Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3518

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/13/776277 / HA RK 25-335
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 1:253i lid 1 BWArt. 1:253k BWArt. 1:349 BWArt. 237 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ouder niet-ontvankelijk in verzoek inzage nalatenschapsstukken namens minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de vader om namens zijn minderjarige kinderen inzage en afschrift van stukken te verkrijgen in het kader van de afwikkeling van een nalatenschap die de kinderen beneficiair hebben aanvaard.

De vader en moeder voeren gezamenlijk het gezag over de kinderen. De rechtbank oordeelt dat de vader niet bevoegd is om zonder machtiging van de kantonrechter namens de kinderen tegen hun moeder te procederen, omdat de moeder als mede-gezaghebbende ouder bezwaar maakt.

Hoewel de vader stelt ook eigen belang te hebben, acht de rechtbank dit niet aannemelijk. De rechtbank verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden voor het verkrijgen van een machtiging.

Ten overvloede beoordeelt de rechtbank de inhoud van het verzoek en constateert dat de vader inmiddels de gevraagde informatie deels heeft ontvangen, waardoor het belang ontbreekt.

De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten, waarbij de vader zijn kosten niet ten laste van de kinderen mag brengen.

Uitkomst: Vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om inzage stukken namens minderjarige kinderen wegens ontbreken machtiging kantonrechter.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776277 / HA RK 25-335
Beschikking van 2 april 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. M.P.G. Roobeek,
tegen

1.[verweerder],

wonende in [woonplaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
2.
[belanghebbende],
wonende in [woonplaats 3],
belanghebbende,
advocaat: mr. A.D. Bauer-van Erp.

1.De kern van de zaak

1.1.
[verzoeker] en [verweerder] zijn de ouders van twee minderjarige kinderen en voeren gezamenlijk het gezag over hen uit. De vader van [verweerder] (hierna: erflater) is overleden in 2024 en [verweerder] en haar zus hebben beiden de nalatenschap van erflater verworpen, zodat hun kinderen in hun plaats zijn getreden. De kinderen van [verzoeker] en [verweerder] hebben de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. In het kader van de afwikkeling van die nalatenschap verzoekt [verzoeker] in deze procedure namens de kinderen dat [verweerder] wordt veroordeeld om een afschrift van bepaalde stukken te verstrekken. De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat hij voor het namens de kinderen tegen hun moeder procederen een machtiging van de kantonrechter had moeten hebben.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoeker], ingekomen ter griffie op 22 oktober 2025, met producties,
  • het verweerschrift van [verweerder], met een productie,
  • de beschikking van 20 november 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
  • het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.

3.De beoordeling

[verzoeker] is niet-ontvankelijk in zijn verzoek

3.1.
[verzoeker] heeft – na wijziging van zijn verzoek – in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater verzocht dat [verweerder] wordt veroordeeld om een afschrift van bepaalde stukken te verstrekken, op straffe van een dwangsom. Op de zitting heeft [verzoeker] concreet gemaakt om welke informatie het gaat. Hij baseert zijn verzoek op artikel 194 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.2.
[verweerder] voert aan dat 194 Rv niet bedoeld is voor een geval als dit waarin [verzoeker] en [verweerder] allebei hetzelfde belang hebben, namelijk dat van hun kinderen. [verweerder] verzet zich ook inhoudelijk tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe aan dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek, omdat hij al over alle relevante informatie beschikt.
3.3.
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] dat hij het verzoek namens zijn kinderen doet. [verzoeker] heeft namelijk in het verzoekschrift aangegeven dat hij als gezaghebbende ouder en als wettelijke vertegenwoordiger van zijn kinderen een rechtstreeks belang heeft bij inzage in de stukken omdat hij zonder de stukken de belangen van zijn kinderen niet kan behartigen. Daarom verzoekt hij de rechtbank in het belang van zijn kinderen om nadere informatie te verkrijgen. Op de zitting heeft [verzoeker] bevestigd dat hij het verzoek namens zijn kinderen doet. [verzoeker] heeft op de zitting gezegd dat hij het verzoek ook namens zichzelf doet, maar de rechtbank vindt dat niet aannemelijk. [verzoeker] heeft niet gesteld welk eigen belang hij bij de verzochte stukken heeft.
3.4.
De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat [verzoeker] niet bevoegd is om zijn kinderen in deze procedure te vertegenwoordigen. Als zoals in dit geval twee ouders gezamenlijk het gezag hebben over hun minderjarige kinderen dan mag iedere ouder afzonderlijk het kind in een procedure vertegenwoordigen, zolang de andere ouder daartegen geen bezwaar heeft. [1] In dit geval procedeert [verzoeker] echter als ouder tegen de andere gezaghebbende ouder. Daarmee is het bezwaar van de andere ouder gegeven. Als een ouder zonder machtiging van de kantonrechter voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt, dan moet de ouder in die procedure niet-ontvankelijk worden verklaard. [2] De rechtbank stelt vast dat zo’n machtiging hier ontbreekt. Dat de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland [verzoeker] en [verweerder] beiden in de beschikking van 9 januari 2025 heeft gemachtigd tot inzage in- en het verlangen van afschriften van alle gegevensdragers en administratie van erflater, is niet hetzelfde als een machtiging om namens de kinderen tegen hun moeder te procederen. De rechtbank ziet mede gezien haar oordeel ten overvloede over de inhoud van het verzoek (zie hierna) geen aanleiding om de zaak aan te houden om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen de vereiste machtiging alsnog te verkrijgen. Dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, betekent dat de rechtbank dat verzoek in beginsel niet inhoudelijk beoordeelt en dat daarmee de zaak is afgedaan.
3.5.
De rechtbank ziet echter in wat op de zitting is besproken en de wens van partijen om inhoudelijk tot een afronding van het geschil te komen aanleiding om ‘ten overvloede’ toch een oordeel over de inhoud te geven. Ook als [verzoeker] wel een machtiging van de kantonrechter had, zou de rechtbank zijn vordering niet hebben toegewezen. Partijen zijn het er (inmiddels) over eens dat [verzoeker] de informatie waar hij om heeft verzocht heeft gekregen: deels al voor de procedure en deels op de zitting. Dat betekent dat [verzoeker] in zoverre geen belang (meer) heeft bij zijn verzoek. Omdat artikel 194 Rv Pro vereist dat degene die om afgifte van stukken verzoekt daarbij voldoende belang heeft, is daarmee dus niet aan de voorwaarden van dat artikel voldaan.
Proceskosten
3.6.
Beide partijen hebben verzocht om de ander in de proceskosten te veroordelen en hebben daarvoor gesteld dat het niet nodig was om deze procedure te starten omdat de ander dit had kunnen voorkomen. De rechtbank kiest er in dit soort familieaangelegenheden vaak voor om iedere partij de eigen proceskosten te laten dragen. [3] De rechtbank vindt het ook in deze familiaire kwestie redelijk dat iedere partij de eigen kosten draagt, ongeacht de vraag wie er (on)gelijk krijgt. Daarbij geldt dat [verzoeker] persoonlijk zijn eigen proceskosten moet dragen en die kosten niet ten laste van de kinderen komen. Die zijn er immers niet voor verantwoordelijk dat [verzoeker] onbevoegd in hun naam procedeert, omdat de vereiste machtiging van de kantonrechter daarvoor ontbreekt. [4]

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gewezen door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 1:253i lid 1 BW.
2.Zie artikel 1:253k jo artikel 1:349 BW Pro.
3.Die bevoegdheid volgt uit artikel 237 lid 1 Rv Pro en bijvoorbeeld de conclusie van 24 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:569, overweging 3.53.
4.Vergelijk Hoge Raad 12 december 1975,