Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3715

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
13/066956-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OLWArt. 8 Kaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor tenuitvoerlegging van straf na aanvullende beoordeling overlevering

De rechtbank Amsterdam heeft op 31 maart 2026 een beslissing genomen op een verzoek van de Duitse autoriteiten tot aanvullende toestemming voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan. Dit verzoek was ingediend op grond van artikel 14, derde lid, van de Overleveringswet (OLW).

Eerder had de rechtbank op 25 november 2025 geoordeeld dat de stukken ontoereikend waren omdat onvoldoende was aangetoond dat de overgeleverde persoon de gelegenheid had gekregen om zijn opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken, conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. Uit aanvullende informatie van 18 februari 2026 bleek dat de overgeleverde persoon op 3 februari 2026 in persoon was gehoord en zijn rechten had kunnen uitoefenen.

De rechtbank concludeerde dat het verzoek nu toereikend was en dat het verzoek betrekking had op een feit waarvoor overlevering krachtens de OLW mogelijk was. Met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging werd het verzoek toegewezen en toestemming verleend voor de tenuitvoerlegging van de straf.

De beslissing werd genomen door de voorzitter M. Scheeper en rechters M. Westerman en L. Sanders, in aanwezigheid van griffier C.W. van der Hoek.

Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor de tenuitvoerlegging van de straf na bevestiging dat de overgeleverde persoon zijn rechten heeft kunnen uitoefenen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/066956-25
Datum beslissing: 31 maart 2026
BESLISSING
op de vordering op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 17 april 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het
Amtsgericht Geldern, Duitsland, op 20 november 2024, met kenmerk 7 Ls 21/19, en betreft:
[overgeleverde persoon],
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Duitsland),
thans gedetineerd in Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Bij tussenbeslissing van 25 november 2025 [1] heeft de rechtbank geoordeeld dat de stukken in het verzoek ontoereikend waren, omdat onvoldoende was gebleken dat de overgeleverde persoon in de gelegenheid was gesteld om zijn opmerkingen en bezwaren over het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. [2]
Uit de aanvullende informatie van de Duitse autoriteiten van 18 februari 2026 blijkt dat de overgeleverde persoon inmiddels op een zitting van 3 februari 2026 in de gelegenheid is gesteld om eventuele opmerkingen en bezwaren over het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken. De overgeleverde persoon was in persoon aanwezig bij die zitting en is door de rechter gehoord over de in het verzoek omschreven veroordeling en over het huidige verzoek tot aanvullende toestemming.
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn thans toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
Het verzoek betreft een feit waarvoor krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen.

2.Beslissing

De rechtbank:
verleent op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf van
[overgeleverde persoon]voor het feit zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 31 maart 2026 door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.

Voetnoten

2.HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/2 I PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.