Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3882

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
761484 / FA RK 24/8843
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 WvggzArt. 10:11 WvggzArt. 10:12 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding toegekend wegens onterecht besluit tot verplichte zorg

Verzoeker diende een klacht in tegen het besluit van zorgaanbieder Arkin om verplichte zorg toe te passen, welke door de klachtencommissie gegrond werd verklaard. De klachtencommissie kende een schadevergoeding van €25 toe, maar verzoeker vond dit bedrag onvoldoende en vorderde een hogere vergoeding van €1.950 of €28.000.

De rechtbank behandelde het verzoek tot een hogere schadevergoeding en oordeelde dat verzoeker voldoende aannemelijk had gemaakt immateriële schade te hebben geleden in de vorm van stress, angst en frustratie door het onterechte besluit tot verplichte zorg. De rechtbank stelde vast dat de schadevergoeding naar billijkheid moest worden vastgesteld.

De rechtbank hanteerde een vergoeding van €25 per dag over een periode van 13 dagen (van kennisgeving tot klachtencommissie-beslissing) en kende een schadevergoeding van €325 toe. Er waren geen omstandigheden die een hogere vergoeding rechtvaardigden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van €325 toe wegens immateriële schade door het onterecht besluit tot verplichte zorg.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/761484 / FA RK 24/8843
Beschikking van de rechtbank naar aanleiding van het ingediende verzoekschrift ter verkrijging van een beslissing over de verzochte schadevergoeding samenhangende met de klacht ingevolge artikel 10:11 jo Pro. 10:7 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedag] 1982,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
zorgaanbieder: Arkin,
advocaat: mr. L.M.A. Schwartz te Amsterdam.
tegen de vervolgbeslissing van de regionale klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken, hierna te noemen: de klachtencommissie.

1.Feiten en Procesverloop

1.1
Bij beslissing van 26 september 2024 heeft de zorgverantwoordelijke psychiater van Mentrum, FACT Centrum West verzoeker medegedeeld dat besloten is hem per de datum van de beslissing verplichte zorg te gaan verlenen ter uitvoering van de door de rechtbank Amsterdam afgegeven zorgmachtiging van 16 september 2024.
1.2.
Tegen voormelde beslissing heeft verzoeker een op 25 september 2024 gedateerde klacht ingediend bij de klachtencommissie, waarna de verplichte zorg is opgeschort en niet is ingezet.
1.3.
De klachtencommissie heeft bij beslissing van 7 oktober 2024 de klacht in al haar onderdelen gegrond verklaard. De behandeling van het verzoek tot schadevergoeding werd door de klachtencommissie aangehouden teneinde verzoeker in de gelegenheid te stellen een nadere onderbouwing te geven van de gestelde schade. Bij een vervolgbeslissing heeft de klachtencommissie verzoeker een schadevergoeding € 25, = toegekend.
1.4.
Bij verzoekschrift van 18 december 2024 heeft verzoeker via zijn advocaat mr. K.R. Lieuw On de rechtbank verzocht een hogere schadevergoeding toe te kennen.
1.5.
Bij verweerschrift van 22 januari 2025 heeft Arkin verweer gevoerd.
1.6.
Op 4 februari 2026 vond de eerste behandeling plaats naar aanleiding van het voormelde verzoek van 18 december 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.7.
De verdere mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026 in het gebouw van de rechtbank te Amsterdam.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- bovengenoemde advocaat;
- advocaat Arkin, mr. F. Jansen;
- psychiater, mevrouw [persoon 1] ;
- casemanager, de heer [persoon 2] .

2.Het verzoek en verweer

2.1.
De zitting gaat over de schade die verzoeker zou hebben geleden door een besluit van Arkin om verplichte zorg in te zetten.
2.2.
Bij verzoekschrift van 18 december 2024 heeft verzoeker verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen van € 28.000, althans een schadevergoeding van € 1.950, en in ieder geval een door de rechtbank in goede justitie te bepalen schadevergoeding. Het bedrag van € 28.000 – zo begrijpt de rechtbank - betreffen opgelopen schulden ter hoogte van € 8000 en € 20.000 aan gemist loon en pensioen.
Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij gewoon niet een prijs kan stellen voor alles wat er de afgelopen jaren is gebeurd. Hij kan geen prijs geven aan de veiligheid van zijn kinderen en de tijd met zijn familie welke nu helemaal is verloren. Verzoeker was bezig met een opleiding en deze zou al afgerond kunnen zijn. Hij heeft bijna € 8000, = aan schulden en hij heeft maanden pensioen, ongeveer € 20.000,= aan loon en studie verloren. Hij had het zelf opgelost als deze dingen niet waren gebeurd. Hij zit vast in [plaats] ver van zijn echte familie, met een woning die heel duur is voor zijn huidige inkomen.. Er zijn consequenties en dingen gebeurd door het besluit om verplicht zorg toe te passen. Deze consequenties zijn niet direct gebeurd, maar zijn wel een gevolg daarvan.
Ter onderbouwing van het subsidiaire gevraagde bedrag van € 1.950 is in het verzoekschrift het volgende aangevoerd. Over de periode van 25 september 2024, toen verzoeker in kennis werd gesteld dat verplichte zorg zou worden toegepast, tot en met 7 oktober 2024, zijnde de dag van de beslissing van de klachtencommissie, in totaal 13 dagen zou een vergoeding per dag van € 150 (in verband met 6 zorgmodaliteiten) een billijkere vergoeding zijn.
2.3.
De advocaat heeft verklaard dat het in deze procedure alleen gaat om de schade die voortvloeit uit het besluit van 26 september 2024 en dat als verzoeker schadevergoeding wenst voor andere zaken, hij daarvoor een andere procedure moet starten met een andere advocaat. Verzoeker is het volstrekt eens met de vaststelling door de klachtencommissie dat hij schade heeft geleden in de vorm van onmacht, frustratie en angst, maar is het in het geheel niet eens met de hoogte van de door de klachtencommissie aan hem toegekende schadevergoeding. Verzoeker beroept zich erop dat de toegekende schadevergoeding uiterst mager is en in geen enkele verhouding staat tot de door hem ondervonden onmacht, frustratie en angst als gevolg van de beslissing van Arkin. Het klopt dat er geen verplichte zorg is toegepast en volgens de oriëntatiepunten zou het om een bedrag van € 25, = moeten gaan. Verzoeker is echter uitdrukkelijk van oordeel dat de toegekende schadevergoeding niet kan worden aangemerkt als een naar billijkheid toegekende schadevergoeding. Een bedrag van 25, = aan schadevergoeding beschouwt hij als een belediging en de advocaat wil aansluiten bij het in het verzoekschrift van 28 december 2026 gestelde bedrag van € 1.950, = of een bedrag daar tussenin omdat dit eerder getuigt van billijkheid.
2.4.
Primair stelt Arkin zich op het standpunt dat de beslissingen van de klachtencommissie vernietigd dienen te worden, dat de klacht alsnog ongegrond dient te worden en dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft Arkin, in het geval dat wanneer de rechtbank tot het oordeel komt dat verzoeker recht heeft op schadevergoeding, dat de eerder toegekende schadevergoeding door de klachtencommissie à € 25, = billijk is in deze.

3.Beoordeling

3.1.
Het verzoek in deze procedure richt zich specifiek op de hoogte van de vergoeding van de schade geleden door een (achteraf bezien) onterecht besluit tot het aanzeggen van verplichte zorg. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de verzoeken die Arkin als primair standpunt heeft aangevoerd.
Schadevergoeding
3.2.
Op grond van artikel 10:7, eerste lid. Wvggz, kan verzoeker bij de rechter om schadevergoeding door de zorgverlener verzoeken. De rechter kan op dit verzoek afzonderlijk beslissen en kan ook ambtshalve tot schadevergoeding door de zorgaanbieder besluiten. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
3.3.
In beginsel is het reguliere aansprakelijkheidsrecht van toepassing. Verzoeker moet stellen dat hij schade heeft geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen zijn schade en de normschending. De wetgever heeft met artikel 10:12 Wvggz Pro een laagdrempelige regeling in de wet opgenomen ten aanzien van een verzoek om schadevergoeding door een belanghebbende. Om die reden stelt de rechtbank geen al te hoge eisen aan het bewijs van schade, als er maar enige onderbouwing is en voldoende aannemelijk is dat er schade is. De rechtbank betrekt daarbij dat de regeling zoals deze gold onder de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen ook een laagdrempelige regeling bevatte. Niet blijkt dat de wetgever met deze regeling en de daaruit gegroeide praktijk heeft willen breken.
3.4.
Verzoeker stelt dat hij immateriële schade heeft geleden omdat hij stress, angst en frustratie heeft ervaren over de afgifte van een mogelijke zorgmachtiging.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden.
3.5.
De rechtbank houdt bij de vaststelling van de schadevergoeding rekening met de ernst van de normschending en met wat de gevolgen hiervan voor verzoeker zijn geweest. Met inachtneming van de omstandigheden die onder 3.4. zijn weergegeven stelt de rechtbank de schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 25,- per dag. De rechtbank gaat hierbij uit van een periode van 13 dagen (25 september 2024 – 7 oktober 2024) zodat de toe te kennen schadevergoeding wordt vastgesteld op een bedrag van € 325,=. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd die tot een hogere schadevergoeding leiden.

4.De rechtbank:

- veroordeelt Arkin tot betaling van een schadevergoeding van € 325, = (driehonderdvijfentwintig) aan
verzoeker;
- verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is op 13 april 2026 mondeling gegeven door mr. G.S. Crince Le Roy, rechter, en in het openbaar uitgesproken, bijgestaan door J. Koomen als griffier en op 13 april 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.