ECLI:NL:RBAMS:2026:3486
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Beslissing ongegrond bezwaar tegen DNA-afname bij veroordeling witwassen
De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 maart 2026 het bezwaar van een veroordeelde tegen de afname en verwerking van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA. De veroordeelde was veroordeeld voor witwassen en stelde dat het bepalen en verwerken van zijn DNA disproportioneel was en een ongeoorloofde inbreuk op zijn privacy vormde, omdat het niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tijdig en ontvankelijk was. De Wet DNA verplicht afname van celmateriaal bij veroordeelden van misdrijven zoals witwassen, tenzij een uitzondering geldt. De rechtbank stelde vast dat het misdrijf voldoet aan de wettelijke criteria en dat DNA-onderzoek ook bij witwassen van belang kan zijn voor opsporing en vervolging.
De rechtbank overwoog dat de door de veroordeelde aangevoerde bijzondere omstandigheden niet aannemelijk maken dat het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn. Hoewel de afname een inbreuk op het recht op privacy vormt, is deze geoorloofd omdat aan alle wettelijke criteria is voldaan. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname wordt ongegrond verklaard en de DNA-afname blijft gehandhaafd.