Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3873

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/13/772244 / HA ZA 25-1268
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 5 lid 3 WwftArtikel 35 ABV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bankrelatie door ABN AMRO niet onaanvaardbaar volgens redelijkheid en billijkheid

Eisers hadden verschillende bankrekeningen bij ABN AMRO, waarop de Algemene Bankvoorwaarden 2017 van toepassing waren. Naar aanleiding van een melding over mogelijke transacties met verbanden tot witwassen en corruptie startte ABN AMRO een klantonderzoek. Eisers leverden summiere antwoorden zonder voldoende documentatie ter onderbouwing. ABN AMRO beëindigde daarop de bankrelatie per 27 januari 2023 en registreerde de gegevens van eisers op de CAAML-Lijst.

Eisers stelden dat zij niet betrokken waren bij criminele transacties en dat ABN AMRO haar zorgplicht had geschonden door onvoldoende rekening te houden met aangeleverde documenten en het aanbod van de accountant. Zij vorderden herstel van de bankrelatie, verwijdering van de CAAML-registratie en schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat ABN AMRO op grond van artikel 35 ABV Pro bevoegd was de relatie op te zeggen zonder zwaarwegende grond en dat de opzegging niet onaanvaardbaar was. Eisers hadden onvoldoende onderbouwing geleverd en onvoldoende belang bij herstel van de relatie. De CAAML-registratie was gerechtvaardigd en vormde geen belemmering voor deelname aan het betalingsverkeer.

De vorderingen van eisers werden afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. B.M. Visser en mr. R.D. Lok op 8 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat ABN AMRO de bankrelatie rechtmatig heeft beëindigd en wijst de vorderingen van eisers af.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772244 / HA ZA 25-1268
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats 1] ,
hierna: [eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2] ,
hierna: [eiser 2] ,
3.
[eiser 3],
te [vestigingsplaats 1] ,
hierna: [eiser 3] ,
4.
[eiser 4],
te [vestigingsplaats 2] ,
hierna: [eiser 4]
eisende partijen, hierna gezamenlijk: [eisers] .
advocaat: mr. M.D. Winter,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna: ABN AMRO,
advocaat: mr. E. Jagt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 juni 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

Partijen
2.1.
[eiser 1] had een particuliere betaal- en spaarrekening bij ABN AMRO en samen met zijn echtgenote, [eiser 2] , een en/of-rekening. Hij is bestuurder van [eiser 3] , een financiële holding, en van [eiser 4] ; beide hielden ondernemersrekeningen aan bij ABN AMRO.
2.2.
Op de klantrelaties tussen ABN AMRO en [eisers] . waren de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (hierna: ABV) van toepassing. In artikel 35 van Pro de ABV staat:

U kunt de relatie tussen u en ons opzeggen. Wij kunnen dit ook. Het is daarvoor niet nodig dat u in verzuim bent met de nakoming van een verplichting. Wij houden ons bij opzegging aan onze zorgplicht als genoemd in artikel 2 lid 1 ABV Pro. Als u ons vraagt waarom wij de relatie opzeggen, dan laten wij u dat weten.”
Klantonderzoek
2.3.
In december 2021 ontving de afdeling Veiligheidszaken van ABN AMRO een melding over transacties op de rekeningen van [eisers] . met personen die in verband kunnen worden gebracht met witwassen en/of corruptie. Naar aanleiding van die melding is ABN AMRO een klantonderzoek gestart.
2.4.
In het kader van het klantonderzoek heeft ABN AMRO in brieven van 15 maart 2022 informatie opgevraagd bij [eisers] . Zij verzocht daarin een toelichting – zo veel mogelijk voorzien van ondersteunende documentatie – op onder meer de volgende punten:
  • de transacties van en naar eigen rekeningen bij andere banken;
  • de ogenschijnlijk zakelijke transacties ter aankoop van vastgoed via betalingen van de privérekeningen;
  • overboekingen van grote geldsommen voor de aankoop van vastgoedobjecten;
  • de veelvuldige transacties onder de vermelding ‘lening’, zonder dat blijkt van de verstrekking van enige lening of terugbetaling daarvan;
  • stortingen van contant geld;
  • (het ontbreken van) betalingen aan de Belastingdienst;
  • de organisatiestructuur en UBO (ultimate beneficial owner) van [eiser 3] en [eiser 4] .
In deze brieven heeft ABN AMRO vermeld dat indien [eisers] . niet voor 29 maart 2022 de gevraagde informatie en documentatie aanleveren, ABN AMRO niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen kan voldoen, en dat zij dan gaat bepalen of [eisers] . nog klant kunnen blijven.
2.5.
Nadat enkele malen uitstel was verzocht en verleend, gaven [eiser 1] en [eiser 2] in een e-mail van 12 mei 2022 antwoord op de aan hen gerichte vragen. [eiser 1] beantwoordde de vragen gericht aan [eiser 3] in een e-mail van 21 mei 2022 en die aan [eiser 4] op 22 mei 2022. Bij deze e-mails werd geen documentatie overgelegd ter ondersteuning van de gegeven verklaringen.
2.6.
Op 24 mei 2022 liet ABN AMRO per e-mail aan [eisers] . weten dat de antwoorden niet volledig zijn en dat de benodigde onderbouwing met documentatie ontbreekt. Zij verzocht daarom om uiterlijk op 1 juni 2022 alsnog jaarrekeningen, aangiften omzetbelasting, ondertekende UBO-verklaringen en documenten (facturen, overeenkomsten e.d.) over enkele transacties en leningen te verstrekken.
2.7.
Op 1 juni 2022 liet [eiser 1] per e-mail aan ABN AMRO weten dat hij mondjesmaat de gevraagde documenten binnenkrijgt en verwacht binnen een paar dagen alles te hebben ontvangen. Hij geeft daarbij aan dat hij uiterlijk de volgende woensdag de documenten zal afgeven bij de vestiging van ABN AMRO aan [locatie].
2.8.
ABN AMRO stuurde op 14 juni 2022 een e-mail terug waarin zij schreef dat zij de ontbrekende informatie niet heeft ontvangen en dat zij het dossier van [eisers] . zal afronden met de informatie die zij op dat moment heeft. Daarbij vermeldde zij dat dit tot gevolg kan hebben dat zij de bankrelatie met [eisers] . zal heroverwegen.
2.9.
Op 28 november 2022 heeft ABN AMRO, bij afzonderlijke brieven aan [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] , meegedeeld dat zij de bankrelatie per 27 januari 2023 beëindigt. In de brieven kondigde ABN AMRO ook aan dat zij de uitkomst van het klantonderzoek en de gegevens van [eisers] . voor een periode van vijf jaar zal registreren op de zogenoemde CAAML-Lijst (Client Acceptance and Anti Money Laundering).
Bezwaar tegen de beëindiging van de bankrelatie
2.10.
Op 13 januari 2023 heeft de advocaat van [eisers] . bezwaar ingediend tegen de beëindiging van de bankrelatie. Bij de bezwaarbrief heeft de advocaat enkele nieuwe documenten overgelegd en gemeld dat [eisers] . meer tijd nodig hebben om de overige documenten (die veelal in Suriname zouden moeten worden opgevraagd) te verzamelen.
2.11.
Bij brief van 1 maart 2023 heeft ABN AMRO bericht dat zij, ook met de nieuwe antwoorden en documenten, nog steeds niet haar klantonderzoek kan afronden. In de brief gaf ABN AMRO een korte opsomming van de nog openstaande vragen en de transacties waarvan de onderliggende documenten ontbraken. Ook gaf zij [eisers] . nog een laatste kans om die stukken aan te leveren en waarschuwde zij dat als dat niet zou gebeuren, haar besluit om afscheid van [eisers] . te nemen van kracht zou blijven.
2.12.
In de periode tussen 13 maart en 3 juli 2023 hebben de advocaat van [eisers] . en ABN AMRO meerdere brieven over en weer gestuurd over de nog openstaande vragen. In de laatste brief van 3 juli 2023 schrijft de advocaat onder meer dat [eiser 1] :
“op basis van zijn kennis en ervaring in goed vertrouwen in staat is zaken te doen met derden. Onder deze omstandigheden, en in tegenstelling tot hetgeen de bank kennelijk verwacht van de gemiddelde zakenman, is het niet ongebruikelijk om zakelijke overeenkomsten af te sluiten met, vooral, partijen die als betrouwbaar worden aangemerkt, zonder deze transacties in extenso schriftelijk vast te leggen. (…) [D]e bank houdt hieromtrent echter kennelijk geen rekening met het feit dat in vele andere culturen niet het geschrift doorslaggevend is maar de persoonlijke relatie tussen personen die zaken met elkaar doen.”
2.13.
Op 17 juli 2023 heeft ABN AMRO aan [eisers] . laten weten dat zij bij haar besluit blijft om de bancaire relaties te beëindigen.
2.14.
[eisers] . zijn vervolgens een procedure gestart bij het Kifid. ABN AMRO heeft de beëindiging van de bankrelatie opgeschort totdat het Kifid een uitspraak had gedaan. Het Kifid heeft op 14 oktober 2024 de klacht van [eisers] . niet-behandelbaar verklaard.
2.15.
De bankrelatie met [eisers] . is uiteindelijk per 7 maart 2025 geëindigd.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] . vorderen dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, ABN AMRO veroordeelt om:
I. binnen drie dagen na dit vonnis de bancaire relatie met [eisers] . te herstellen, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag of gedeelte daarvan;
II. binnen drie dagen na dit vonnis de opname van de gegevens van [eisers] . in het CAAML-register ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag of gedeelte daarvan;
III. een schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat;
IV. de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na de datum van dit vonnis, de nakosten en de buitengerechtelijke incassokosten te betalen.
3.2.
[eisers] . leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat ABN AMRO de bankrelatie ten onrechte heeft beëindigd. [eisers] . zijn namelijk niet betrokken geweest bij criminele transacties en hebben wel degelijk meegewerkt aan het klantonderzoek. Zo heeft [eiser 1] persoonlijk een ordner met documenten afgeleverd bij het kantoor van ABN AMRO aan [locatie]. ABN AMRO heeft die stukken echter niet meegenomen bij haar besluit tot beëindiging. Ook is zij niet ingegaan op het aanbod om de accountant van [eisers] . documenten te laten aanleveren. Verder hebben verschillende afdelingen van ABN AMRO tijdens het klantonderzoek de normale dienstverlening voortgezet, en zo bij [eisers] . de indruk gewekt dat er geen problemen waren. Daarmee heeft ABN AMRO haar zorgplicht geschonden en in strijd met de redelijkheid en billijkheid gehandeld. [eisers] . hebben schade geleden als gevolg van de beëindiging van de bankrelaties. Zo konden zij tijdelijk geen transacties verrichten, moesten zij nieuwe bankrekeningen openen en extra personeel inhuren om de administratie te herinrichten.
3.3.
ABN AMRO Bank voert verweer. Op dat verweer wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

ABN AMRO mocht de bankrelatie beëindigen en hoeft die niet te herstellen
4.1.
Het uitgangspunt bij de beoordeling is dat ABN AMRO op grond van artikel 35 van Pro de ABV de contractuele bevoegdheid heeft om de relatie met [eisers] . op te zeggen. Zij heeft geen zwaarwegende grond nodig om van die bevoegdheid gebruik te maken. Evenmin is vereist dat er concrete bewijzen zijn dat [eisers] . betrokken zijn bij criminele activiteiten. Onder bijzondere omstandigheden kan het gebruik van deze opzeggingsbevoegdheid echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Het criterium is daarbij niet ‘redelijkheid’, maar ‘onaanvaardbaarheid’; dit noopt tot een terughoudende toepassing van deze bepaling.
4.2.
De beoordeling of sprake is van een onaanvaardbare opzegging komt neer op een afweging van het belang van ABN AMRO bij de opzegging van de bankrelatie tegen het belang van [eisers] . bij herstel daarvan. Die belangenafweging moet plaatsvinden aan de hand van de ten tijde van de opzegging bekende feiten en omstandigheden. ABN AMRO heeft de bankrelatie met [eisers] . in de brieven van 28 november 2022 opgezegd. Het gaat er dus om of zij, gelet op de haar toen bekende feiten en omstandigheden en met inachtneming van de belangen van [eisers] ., de bankrelatie op dat moment mocht opzeggen. Dat ABN AMRO gedurende de bezwaarprocedure en de procedure bij het Kifid de dienstverlening aan [eisers] . heeft voortgezet en hen de gelegenheid is blijven geven om de verzochte informatie te verstrekken, maakt niet dat de opzegging – zoals door [eisers] . is gesteld – per nu moet worden beoordeeld. Er is geen sprake van een nieuw besluit tot opzegging van de bankrelatie maar van een situatie waarin het aangevoerde bezwaar en de daarin verstrekte documenten niet tot heroverweging van het al genomen besluit hebben geleid.
4.3.
ABN AMRO is het onderzoek gestart naar aanleiding van een melding die haar Veiligheidsafdeling ontving over transacties op de rekeningen van [eisers] . met personen die in verband kunnen worden gebracht met witwassen en/of corruptie. Tijdens dat onderzoek ontdekte zij dat [eiser 1] en [eiser 2] zakelijke en persoonlijke banden onderhouden met Politically Exposed Persons (de toenmalige president van Suriname en zijn vrouw) waarmee zij als PEP-affiliates hebben te gelden. Ook is ABN AMRO daarbij op ongebruikelijke transacties gestuit, die mogelijk in verband konden worden gebracht met witwassen of corruptie (zie onder 2.4 hiervoor). Onder deze omstandigheden heeft ABN AMRO terecht vragen gesteld aan [eisers] . Weliswaar hebben [eisers] . op het merendeel van die vragen uiteindelijk een (zij het vaak summier) antwoord gegeven, maar zij hebben geen documenten ter onderbouwing daarvan overgelegd waar ABN AMRO wel om had gevraagd. Of dit voldoende is voor de conclusie van ABN AMRO dat zij haar klantenonderzoek niet kon voltooien en daardoor op grond van artikel 5 lid 3 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) verplicht was de relatie met [eisers] . te beëindigen, kan in het midden blijven. Ook indien [eisers] . daaraan wel voldoende hebben meegewerkt, geldt dat ABN AMRO het ten tijde van de opzegging moest doen met de summiere verklaringen van [eiser 1] over de achtergrond van de verschillende transacties. De rechtbank volgt ABN AMRO in haar standpunt dat dat in het licht van de melding en zonder onderbouwende stukken, onvoldoende comfort bood om de klantrelatie voort te zetten. Dat [eiser 1] als ondernemer gewoon is te werken op basis van vertrouwen en mondelinge afspraken kan zo zijn maar dat komt in een situatie als deze, waarin ABN AMRO – terecht – vraagt om onderbouwing van zijn verklaringen, voor zijn rekening en risico.
4.4.
Tegenover het belang van ABN AMRO bij beëindiging van de bankrelatie hebben [eisers] . hun belang bij voortzetting onvoldoende toegelicht. Zo is niet gesteld dat [eisers] . door de opzegging de toegang tot het betalingsverkeer is ontzegd. Integendeel, tijdens de zitting hebben [eisers] . verklaard dat zij rekeningen aanhouden bij andere banken. Dat zij daarmee niet in staat zijn hun financiële zaken op zakelijk en privégebied te regelen, is niet gesteld en blijkt ook uit niets. Desgevraagd hebben [eisers] . ook toegelicht dat hun belang bij het herstel van de bankrelatie vooral ligt in het zuiveren van hun naam en het bestrijden van de beschuldiging dat zij betrokken zijn geweest bij criminele transacties. Van een dergelijke beschuldiging is echter geen sprake, hetgeen ABN AMRO ook expliciet heeft bevestigd. Waar het in deze zaak om gaat is dat ABN AMRO op grond van de Wwft verplicht is om bij haar klanten opheldering te vragen over transacties die
mogelijkverband houden met (bijvoorbeeld) witwassen. [eisers] . is er niet in geslaagd om die opheldering te verschaffen op basis van de door hun gevoerde administratie.
4.5.
Dat ABN AMRO tijdens dit klantonderzoek door is gegaan met de dienstverlening aan [eisers] . en heeft geadviseerd over de herstructurering van het vastgoedbedrijf maakt ook niet dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het is, zoals ABN AMRO ter zitting heeft toegelicht, logisch dat een klantonderzoek altijd parallel aan de normale dienstverlening loopt. Als ABN AMRO namelijk de antwoorden krijgt die haar zorgen wegnemen, leidt dat niet tot beëindiging van de klantrelatie en is er geen reden om de normale dienstverlening tijdens het onderzoek op te schorten. Daarnaast heeft ABN AMRO [eisers] . bij het stellen van haar (vervolg)vragen ook gewaarschuwd dat zij moet heroverwegen of [eisers] . klant kunnen blijven als de gevraagde informatie niet wordt verstrekt. [eisers] . hadden dus moeten begrijpen dat dit risico steeds bestond.
4.6.
De conclusie is dat ABN AMRO de bankrelatie in november 2022 mocht opzeggen. Nu van een onrechtmatige opzegging geen sprake is, zal de vordering tot vergoeding van schade worden afgewezen. Ditzelfde geldt voor de vordering tot herstel van de bankrelatie. Ter toelichting geldt het volgende.
4.7.
[eisers] . verwijt ABN AMRO het niet meenemen in haar beoordeling van de map met documenten die [eiser 1] persoonlijk op 28 juni 2022 zou hebben afgeleverd bij het kantoor van ABN AMRO in Den Haag. Daarnaast had ABN AMRO volgens [eisers] . moeten ingaan op het aanbod van 27 oktober 2022 om hun accountant stukken te laten aanleveren. De rechtbank begrijpt [eisers] . zo, dat zij deze argumenten aanvoeren in het kader van de vordering tot herstel van de bankrelatie, die wél naar de huidige omstandigheden van dit geval moet worden beoordeeld (vergl. Parket bij de Hoge Raad, 12 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:239).
4.8.
Voor een dergelijk vergaande contracteerplicht na een rechtmatige opzegging kan alleen onder bijzondere omstandigheden plaats zijn. Die bijzondere omstandigheden doen zich hier niet voor. Los van het feit dat [eisers] . de door hun genoemde stukken uit een ordner (waarvan ABN AMRO de ontvangst betwist) dan wel van de accountant niet in het geding hebben gebracht en de rechtbank die dus ook niet kan beoordelen, is er aan de kant van [eisers] . ook geen sprake van de zwaarwegende omstandigheid dat zij zonder de bankrekeningen bij ABN MRO niet aan het economisch verkeer zouden kunnen deelnemen of anderszins hun onderneming niet kunnen voeren. Overige bijzondere omstandigheden die ertoe zouden kunnen nopen dat ABN AMRO na een rechtmatige opzegging de relatie met haar voormalige klant zou moeten herstellen, zijn ook niet gesteld of gebleken. Het feit dat [eisers] . lange tijd gewaardeerde klanten zijn geweest van ABN AMRO, is daartoe niet voldoende.
De CAAML-registratie hoeft niet te worden verwijderd
4.9.
[eisers] . hebben ook verwijdering van hun gegevens van de CAAML-Lijst gevorderd, omdat voor die registratie geen goede reden zou bestaan. Dat is, zoals uit het voorgaande blijkt, onjuist. Dit neemt niet weg dat de belangen van ABN AMRO en die van [eisers] . moeten worden afgewogen.
4.10.
ABN AMRO heeft uitgelegd dat de CAAML-Lijst alleen door haar en haar dochtervennootschappen kan worden geraadpleegd. Het doel van de registratie is te voorkomen dat opnieuw een bankrelatie wordt aangegaan zonder eerst te beoordelen of de risico’s die eerder aanleiding gaven voor beëindiging van de relatie nog steeds aanwezig zijn. ABN AMRO heeft aldus een belang bij de registratie.
4.11.
ABN AMRO heeft ook toegelicht dat de CAAML-registratie niet automatisch meebrengt dat een nieuwe aanvraag van [eisers] . wordt geweigerd, maar alleen dat verscherpt onderzoek zal worden uitgevoerd. Aangezien de CAAML-Lijst uitsluitend voor intern gebruik is en niet inzichtelijk voor andere banken en financiële instellingen, vormt de registratie ook geen belemmering voor [eisers] . om deel te nemen aan het betalingsverkeer zoals de huidige situatie ook bewijst. Dat betekent dat zij geen zwaarwegend belang hebben bij de verwijdering van hun gegevens van de lijst. De vordering zal dus worden afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[eisers] . zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ABN AMRO worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.490,00
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.14.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] . af,
5.2.
veroordeelt [eisers] . hoofdelijk in de proceskosten van € 4.490,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] . niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisers] . hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, bijgestaan door mr. R.D. Lok, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.