Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Amtsgericht Geldern, Duitsland, op 20 november 2024, met kenmerk 7 Ls 21/19, en betreft:
1.Beoordeling
2.Beslissing
[overgeleverde persoon]voor het feit zoals vermeld in het verzoek.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam heeft op 31 maart 2026 een beslissing genomen op een verzoek van de Duitse autoriteiten tot aanvullende toestemming voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan. Dit verzoek was ingediend op grond van artikel 14, derde lid, van de Overleveringswet (OLW).
Eerder had de rechtbank op 25 november 2025 geoordeeld dat de stukken ontoereikend waren omdat onvoldoende was aangetoond dat de overgeleverde persoon de gelegenheid had gekregen om zijn opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken, conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. Uit aanvullende informatie van 18 februari 2026 bleek dat de overgeleverde persoon op 3 februari 2026 in persoon was gehoord en zijn rechten had kunnen uitoefenen.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek nu toereikend was en dat het verzoek betrekking had op een feit waarvoor overlevering krachtens de OLW mogelijk was. Met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging werd het verzoek toegewezen en toestemming verleend voor de tenuitvoerlegging van de straf.
De beslissing werd genomen door de voorzitter M. Scheeper en rechters M. Westerman en L. Sanders, in aanwezigheid van griffier C.W. van der Hoek.
Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor de tenuitvoerlegging van de straf na bevestiging dat de overgeleverde persoon zijn rechten heeft kunnen uitoefenen.