Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3927

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
12027134
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder vordert verwijdering van spullen uit verkeersruimtes en machtiging tot verwijdering

Westheimer Exploitatiemaatschappij B.V. vordert in kort geding dat huurder zijn spullen verwijdert uit de gemeenschappelijke verkeersruimtes van het gehuurde pand en deze ruimtes vrij houdt. Tevens wordt een machtiging gevorderd om de spullen zelf te mogen verwijderen en een voorwaardelijke ontruiming van de woning.

De huurder heeft sinds 2017 herhaaldelijk spullen in de gemeenschappelijke ruimten geplaatst, ondanks eerdere verzoeken en een vonnis uit 2024 waarin hij werd bevolen deze te verwijderen. De spullen worden met grote regelmaat in de gang geplaatst, wat tot klachten van buren heeft geleid.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot verwijdering en het verbod op het plaatsen van spullen in de verkeersruimtes wordt toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, maar de machtiging aan verhuurder om de spullen op kosten van huurder te verwijderen wordt wel toegewezen. De voorwaardelijke ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van toewijzing in een bodemprocedure. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Huurder wordt bevolen zijn spullen uit de verkeersruimtes te verwijderen en verhuurder krijgt machtiging om deze op kosten van huurder te verwijderen; voorwaardelijke ontruiming wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12027134 \ KK EXPL 25-880
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 13 februari 2026
in de zaak van
WESTHEIMER EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Westheimer,
gemachtigde: mr. D.P. van den Bergh,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. E.J. Otten, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.W. Oosthoek als griffier.
Aanwezig zijn:
- namens Westheimer mr. D.P. van den Bergh,
- [gedaagde] en zijn zoon [zoon gedaagde] .
Na de zitting van 15 januari 2026 is de zaak aangehouden om [gedaagde] de kans te geven in gesprek te gaan met het buurtteam over de omstandigheden waarvan hij van het trappenhuis en eventueel ook van de woning gebruik maakt. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
De zitting wordt vandaag voortgezet. De verdere ontwikkelingen in deze zaak is met partijen besproken. Ook is besproken dat de gemachtigde van [gedaagde] zich heeft onttrokken van de zaak. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
[gedaagde] huurt van Westheimer een woning aan [adres] . Hij is ongeveer 30 jaar geleden met de rechtsvoorganger van Westheimer een huurovereenkomst aangegaan.
1.2.
Westheimer heeft [gedaagde] sinds 2017 meermaals verzocht om spullen te verwijderen uit de gemeenschappelijke ruimten van het pand, waaronder het trappenhuis, de overloop bij de zolders en het platte dak.
1.3.
In 2024 heeft Wertheimer een kort-geding aanhangig gemaakt. Met het vonnis van 8 mei 2024 heeft de kantonrechter in kort-geding [gedaagde] – kort gezegd en voor zover hier relevant – bevolen binnen drie dagen de zaken uit de verkeersruimtes en van het platte dak te verwijderen onder oplegging van een dwangsom als hij dat niet doet. [gedaagde] heeft vervolgens de spullen verwijderd.
1.4.
[gedaagde] heeft enige tijd daarna weer met regelmaat meerdere spullen, al dan niet tijdelijk, in de gang geplaatst. Buren hebben hierover bij Westheimer geklaagd.
1.5.
Westheimer heeft vervolgens dit kort-geding aanhangig gemaakt en – samengevat – gevorderd dat:
  • [gedaagde] de zaken verwijderd en verwijderd houdt uit de verkeersruimtes van het pand, onder oplegging van een dwangsom als hij dat niet doet,
  • Westheimer wordt gemachtigd om de zaken zelf te verwijderen,
  • [gedaagde] – voorwaardelijk – te veroordelen de woning te ontruimen als hij niet aan het voorgaande voldoet,
  • [gedaagde] in de kosten van het geding te veroordelen.
1.6.
Het gaat in deze zaak om spullen die [gedaagde] in (onder meer) de gang van het gehuurde plaatst. De gang is een doorgangsruimte. Hoewel de gang onderdeel uitmaakt van het gehuurde, is het een gedeelde ruimte waar ook de andere bewoners van het pand gebruik van maken. [gedaagde] stelt dat hij spullen slechts tijdelijk op de gang plaatst. Hoewel dit op zich geen probleem hoeft te zijn, is in het geval van [gedaagde] gebleken dat de regelmaat waarmee hij spullen – al dan niet tijdelijk – op de gang laat staan zo groot is, dat er continu spullen van hem staan. Buren hebben over deze situatie geklaagd, en ook is er al eerder een vonnis door de kantonrechter te Amsterdam gewezen waarin [gedaagde] is bevolen zijn goederen van de gang te verwijderen. Daarom is vast komen te staan dat er structureel, dan wel met grote regelmaat, (grote) spullen van [gedaagde] op de gang staan.
1.7.
De vordering van Westheimer om [gedaagde] te bevelen zijn zaken te verwijderen en geen zaken te plaatsen in de verkeersruimtes van het pand wordt daarom toegewezen, maar de gevorderde dwangsom wordt afgewezen. In plaats van de dwangsom wordt de door Westheimer gevorderde machtiging om de zaken op kosten van [gedaagde] zelf te doen verwijderen toegewezen zoals hierna vermeld.
1.8.
De door Westheimer gevorderde voorwaardelijke ontruiming wordt afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure de ontruiming zal toewijzen.
1.9.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

De kantonrechter
2.1.
beveelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de zaken te verwijderen en geen zaken te plaatsen of te stallen in de verkeersruimtes van het pand waartoe het gehuurde staande en gelegen aan [adres] behoort,
2.2.
machtigt Westheimer om iedere keer wanneer [gedaagde] zaken in de verkeersruimtes van het pand waartoe het gehuurde staande en gelegen aan [adres] behoort, zoals onder 2.1 vermeld gestald of geplaatst heeft, deze op kosten van [gedaagde] te verwijderen, na aanzegging als onder 2.1 vermeld,
2.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
2.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
2.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.