Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3799

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
13.083796.22 en 13.303148.22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ECLI:NL:HR:2010:BK3424ECLI:NL:HR:2021:1749ECLI:NL:HR:2022:147
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing getuigenverzoeken in ontnemingsprocedure na drugshandelveroordeling

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 april 2026 de ontnemingsprocedure tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van het invoeren van 1703 kilogram cocaïne en witwassen. De verdediging verzocht om het horen van diverse getuigen die verklaringen zouden kunnen geven over de financiële aspecten van de drugshandel en de witwaspraktijken, waaronder getuigen over Sky-communicatie en betalingen voor een woning in Dubai.

De rechtbank stelde een beoordelingskader vast waarbij het belang van het horen van getuigen in de ontnemingsprocedure wordt getoetst aan de reeds vaststaande strafrechtelijke feiten en de onderbouwing van het verzoek. De rechtbank oordeelde dat de verzoeken onvoldoende concreet waren onderbouwd en dat het belang van het horen van de getuigen niet aannemelijk was, mede omdat de ontnemingsrapportage al een berekening bevatte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ook het voorwaardelijke verzoek om de beslissing aan te houden werd afgewezen, omdat de verdediging voldoende gelegenheid had gehad haar onderzoekswensen schriftelijk kenbaar te maken en de waarnemend raadsvrouw ter zitting geen aanvullende vragen kreeg.

De rechtbank besloot daarom alle getuigenverzoeken af te wijzen, het onderzoek voor onbepaalde tijd te schorsen en de oproeping van veroordeelde te bevelen tegen een nader te bepalen tijdstip. Tevens werd gewezen op een aankomende regiezitting bij het gerechtshof in mei 2026 die mogelijk nieuwe onderzoekswensen kan opleveren.

Uitkomst: De rechtbank wijst alle getuigenverzoeken af en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13.083796.22 en 13.303148.22
Beslissing van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in bovengenoemde strafzaak, genomen naar aanleiding van de regiezitting van 3 april 2026 in de ontnemingszaak tegen veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats, thans gedetineerd te: [Penitentiaire Inrichting] .
[veroordeelde] wordt hierna ‘veroordeelde’ genoemd.

1.Procesverloop

De rechtbank heeft voorafgaand aan de regiezitting van 3 april 2026 – na schriftelijke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie – kenbaar gemaakt dat tijdens de zitting besproken zal worden welke van de door het gerechtshof in het hoger beroep van de strafzaak toegewezen getuigen, de verdediging ook in de ontnemingsprocedure bij de rechtbank wil horen. Op 11 maart 2026 heeft de verdediging haar onderzoekswensen die binnen die kaders vielen, kenbaar gemaakt. Op 25 maart 2026 heeft het Openbaar Ministerie hierop schriftelijk gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 31 maart 2026 medegedeeld dat zij het hierna te noemen beoordelingskader voor getuigenverzoeken in ontnemingszaken bij de beoordeling van de verzoeken zal hanteren en het Openbaar Ministerie om een aanvullend standpunt verzocht. Dit standpunt heeft het Openbaar Ministerie op 1 april 2026 ingenomen.
De relevante e-mailcorrespondentie is als bijlage aan deze beslissing gehecht.

2.Beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat de ontnemingsprocedure een ander karakter heeft dan de strafprocedure. De rechter die over de ontnemingsvordering moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak (de strafzaak). Wel komt de rechter die over de ontnemingsvordering oordeelt, een zelfstandig oordeel toe met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK3424). Als een getuigenverzoek is gedaan in verband met de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verdeling van dat voordeel of de gemaakte kosten, geldt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot het horen van een getuige, mede in zijn oordeel kan betrekken of het betreffende verzoek van de verdediging, in het licht van de door het Openbaar Ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, is voorzien van een onderbouwing waaruit blijkt waarom het horen van die getuige van belang is voor die beslissing (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1749). Ook mag bij dit oordeel betrokken worden de mate waarin het standpunt van het Openbaar Ministerie op voorhand aannemelijk kan worden geacht (vgl. de conclusie van de A-G voor ECLI:NL:HR:2021:1749 en ECLI:NL:HR:2022:147).
De omstandigheid dat in de strafzaak in hoger beroep is geoordeeld dat er een belang is om die getuige in de strafzaak te horen, brengt dus niet zonder meer mee dat het horen van die getuige in de ontnemingszaak eveneens van belang is. De reden dat de rechtbank heeft verzocht zich te beperken tot die getuigen was in efficiëntie gelegen; dat die getuigen – zo mogelijk – niet dubbel gehoord hoefden te worden.

3.De verzoeken

In het schriftelijk verzoek van de verdediging worden de volgende getuigen genoemd:
Verdenking drugshandel
Toegewezen in zaak tegen veroordeelde
[getuige 1]
[getuige 2 ]

Toegewezen in zaak tegen [getuige 1]

3. Veroordeelde
4. [getuige 2 ]
5. [getuige 2]
6. [getuige 3]
7. Sky-account [accountnummer 1] ( [getuige 2] )
8. Gebruiker Sky-account [accountnummer 2]
9. Gebruiker Sky-account [accountnummer 3]
10. Gebruiker Sky-account [accountnummer 4] ( [getuige 4] )
Gelet op de toelichting ter zitting begrijpt de rechtbank dat, naast de onder 1 en 2 genoemde getuigen in de strafzaak tegen veroordeelde, het verzoek ten aanzien van de in de strafzaak tegen [getuige 1] toegewezen getuigen zo, dat, aanvullend wordt verzocht om de getuigen onder 5, 6 en 10 te horen in de ontnemingszaak. De overige getuigen worden dus niet meer verzocht: De onder 3 genoemde getuige is veroordeelde zelf, de onder 4 genoemde getuige is dezelfde als de onder 2 genoemde getuige, de getuigen onder 5 en 7 zijn dezelfde en de getuigen 8 en 9 zijn niet geïdentificeerd.
De verdediging verzoekt het horen van de getuigen omdat zij volgens het Openbaar Ministerie betrokken zijn geweest bij ingevoerde cocaïne. Zij kunnen verklaren over de Sky-communicatie, het gebruik van de Sky-accounts door verdachte, het invoeren van de cocaïne, de betrokkenheid van veroordeelde daarbij en over de opbrengst, kosten en verdeling van de verkoop.
Verdenking witwassen
11. [verdachte witwassen 1]
11. [verdachte witwassen 2]
11. [verdachte witwassen 3]
11. [verdachte witwassen 4]
Het horen van getuige 11 wordt verzocht om vragen te stellen over de inrichting van de bij veroordeelde in gebruik zijnde woning in Dubai en de betaling daarvan. Getuige 12 wordt verzocht om te horen over de betaling(safspraken) rond de aanschaf van die woning. De getuigen 13 en 14 worden verzocht om te horen omdat zij kunnen verklaren over een aangetroffen document met kosten van een verbouwing.
De officier van justitie verzet zich niet tegen de onder 1 en 2 genoemde getuigen, maar verzet zich wel tegen de getuigen 5, 6, 10, 11, 12, 13 en 14.

4.Beslissing op getuigenverzoeken

De rechtbank wijst alle getuigenverzoeken af.
Verdenking drugs
Wat betreft de getuigen 1, 2, 5, 6 en 10 stelt de rechtbank voorop dat veroordeelde in de strafzaak door de rechtbank is veroordeeld voor onder meer het medeplegen van het invoeren van 1703 kilogram cocaïne. Hoewel de veroordeling niet onherroepelijk is, dient de rechtbank hier op dit moment in de ontnemingsprocedure wel van uit te gaan. In de ontnemingsrapportage is een berekening gemaakt van de geschatte opbrengst van de cocaïne per kilo, de eventuele kosten die hierop in mindering gebracht dienen te worden en aan wie het geschatte voordeel toegerekend dient te worden. Tegen deze achtergrond en het hiervoor weergegeven toetsingskader is de enkele stelling dat de getuigen onder andere kunnen verklaren over vraagstukken die in het algemeen van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van een ontnemingsvordering onvoldoende om de getuigen toe te wijzen. In het bijzonder blijkt uit het verzoek niet welke aspecten van de in het rapport gepresenteerde berekening bijstelling behoeven en hoe de verzochte getuigen daaraan kunnen bijdragen.
Verdenking witwassen
Het horen van de getuigen 11 en 12 wordt verzocht, omdat zij kunnen verklaren over de financiële afspraken en betalingen van respectievelijk de inrichting en de aanschaf van een appartement in Dubai. De stelling van veroordeelde is dat de woning (grotendeels) door de heer [persoon] is betaald en dat de inrichting is betaald door een neef van [persoon] , [neef van persoon] . In het kader van de ontneming is de vraag van belang ten behoeve van wie er betaald is en door wie er gefinancierd is. Dat de getuigen 11. en 12. daarover kunnen verklaren, is onvoldoende onderbouwd.
De getuigen 13 en 14 zouden kunnen verklaren over het document waaruit een bedrag aan sloop- en verbouwingskosten van € 318.422,- zou blijken. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in de strafzaak veroordeelde op dit onderdeel heeft veroordeeld voor een bedrag van € 100.000,-. Dit bedrag heeft de rechtbank niet ontleend aan voornoemd document, maar aan de verklaring van veroordeelde. Volgens deze verklaring zijn de werkzaamheden door een andere partij dan [bedrijfsnaam] uitgevoerd. Nu ook bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage wordt uitgegaan van dit bedrag van € 100.000,- is er in de ontnemingszaak geen belang om de getuigen 13 en 14 te horen.

5.Voorwaardelijk verzoek

Mr. Vermeulen, die ter zitting waarnam voor de vaste raadsman van veroordeelde (mr. Van Boom), heeft ter zitting een voorwaardelijk verzoek gedaan voor het geval de rechtbank verzoeken niet zal toewijzen, om de beslissing aan te houden tot de volgende regiezitting. De raadsvrouw heeft gesteld dat veroordeelde het risico loopt dat als zij vragen van de rechtbank niet afdoende kan beantwoorden, getuigenverzoeken om die reden zouden worden afgewezen.
De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek af.
Uit het hiervoor weergegeven procesverloop en de aangehechte e-mailcorrespondentie volgt dat mr. Van Boom zelf de onderzoekswensen heeft ingediend en dat de schriftelijke standpunten van het Openbaar Ministerie tijdig zijn ontvangen. Op 31 maart 2026 heeft de rechtbank laten weten dat zij bij haar beslissing uitgaat van – de ook bij de verdediging bekend veronderstelde – rechtspraak over getuigenverzoeken in ontnemingszaken, zodat partijen daarmee niet op zitting zouden worden overvallen. De rechtbank stelt verder vast dat na de schriftelijke standpuntuitwisseling op zitting er geen vragen meer zijn gesteld aan de waarnemend raadsvrouw die zagen op het al dan niet toewijzen van de gedane getuigenverzoeken. Gelet op deze stand van zaken is veroordeelde niet in zijn belangen geschaad doordat hij ter zitting niet door zijn vaste raadsman werd bijgestaan, maar door een waarnemer.

6.Overige beslissingen

Voor de voortgang en efficiëntie in deze ontnemingsprocedure zijn ook ontwikkelingen in het hoger beroep van de strafzaak van belang. Begin mei 2026 vindt bij het gerechtshof een nieuwe regiezitting plaats, waarbij het gerechtshof zal oordelen of het kan oordelen over (herhaalde) Sky- en Encro-verzoeken. Als het gerechtshof hierover kan oordelen, kan het Openbaar Ministerie - nadat het gerechtshof heeft beslist - de onderhavige ontnemingszaak wederom op zitting aanbrengen bij de rechtbank voor een nieuwe regiezitting. Op die regiezitting kunnen dan onderzoekswensen van de verdediging worden voorgelegd die geen betrekking hebben op de getuigen die reeds door het gerechtshof in de strafzaak waren toegewezen en waarover in deze beslissing nu een oordeel is gegeven. De rechtbank ziet op dit moment – zoals wel door het Openbaar Ministerie is verzocht – geen aanleiding om termijnen te stellen voor schriftelijke rondes voor die nieuwe regiezitting, omdat dat afhankelijk is van de planning en de volgende zittingscombinatie.

7.Conclusie

De rechtbank komt tot de volgende beslissingen.
Wijst af de verzoeken tot het horen van getuigen.
Schorst het onderzoek voor
onbepaalde tijd.
Beveelt de oproeping van veroordeelde tegen het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van veroordeelde.
Deze beslissing is genomen door de zittingscombinatie van de regiezitting van 3 april 2026, te weten mr. C. Bruil (voorzitter), mrs. A.H.E. van der Pol en M. Nieuwenhuijs (rechters) en in aanwezigheid van mr. C. Wolswinkel (griffier).
Deze beslissing is door de voorzitter en de griffier ondertekend.