ECLI:NL:RBAMS:2025:9110

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
13-066956-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OLWArt. 8 Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 27 Kaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeslissing over aanvullende toestemming uitlevering wegens specialiteitsbeginsel

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet tot het verlenen van toestemming voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd. Dit verzoek is uitgevaardigd door een Duitse rechtbank en betreft een persoon die in Duitsland gedetineerd is.

De rechtbank constateerde dat de beschikbare stukken niet toereikend zijn om een beslissing te nemen met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon. Hoewel de betrokkene is gehoord over het specialiteitsbeginsel, is uit het proces-verbaal niet gebleken dat hij daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om zich uit te laten over het verzoek om aanvullende toestemming.

De rechtbank heeft de Duitse autoriteiten verzocht om de overgeleverde persoon deze gelegenheid te bieden, maar hieraan is geen gehoor gegeven. Daarom wordt de beslissing aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit alsnog in de gelegenheid te stellen de overgeleverde persoon te laten reageren op het verzoek om aanvullende toestemming.

De beslissing is genomen door de voorzitter en twee rechters van de rechtbank Amsterdam in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan om de overgeleverde persoon alsnog gelegenheid te geven zijn bezwaren over het specialiteitsbeginsel kenbaar te maken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/066956-25
Datum beslissing: 25 november 2025
TUSSEN-BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 17 april 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is uitgevaardigd door het
Amtsgericht [kantongerecht] Geldern, Duitsland, op 20 november 2024 en betreft:
[overgeleverde persoon],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (Duitsland),
thans gedetineerd in Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn echter nog niet toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
Het verzoek betreft een feit ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan. De overgeleverde persoon is op 23 juli 2024 door het Kantongerecht (
Amtsgericht), Duisburg, over dit verzoek gehoord. Het proces-verbaal houdt onder meer in:
“De betrokkene werd ervan in kennis gesteld dat hij zal worden gehoord over de vraag of hij afstand doet van het specialiteitsbeginsel in de procedure van het Openbaar Ministerie (Staatsanwaltschaft) van Kleve met dossiernummer 105 Js 1377/16, Het dossiernummer van het Kantongerecht (Amtsgericht) van Geldern luidt 7 Ls 21/19.
De betrokkene verklaarde:
Nee, ik wil geen afstand doen van het specialiteitsbeginsel.
Op de vraag waarom hij geen afstand wilde doen van het specialiteitsbeginsel, lichtte zijn raadsman het volgende toe:
Dat is zijn beslissing. Het is zijn goed recht. Dit is al de derde hoorzitting in deze zaak. De hoorzitting had kunnen plaatsvinden in het kader van de uitlevering op basis van het Europees aanhoudingsbevel. Dat is echter niet gebeurd.”
Hoorrecht
Vereist is dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. [1] Uit de stukken is onvoldoende gebleken dat de overgeleverde persoon daartoe in de gelegenheid is gesteld. Uit het hiervoor geciteerde proces-verbaal blijkt slechts dat de overgeleverde persoon heeft verklaard dat hij geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel (wat de aanleiding vormt voor het verzoek om aanvullende toestemming) en niet dat hij daarbij of bij een ander verhoor in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over het verzoek om aanvullende toestemming.
Op 18 augustus 2025 heeft de rechtbank via het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) de Duitse autoriteiten verzocht om de opgeëiste persoon deze mogelijkheid te bieden. Aan dit verzoek is geen gehoor gegeven. De rechtbank zal daarom de beslissing op het verzoek om aanvullende toestemming aanhouden teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit de gelegenheid te geven om de overgeleverde persoon alsnog in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen en bezwaren met betrekking tot de aanvullende toestemming naar voren te brengen.

2.Beslissing

De rechtbank:
houdt aande beslissing op de vordering ex artikel 14, derde lid, OLW teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit gelegenheid te geven om
[overgeleverde persoon]alsnog in de gelegenheid te stellen al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren naar voren te brengen over het verzoek, waarbij op grond van artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan de rechtbank Amsterdam om toestemming wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde straf voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, en het verslag daarvan aan de rechtbank te doen toekomen.
Deze beslissing is genomen op 25 november 2025 door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier.

Voetnoten

1.HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/2 1 PPU en C-42912 1 PPU, ECLI:EU:C:202 1:876, punt 63.