Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
Laat het duidelijk zijn: wij willen niet dat je vertrekt. Jij bent van waarde voor [handelsnaam] . Tegelijkertijd hebben [naam 2] en ik een duidelijke koers gekozen voor de winkel. (…) [naam 3] maakt daar als bedrijfsleider een integraal onderdeel van uit. (…) Het is jou kennelijk moeilijk gevallen om je aan die lijn te conformeren. (…) Daar kun je een mening over hebben – maar wat niet kan, is blijven dreigen met je vertrek, je afzetten tegen beslissingen of daarmee onrust creëren binnen het team.
Als iemand herhaaldelijk zegt dat hij ontslag wil nemen, dan zijn wij verplicht dat serieus te nemen. (…) Daarom verzoeken wij je uiterlijk binnen 24 uur na ontvangst van deze brief formeel aan te geven wat je besluit is (…) Indien je wilt blijven, dan is het noodzakelijk dat je je ook conformeert aan het beleid dat is vastgesteld, en dat je samenwerkt met [naam 3] en de rest van het team op een respectvolle manier.”
De spanning ontstond in de samenwerking met de bedrijfsleider intern. Hoewel hij zeer positief spreekt over zijn verbinding met de heer [naam 2] , heeft hij in deze situatie onvoldoende steun ervaren. (…) Er is sprake van een vertrouwensbreuk. De weg terug is er volgens hem niet meer. Hij wil een vaststellingsovereenkomst.”
In het individuele gesprek met de heer [naam 2] en zijn partnwer hebben zij mij meegenomen in de situatie van het afgelopen jaar. Ook zij spreken zeer lovend over meneer [verzoeker] . Een uitstekende vakman en harde werker. Zeer betrokken bij de zaak en zien hem graag terugkomen.”
Er is geen sprake van een ziekte. Meneer [verzoeker] wil niet terug in zijn baan. Er is te veel gebeurd. Meneer [naam 2] geeft aan dat hij gewoon terug kan keren. Als hij niet wil, moet hij maar ontslag nemen. Er is dus sprake van een arbeidsconflict.”
Even voor de duidelijkheid ik heb helemaal geen bedreigingen geuit richting Dhr. [naam 3] ik heb heel duidelijk aangegeven dat ik niet met hem in 1 ruimte kan zitten/werken. Dit omdat hij voor mijn gevoel onrecht heeft aangedaan mijn toekomst bij het bedrijf is hierdoor onmogelijk gemaakt. (…) De 29ste hebben we het nog gehad over dat ze me graag terug willen in het bedrijf... hoe kan het dan zo zijn dat een dag later het in een keer zo omslaat (…).”
Op maandag 29 december 2025 belde ik [verzoeker] , omdat de mediation nergens toe leidde. (…) Tijdens dit gesprek heeft [verzoeker] aangegeven dat hij niet wilde re-integreren en dat hij niet in één ruimte kan zijn met [naam 3] . Waarna [verzoeker] begon met het uiten van bedreigingen. Ik hoorde [verzoeker] zeggen: “Ik verbouw hem zo dat je hem en de winkel niet meer terug herkent. Ik maak hem af. Mijn vader heeft me al twee keer tegen moeten houden. Ik prop hem in de kleinste wasmachine. (…)
3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
4.De beoordeling van het verzoek
Als je gewoon normaal doet dan kan je terugkomen.” Op basis van deze aangifte kan de kantonrechter niet aannemen dat [verweerder] de woorden van [verzoeker] op dat moment daadwerkelijk zo ernstig heeft opgevat op de wijze hoe zij dat in de ontslagbrief en het verweerschrift heeft gepresenteerd. In de aangifte heeft [naam 1] ook verklaard “
Ik ben het grof taalgebruik van [verzoeker] wel gewend.” Dat [verweerder] de uitingen van [verzoeker] niet als direct de veiligheid bedreigend heeft opgevat is mede aannemelijk omdat zij elkaar heel goed kenden. Tussen [verzoeker] en het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] was naast de werkrelatie sprake van een vriendschappelijke relatie, waarbij zij geregeld bij elkaar over de vloer kwamen. Voorts is in alle gespreksverslagen te lezen dat óók na het ontstaan van het arbeidsconflict nog steeds voorop stond dat [verweerder] [verzoeker] als een zeer gewaardeerde medewerker beschouwde die zij graag voor de organisatie zou behouden, maar dat als hij wilde vertrekken hij zelf ontslag zou moeten nemen. Er bestond geen bereidheid om hem daarbij een vergoeding te betalen. Terugkeer was volgens [verzoeker] vanwege de verstoorde arbeidsverhouding echter een gepasseerd station en uit de stukken volgt dat hij daarbij herhaaldelijk aangegeven heeft dat [verweerder] niet mocht verwachten dat hij – als gevolg van zijn conflict met [naam 3] – zijn baan zou opzeggen zonder dat daar een vergoeding tegenover stond. Niet uitgesloten kan worden dat het ontslag op staande voet is gegeven mede om de ontstane impasse te doorbreken, zonder daarbij een vergoeding te hoeven betalen. [verzoeker] zat wegens een arbeidsconflict thuis, [verweerder] wilde dat [verzoeker] zou terugkeren in de organisatie en [verzoeker] wilde zijn dienstverband met [verweerder] niet zonder vergoeding opzeggen. Uit de aangifte volgt ook dat zowel het ontslag op staande voet als het sluiten van de winkel op advies van en in overleg met het hoofdkantoor van [verweerder] is gedaan. Dat het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] na de door [verzoeker] geuite – door [verweerder] gestelde – bedreigingen tegen hem gezegd heeft dat hij gewoon terug kan keren ‘als hij normaal doet’, valt niet te rijmen met de daarna – na raadpleging van een jurist van het hoofdkantoor – door [verweerder] ingenomen stelling dat louter op grond van de in dit ene gesprek gedane uitlatingen [verweerder] sprake was van een acute dreiging en dat de medewerkers van [verweerder] door angst bevangen waren. In het midden kan daarom blijven wat er precies is gezegd tijdens het telefoongesprek. De conclusie is dat niet is aangetoond dat sprake is van de gestelde dringende reden voor ontslag op staande voet.