur. Bovendien is hij daarover ondanks diverse verzoeken van Kramer om opheldering niet transparant geweest richting Kramer. Hierdoor is Kramer in de waan gebleven dat de bedragen die zij ná 9 december 2024 overmaakte naar TOSS wel één-op-één werden doorbetaald, terwijl dat niet gebeurde. Daardoor is de belastingschuld van Kramer verder opgelopen. [gedaagde 2] heeft aldus toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen jegens Kramer niet nakwam en wist dat Kramer daardoor schade zou lijden. Ook had [gedaagde 2] gezien de financiële situatie van TOSS in december 2024 redelijkerwijs moeten begrijpen dat TOSS geen verhaal zou bieden voor de door Kramer ten gevolge van de wanprestatie geleden aanzienlijke schade. TOSS had immers een negatief eigen vermogen, zij had meer schulden (in ieder geval een corona-belastingschuld van circa 2,5 miljoen) dan activa (goodwill en een beperkt banksaldo). Ook de liquiditeitsprognose was slecht omdat jaarcontracten afliepen en er minder nieuwe klanten kwamen. Gesteld noch gebleken is dat er op dat moment zicht was op een investering van een derde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde 2] vanaf 9 december 2024 een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, zodat hij als bestuurder aansprakelijk is voor de schade die Kramer daardoor heeft geleden.
Hoogte schade
4.12.
De schade is gelijk aan de ná 9 december 2024 door Kramer aan TOSS betaalde bedragen die door TOSS niet aan de Belastingdienst zijn doorbetaald, plus de door de Belastingdienst daarover gerekende rente en kosten.
4.13.
Uit het overzicht van Kramer in paragraaf 57 van de dagvaarding blijkt dat Kramer ná 9 december 2024 in totaal € 153.867,- (€ 26.590,- + € 50.870,- + € 32.302,- + € 44.105,-) aan TOSS heeft betaald ter zake loonheffing. Blijkens het overzicht van DEEFS en [gedaagde 2] in paragraaf 10 van de pleitnota is van deze bedragen alleen het hiervoor genoemde bedrag van € 50.870,- doorbetaald aan de Belastingdienst. Dit strookt met het overzicht van de Belastingdienst dat door Kramer is overgelegd (productie 23 bij de dagvaarding). De schade van Kramer is dus € 102.997,-. De additionele kosten en rente die door de Belastingdienst over deze periode in rekening zijn gebracht bedragen volgens het overzicht van productie 23 bij dagvaarding € 15.232,- (€ 6.339,- + € 840,- + € 4.049,- + € 405,- + € 3.109,- + € 216,- + € 234,- + € 40,-). De rechtbank wijst daarom de vordering van Kramer vermeld in 3.1 onder a) in zoverre toe dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld € 118.229,- (€ 102.997,- + € 15.232,-) te betalen aan Kramer.
Rente
4.14.
De rechtbank begrijpt dat Kramer rente vordert over de hoofdsom met ingang van de verschillende momenten dat Kramer geld heeft overgemaakt naar TOSS. Kramer heeft dit verder niet gespecificeerd. De rechtbank wijst daarom de rente toe met ingang van datum dagvaarding.
Proceskosten kort geding procedure
4.15.
Kramer vordert onder b) proceskosten van de kort geding procedure tegen TOSS en [gedaagde 2] . De rechtbank wijst deze vordering af, om de volgende redenen. In de eerste plaats geldt dat de voorzieningenrechter de vordering tegen [gedaagde 2] heeft afgewezen; Kramer is juist in de proceskosten van [gedaagde 2] veroordeeld. Verder is de omstandigheid dat Kramer de proceskosten niet kan incasseren omdat TOSS failliet is onvoldoende om [gedaagde 2] te veroordelen om de proceskostenveroordeling van TOSS aan Kramer te betalen. Het is namelijk niet vast komen te staan dat [gedaagde 2] een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet betalen van de proceskostenveroordeling door TOSS.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
Kramer vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor
buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank toetst daarom de gevorderde vergoeding aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten af. Uit de door Kramer gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Kramer heeft, behalve het gevoerde kort geding (zie 4.15), alleen gesteld dat hij meermaals pogingen heeft gedaan contact te leggen met (de advocaten van) DEEFS en [gedaagde 2] . De kosten waarvan Kramer vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De rechtbank wijst daarom de vordering op dit punt af.
Beslag- en proceskosten
4.17.
Kramer heeft beslag gelegd voor haar vorderingen. De rechtbank zal [gedaagde 2] veroordelen in de beslagkosten voor zover die zien op de vordering jegens [gedaagde 2] die wordt toegewezen. De beslagkosten zijn:
- griffierecht (‘beslagrekest’) € 714,-
- kosten beslaglegging € 1.466,96
- advocaatkosten € 2.051,-
Totaal € 4.231,96
4.18.
[gedaagde 2] krijgt ongelijk. Hij moet daarom de proceskosten van Kramer betalen. De rechtbank stelt de proceskosten vast op:
- dagvaarding € 120,21
- griffierecht € 6.147,-
- salaris gemachtigde € 4.102,- (2 punten × tarief € 2.051,-)
Totaal € 10.369,21
4.19.
De rechtbank wijst ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe, omdat [gedaagde 2] hiertegen geen verweer heeft gevoerd.
4.20.
Kramer is in het ongelijk gesteld in de zaak tegen DEEFS en moet daarom de proceskosten van DEEFS betalen. De rechtbank begroot die kosten op nihil omdat het verweer van [gedaagde 2] en DEEFS overlapt, zodat de rechtbank er (mede gelet op de liquidatie van DEEFS) vanuit gaat dat DEEFS geen eigen kosten heeft gemaakt.

5.De beoordeling van de tegenvordering van [gedaagde 2]

5.1.
Omdat de rechtbank de vordering van Kramer tegen [gedaagde 2] toewijst, is het beslag terecht gelegd en heeft Kramer een rechtens te respecteren belang bij het handhaven van het beslag op de woning van [gedaagde 2] . De omstandigheid dat [gedaagde 2] het voornemen heeft om zijn woning te verkopen en het beslag daaraan in de weg staat, weegt onvoldoende op tegen het belang van Kramer. De rechtbank wijst daarom de tegenvordering van [gedaagde 2] af.
proceskosten van de tegenvordering
5.2.
De rechtbank veroordeelt [gedaagde 2] ook in de proceskosten van de tegenvordering omdat die wordt afgewezen. De kosten worden begroot op: € 326,50 (0,5 punten × tarief € 653,-).
De nakosten in de vordering en de tegenvordering
5.3.
[gedaagde 2] moet ook de nakosten betalen van € 296,- plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

Wat betreft de vordering van Kramer

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om € 118.229,- aan hoofdsom te betalen aan Kramer;
6.2.
veroordeelt [gedaagde 2] om de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro te betalen over de hoofdsom met ingang van 31 juli 2025 (de dag van de dagvaarding) tot aan de dag dat hij alles heeft betaald;
6.3.
veroordeelt [gedaagde 2] in de beslagkosten van € 4.231,96;
6.4.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 10.369,21;
6.5.
veroordeelt [gedaagde 2] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de beslag- en proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.6.
veroordeelt Kramer in de proceskosten van DEEFS, tot op heden begroot op nihil;
Wat betreft de tegenvordering van [gedaagde 2]
De rechtbank
6.7.
wijst de vordering van [gedaagde 2] af;
6.8.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 326,50;
Wat betreft de vordering en de tegenvordering
De rechtbank
6.9.
veroordeelt [gedaagde 2] in de nakosten van € 296,-. Als [gedaagde 2] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten hij € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.10.
verklaart de veroordelingen in 6.1 tot en met 6.6, en 6.8 en 6.9 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480, Rainbow
2.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen