Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3694

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/1563 en AMS 26/1570
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische urgentie en zorgvuldige belangenafweging

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen. Zij stelde dat haar ernstige psychiatrische voorgeschiedenis en de psychische onrust veroorzaakt door haar huidige woning een urgente verhuizing rechtvaardigen. De rechtbank heeft beoordeeld of verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder heeft voldaan aan de vergewisplicht door het advies van de GGD zorgvuldig te betrekken bij het besluit. De GGD concludeerde dat de psychische beperkingen van eiseres niet ernstig genoeg zijn om een urgente verhuizing op medische gronden te rechtvaardigen. De rechtbank vindt dat de belangen van het minderjarige kind voldoende zijn meegewogen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

De medische informatie over nieuwe behandeling en medicatie dateert van na het bestreden besluit en kon daarom niet worden meegewogen. De woonwensen van eiseres kunnen niet worden ingewilligd via een urgentieverklaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring af en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummers: AMS 26/1563 en AMS 26/1570
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: [persoon 1] en [persoon 2] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 december 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 maart 2026 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het verzoek op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van verweerder.
2.4.
Omdat de rechtbank na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres. [1]
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het bestreden besluit
3. Verweerder is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring gebleven omdat bij een urgentieverklaring op medische gronden, in dit geval psychische klachten, sprake moet zijn van aantoonbaar chronische klachten en de aanvrager op het moment van de aanvraag minimaal zes maanden onder behandeling moet zijn voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns GGZ-instelling of vrijgevestigd psychiater. Eiseres voldoet volgens verweerder niet aan dit criterium. De GGD-arts komt namelijk in het adviesrapport van 11 december 2025 tot de conclusie dat de psychische beperkingen van eiseres niet van dien aard en ernst zijn, dat hiermee urgente verhuizing op medische gronden te onderbouwen is.
Standpunt eiseres
4. Eiseres verwijst naar de overgelegde informatie van GGZ Centraal van
26 november 2025 waaruit volgens haar blijkt dat sprake is van een ernstige psychiatrische voorgeschiedenis, dat de kans op recidive hoog blijft en dat haar huidige woning psychische onrust veroorzaakt. In het verleden heeft dit bijgedragen aan overprikkeling en verlies van controle, en haar herstel ondermijnt. Verweerder heeft deze informatie volgens eiseres onvoldoende serieus en onvoldoende kenbaar meegewogen. Verweerder heeft zich in hoofdzaak gebaseerd op het GGD-advies. Daarmee is echter onvoldoende gemotiveerd waarom de concrete bevindingen van GGZ Centraal niet tot een medische urgentie leiden. Verder is de situatie volgens eiseres ten onrechte te veel benaderd als een kwestie van fysiek traplopen. Haar probleem is niet alleen fysiek, maar vooral psychisch: de woning en woonomgeving veroorzaken spanning, onrust en een reëel risico op ontregeling. Door dit te beperkt te beoordelen, is het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Ook is eiseres opnieuw aangemeld voor behandeling en gebruikt zij weer medicatie. Dit
bevestigt dat haar psychische problematiek nog steeds actueel is en dat de eerdere voorstelling alsof sprake was van een voldoende stabiele en afgeronde situatie te beperkt is
geweest. Deze ontwikkeling is geen losstaand nieuw feit, maar een nadere bevestiging van de reeds bestaande psychische kwetsbaarheid en het risico op terugval. Daarnaast zijn de belangen van haar minderjarige zoon volgens eiseres onvoldoende individueel meegewogen. Haar psychische stabiliteit hangt namelijk direct samen met zijn welzijn en veiligheid.
Overwegingen
5. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit uitgaan van het advies van een (medisch) deskundige, als is nagegaan of dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en de conclusies kan dragen, de zogenaamde vergewisplicht. [2] Zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren gebracht, dan mag niet zonder meer van het advies van de deskundige worden uitgegaan.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan deze vergewisplicht en mocht verweerder het oordeel van de GGD aan de afwijzing van de urgentieverklaring ten grondslag leggen. De GGD heeft voldoende onderzoek gedaan en het advies is navolgbaar. De GGD heeft in het advies meegewogen dat eiseres al enige tijd geen behandeling meer heeft voor psychische klachten en ook geen medicamenteuze ondersteuning. Verder is de relatie tussen de psychische klachten en de woonsituatie onvoldoende duidelijk. De GGD-arts heeft, vanwege de medische problematiek van eiseres in het verleden, overwogen dat eiseres zelfstandig kan wonen. De GGD-arts heeft daarbij opgemerkt dat eiseres al langere tijd zelfstandig woont en voor haar minderjarige kind zorgt. Dat eiseres in staat is om zelfstandig te wonen, betekent evenwel niet dat haar daarom een urgentieverklaring moet worden verstrekt. Er moet sprake zijn van ernstige en chronische medische problematiek waardoor eiseres niet meer in staat is zelfstandig te functioneren én eiseres moet in staat zijn om zelfstandig te wonen. De GGD-arts heeft verder expliciet de brief van GGZ Centraal van 26 november 2025 meegenomen in het advies. Dat eiseres zich desondanks niet kan vinden in de conclusie van de GGD is geen reden om het advies onzorgvuldig te achten. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan het advies te twijfelen. Met de GGD-arts is de rechtbank daarom van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat sprake is van dermate ernstige problematiek
die alleen kan worden opgelost of verbetert met een verhuizing naar een eengezinswoning.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen aanleiding hoefde te zien om de hardheidsclausule toe te passen. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts bij uitzondering slagen, waarbij het aan eiseres is aannemelijk te maken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen. Eiseres heeft geen stukken ingediend waaruit is vast komen te staan dat haar psychische problematiek van dien aard is, dat eiseres vanwege ernstige, levensbedreigende psychische problemen met spoed een eigen zelfstandige woonruimte moet krijgen. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende rekenschap heeft gegeven aan de belangen van haar minderjarige kind. Hij heeft onderdak en verder is niet gebleken van enige problematiek in de ontwikkeling van het kind. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van het bestreden besluit onredelijk bezwarend zijn voor eiseres of haar minderjarige zoon.
8. De medische informatie die eiseres heeft overgelegd over haar nieuwe behandeling bij de GGZ en het gebruik van medicatie dateert van na het bestreden besluit. Deze informatie heeft verweerder daarom niet hoeven meewegen in het bestreden besluit. Bovendien kan eiseres, indien sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, een nieuwe aanvraag doen waarin deze medische informatie kan worden beoordeeld.
9. Tot slot merkt de rechtbank op dat eiseres met haar aanvraag voor een urgentieverklaring niet kan bereiken wat zij wenst. Verweerder heeft hiertoe toegelicht dat bij het verstrekken van een urgentieverklaring wordt gekeken naar de gezinssamenstelling van eiseres waardoor een woning met vier kamers zonder bovenburen niet realistisch is. De woonwensen van eiseres kunnen niet met een urgentieverklaring worden ingewilligd.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring mocht afwijzen en eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2541.